Scholarly article on topic 'De ideologische positie van Algemeen Nederlands in Vlaanderen'

De ideologische positie van Algemeen Nederlands in Vlaanderen Academic research paper on "Languages and literature"

0
0
Share paper
Academic journal
Taal en tongval
OECD Field of science
Keywords
{""}

Academic research paper on topic "De ideologische positie van Algemeen Nederlands in Vlaanderen"

TAAL EN TONGVAL

www.taalentongval.eu

Uitgave: Amsterdam University Press

De ideologische positie van Algemeen Nederlands in Vlaanderen

De standaardiseringsideologie onder druk?

Chloé Lybaert

TET 67 (1): 97-134

DOI: 10.5117/TET2015.LLYBA

Abstract

The ideological position of Standard Dutch in Flanders: the standard language ideology under pressure?

In this paper, the results of a perception study in Flanders are reported. 80 informants were subjected to a qualitative interview, to gain insight in the way Flemish language users judge on the situational appropriacy of several Dutch language varieties. The reported beliefs of the informants were compared to language ideological frameworks and they show an evolution in the standard language ideology (Milroy & Milroy, 1985), an ideology in which the standard language is considered to be the ideal and to be the only appropriate variety for formal and public situations. The informants still consider the standard language to be important and to be superior, but the variety according to them is not necessary for formal and public situations. Instead Tussentaal, lit. 'in-between language', has gained a position in the situational spectre.

Keywords: standard language ideology, perceptions, Flanders, tussentaal

1 Inleiding

De voorbije decennia werd binnen een Vlaamse context veel geschreven over taalideologieen en over de relatie tussen ideologieen en taalgedrag (zie onder meer Delarue, 2013; Jaspers & Brisard, 2006; Van Hoof, 2013). Vlaanderen wordt daarbij traditioneel voorgesteld als een gebied waarin een standaardiseringsideologie van kracht is, een ideologie die taalvariatie

VOL.67,NO. 1,2015 97

hiërarchiseert en waarbij de standaardtaal beschouwd wordt als de superieure variëteit. Die ideologie staat in verband met de Vlaamse taalgeschie-denis en zit onder meer duidelijk vervat in taalbeleidsnota's in het onder-wijs (Smet, 2011; Vandenbroucke, 2007) en in het VRT-taalcharter (Hen-drickx, 1998, 2001). Tot nu toe werd echter nog niet aan de hand van kwalitatief onderzoek nagegaan of gewone taalgebruikers die ideologie reproduceren, en hoe die taalgebruikers denken over de bruikbaarheid van verschillende taalvariëteiten en -varianten in Vlaanderen.

Om die vraag te beantwoorden, werden 80 hoogopgeleide Vlamingen onderworpen aan een interview over taalvariatie in Vlaanderen, waarin hen onder meer gevraagd werd om te oordelen over de situationele ge-schiktheid van verschillende vormen van taalgebruik. Voor we overgaan tot een bespreking van de methodologie (§4) en de resultaten (§5) van dat onderzoek, gaan we kort in op de Vlaamse standaardiseringsgeschiedenis en de huidige Vlaamse taalsituatie enerzijds (in §2) en op de standaardise-ringsideologie anderzijds (in §3). We ronden onze uiteenzetting af met een discussie in §6.

2 De standaardtaal in Vlaanderen: geschiedenis & status quaestionis

Over de totstandkoming van het Algemeen Nederlands in Vlaanderen werd al vaak geschreven (zie Vandenbussche, 2010; Willemyns & Daniels, 2003). Vlaanderen wordt daarbij traditioneel voorgesteld als een gebied met een standaardiseringsachterstand (zie hierover Van Hoof & Jaspers, 2012). Historisch werd het Nederlands immers veel later een standaardtaal in Belgie dan in Nederland. Vanaf het einde van de zestiende eeuw, maar vooral in de zeventiende en de achttiende eeuw, kwam in het Noorden de Nederlandse standaardtaal tot stand. Terwijl de Nederlandse standaardtaal zich daar ontwikkelde, stonden de Zuidelijke Nederlanden nog achtereen-volgend onder Spaanse, Oostenrijkse en Franse heerschappij, en dat kwam de ontwikkeling van een Nederlandse standaardtaal in het Zuiden niet ten goede. In 1830, bij de stichting van Belgie, werd het Frans zelfs de dominante en meest prestigieuze taal. Naast Frans werd er in de praktijk ook nog Nederlands gesproken en geschreven. Dat Nederlands werd toen echter als heel verbrokkeld beschouwd (Couvreur, 1940, p. 285): er zouden veel verschillende soorten 'Vlaams' gesproken en geschreven worden en er zou sprake geweest zijn van normatieve chaos (Willems, 1819-1824, p. 302; Wils, 1956, p. 527-528). Die normatieve chaos en de vermeende verbastering en

98 VOL.67,NO. 1,2015

regionale verbrokkeling van de taal van de Vlamingen werden recent echter in vraag gesteld door Vosters, Rutten & Van der Wal (2010). Volgens hen was het Nederlands in Vlaanderen niet minder uniform dan het Neder-lands in Nederland.

Vanaf de negentiende eeuw werd in Belgie gestreden tegen de hegemonie van het Frans en tegen de discriminatie van het Nederlands. Die strijd vormde het begin van wat later 'de Vlaamse Beweging' werd genoemd, een beweging die zieh onder meer richtte op de wettelijke erkenning van het Nederlands in Belgie en die door allerlei acties en initiatieven een essen-tiele rol heeft gespeeld in de vernederlandsing van Vlaanderen (Willemyns & Daniels, 2003). Op ideologisch vlak bestond er in de strijd voor de taal van de Vlamingen een tweedeling tussen een groep 'particularisten' en een groep 'integrationisten'. De eersten pleitten voor een autonoom Vlaams standaardiseringsproces op basis van het lokale taalgebruik, de integrationisten wilden daarentegen zo veel mogelijk aansluiten bij de standaardtaal uit Nederland. In de negentiende eeuw werd uiteindelijk gekozen voor de integrationistische agenda en in 1898, met de Gelijkheidswet, werd het Nederlands in Belgie ook erkend als officiele taal naast het Frans (Jaspers & Van Hoof, 2013; Vandenbussche, Willemyns, De Groof, & Vanhecke, 2005). Het Noord-Nederlands werd van dan af voorgesteld als het te berei-ken ideaal in Vlaanderen.

Het heeft echter tot in het midden van de twintigste eeuw geduurd voor er op grote schaal initiatieven werden ondernomen om Vlamingen ver-trouwd te maken met het noordelijke Nederlands. Vanaf 1950 tot 1980 kende Vlaanderen volgens Van Hoof & Jaspers (2012) een periode van 'hyperstandaardisering', i.e. 'een doorgedreven propagandistische, groot-schalige, gemediatiseerde en decennialang in talloze maatschappelijke sec-toren volgehouden ideologisering van het taalgebruik, die met moeite haar gelijke vindt in andere nationale contexten' (2012, p. 97). Tijdens die periode van extreme taalzuivering werd een nagenoeg volledige assimilatie met de noordelijke norm nagestreefd (behalve in de uitspraak) en werd de positie van het Nederlands in Vlaanderen versterkt door onder meer taal-programma's op radio en televisie, ABN-weken op school en taalrubrieken in kranten.

Beheersen Vlamingen nu anno 2015 ook effectief Algemeen Nederlands, en wordt die varieteit ook gesproken en geschreven? Die vraag valt niet eenduidig te beantwoorden. We moeten daarbij een onderscheid maken tussen passieve kennis van de standaardtaal en het actieve gebruik ervan. Vlamingen zijn in ieder geval vertrouwd met de standaardtaal en begrijpen die ook wanneer ze die horen of lezen (Impe, 2010).Wat het actieve gebruik

LYBAERT 99

van Algemeen Nederlands daarentegen betreft, zien we een verschil tussen de spreektaal en de schrijftaal. Algemeen Nederlands fungeert in Vlaande-ren vrijwel onproblematisch als schrijftaalnorm, zowel in acceptatie als in gebruik, maar wordt slechts zelden gesproken: hoewel iedereen de stan-daardtaal begrijpt, zijn er weinigen die de standaardtaal ook goed beheer-sen en die zich mondeling spontaan in standaardtaal uitdrukken (De Ca-luwe, 2009; Geeraerts, 2001a; Plevoets, 2008).

In de praktijk wordt in Vlaanderen vaker niet-standaardtalig gesproken. Zo is er in Vlaanderen sprake van een uitzonderlijk grote dialectdiversiteit: 'Wie zich met gespitste oren op weg begeeft van de Noordzeekust naar de Maaskant, zal vlug genoeg ervaren hoe sterk de dialecten van elkaar ver-schillen, soms zelfs in die mate, dat ze op een afstand van pakweg dertig kilometer onderling niet meer verstaanbaar zijn', aldus Devos (2006, p. 35). In het huidige staatkundige Vlaanderen kunnen vier dialectfamilies onder-scheiden worden, van elkaar gescheiden door overgangszones, namelijk het West-Vlaams, het Oost-Vlaams, het Brabants en het Limburgs (zie Figuur 1).

Wanneer we echter kijken naar de taalpraktijk, lijkt de genoemde dialect-verscheidenheid ten dode opgeschreven: 'De prachtige regenboog van dia-lectvariatie [... ] [is] in Vlaanderen al enkele decennia aan het verbleken' (Taeldeman, 2000, p. 15). Dat complexe proces van dialectverlies is geleide-lijk aan begonnen, maar heeft zich in de tweede helft van de twintigste eeuw in steeds sneller tempo doorgezet (Ghyselen & Van Keymeulen, 2014; Van Keymeulen, 1993; Willemyns, 1979, 2007). Onderzoek toont aan dat er zowel sprake is van functieverlies, het gebruik van de dialecten als commu-

100 VOL.67,NO. 1,2015

nicatiemiddel gaat sterk achteruit, als van structuurverlies of dialectnivelle-ring, de oude dialecten verliezen een groot deel van hun typische kenmerken (De Caluwe & Van Renterghem, 2011; Taeldeman, 1991, 2005; Vande-kerckhove, 2009).

Tussen de standaardtaal en de dialecten in vinden we een hele reeks intermediaire vormen van taalgebruik die noch Algemeen Nederlands, noch dialectisch zijn en die we hier in navolging van Taeldeman (1992) 'tussentaal' noemen. In het dagelijkse leven worden we voortdurend met tussentaal geconfronteerd en de variëteit kent de laatste jaren ook een sterke opmars (Plevoets, 2008; Vandekerckhove, 2004). Tussentaal breidt zich zowel uit naar domeinen die vroeger gereserveerd waren voor de dialecten als domeinen waarin volgens de traditionele taalpropaganda een standaardtaal moet worden gesproken:

[T]he standard language is pushed to the extreme formality side of the continuum, whereas, simultaneously, the use of dialects is constantly diminishing. Together, these two developments are responsible for the creation of an enormous amount of space on the continuum scale. That is, the intermediate variety now occupies a huge field, and has the possibility to move either to the left or to the right according to the circumstances, thus alternatively taking the shape of a more dialectal or a more standard-like intermediate variety (Willemyns, 2007, p. 270).

Tussentaal is dus niet alleen dominant aanwezig in het dagelijkse (privé) leven, maar ook in de publieke ruimte, denk maar aan het gebruik van tussentaal door politici (Auman, 2009; Van Laere, 2003), in reclamespotjes (Van Gijsel, Speelman, & Geeraerts, 2008), op de televisie (Van Hoof, 2013) en bij leerkrachten in het onderwijs (Delarue, 2012).

Er heerst echter grote onzekerheid over hoe het komt dat tussentaal vandaag zo dominant is in Vlaanderen. Er werd al vaak gespeculeerd over de oorzaken van de opmars van tussentaal. Die opmars werd aan tal van factoren toegeschreven: sommige factoren zijn speculatiever van aard, ter-wijl andere op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd zijn. We kunnen een onderscheid maken tussen (1) verklaringen voor de opmars van tussentaal in de richting van traditioneel dialect en (2) verklaringen voor de opmars van tussentaal in situaties die traditioneel voorbehouden waren voor de standaardtaal.

De uitbreiding van tussentaal in de richting van dialect wordt vaak toegeschreven aan een toename van mobiliteit en bovenregionale contacten (zie De Caluwe, 2006; Devos & Vandekerckhove, 2005). Bij de gewone

LYBAERT 101

mens zou een nood gegroeid zijn om zich buiten het eigen dialectgebied verstaanbaar te maken, een tendens die ook zichtbaar is in andere West-Europese taalgebieden (cf. Vandekerckhove & Britain, 2009) en die in de hand gewerkt wordt door de moderne communicatiemedia.3 Het dialect zou zijn ideale biotoop kwijtgeraakt zijn: '[D]e oude besloten gemeen-schappen van vroeger, waarin het leven zich in een straal van ongeveer 5 km rond de eigen woonplaats afspeelde, zijn zo goed als verdwenen' (Devos & Vandekerckhove, 2005, p. 142). Dialect verliest bovendien aan prestige en wordt steeds vaker ongeschikt geacht als taal van de opvoeding (Willemyns, 2003, 2007). Uit attitudeonderzoek blijkt dat taalgebruikers dialect niet gepast vinden voor communicatie met kinderen en dat ze hun kinderen dan ook niet in dialect willen opvoeden (Kuppens & De Houwer, 2003; Van Bezooijen, 2004; Vandekerckhove, 2000). Die attitudes worden bevestigd in taalproductieonderzoek van De Houwer (2003).4 De achteruitgang van dialect als opvoedingstaal geldt als een belangrijke ver-klaring voor processen van dialectverlies en -nivellering.

De uitbreiding van tussentaal in de richting van Algemeen Nederlands zou dan weer onder meer het resultaat zijn van het taalbeleid dat gevoerd werd tijdens de ABN-acties en van de manier waarop de exogene standaardtaal tijdens die acties werd gepromoot (Debrabandere, 2005; Jans-sens, 2004; Taeldeman, 1992; Van De Velde, 1996). Taalbeleidsmakers en taalactivisten zouden het volk er iets te expliciet van proberen te overtui-gen hebben dat Algemeen Nederlands veel mooier is dan de dialecten. De moedertaal van miljoenen Vlamingen, dialect, werd dus verketterd en van de baan geschoven ten voordele van een standaardtaal, en daarbij zou volledig voorbij gegaan zijn aan het feit dat het Algemeen Nederlands voor velen een compleet vreemde taal was waarmee ze weinig affiniteit vertoonden. De standaardtaal zou van bovenaf dus op een te strenge en te schoolmeesterachtige manier opgedrongen zijn aan de Vlamingen, zonder oog voor taalvariatie. Het beeld over de verkettering van de dialecten in de negentiende en de twintigste eeuw is echter iets genuanceerder dan algemeen gesproken wordt aangegeven. Volgens Absillis (2012b) werd er bij-voorbeeld in de negentiende eeuw niet echt een grote aversie tegenover de dialecten uitgedrukt en in de twintigste eeuw is er volgens Van Hoof (2013) sprake van een ambigue houding tegenover de dialecten, die soms getuigt van liefde tegenover de volkstaal en soms van aversie tegenover de dialec-ten, omdat ze een hindernis zouden vormen in de verspreiding van de standaardtaal.

De opmars van tussentaal in de richting van de standaardtaal, wordt daarnaast ook toegeschreven aan een groeiende economische expansie en

102 VOL.67,NO. 1,2015

een stijging van de welvaart, in combinatie met de verzelfstandiging van Vlaanderen. Door de federalisering van België heeft Vlaanderen op vele vlakken een zelfbestuur verworven en dat zou het zelfbewustzijn van de Vlamingen versterkt hebben (Cajot, 2010; De Caluwe, 2009; Geeraerts, 1993). Dat zelfbewustzijn zou zich concreet geuit hebben in een zekere zelfgenoegzaamheid en in een afkeer tegenover wat van bovenaf werd opgelegd, een attitude die ook op talig vlak tot uiting kwam:

Taal is een belangrijk uitdrukkingsmiddel van regionale identiteit. Dat Vlamin-gen een eigen Vlaamse taal willen, zoals die in tussentaal gestalte krijgt, een taal waarin ze zich op hun gemak voelen en zichzelf herkennen en waarmee ze zich van Nederland kunnen onderscheiden, is een uiting van regionale identi-ficatiedrang. De verzelfstandiging van Vlaanderen heeft het taalautocentrisme bevorderd. Er is de laatste decennia duidelijk een afnemende bereidheid het noordelijke Nederlands in alles te volgen (Janssens, 2004, p. 174).

Vlamingen gingen zich dus afzetten tegen vreemde invloeden zoals de op Noord-Nederland geïnspireerde standaardtaal en gingen zich richten op een eigen Vlaamse norm.

Volgens anderen heeft de dominantie van tussentaal niet te maken met een groeiend taalbewustzijn, maar met gevoelens van taalonzekerheid bij Vlamingen. Veel Vlamingen zouden zich onwennig voelen tegenover de standaardtaal en zouden het gebruik ervan liever vermijden. (Geeraerts, 2001a; Taeldeman, 1993).

In de zoektocht naar een zondebok voor de opmars van tussentaal en het geringe standaardtaalgebruik werd in het verleden tot slot ook wel eens met beschuldigende vinger gewezen naar de jongste generatie taalleer-krachten, die volgens Debrabandere (2005) niet langer bezield zijn met het ideaal om de standaardtaal te verspreiden en te bevorderen. Ook de sociolinguïsten, die tussentaal te expliciet zouden hebben verdedigd (zie Goossens, 2000) hebben het al moeten ontgelden,5 en hetzelfde geldt voor de commerciële zender VTM waarop het gebruik van tussentaal de spui-gaten zou uitlopen (Barnard, 2008).

3 Het belang van de standaardtaal: standaardiseringsideologie

Zoals hierboven beschreven, worden veranderingen in taalgebruik aan tal van factoren gekoppeld. In dit artikel gaan we in op wat taalideologieën ons

LYBAERT 103

verteilen over taalvariatie en taalverandering. Zoals Delarue (2014, p. 222) aangeeft, is taaiideoiogie een compiex concept dat geassocieerd wordt met verschiiiende betekenissen, en dus nood heeft aan een duideiijke definie-ring. Net ais Deiarue (2014, p. 222) voigen we de definitie van Gai (2006), die taaiideoiogieen omschrijft ais:

those cultural presuppositions and metalinguistic notions that name, frame and evaluate linguistic practices, linking them to the political, moral and aesthetic positions of the speakers, and to the institutions that support those positions and practices (2006, p. 163).

Taalideologieën koppelen taalgebruik dus aan de politieke, morele en es-thetische positie van de sprekers. Zo worden verschillende taalvormen en -variëteiten gehiërarchiseerd. De manier waarop over taal gesproken en geschreven wordt, is dus het product van de cultuur waarvan men deel uitmaakt (Agha, 2003; Bourdieu, 1991).

Taalideologie is binnen een Vlaamse context heel belangrijk. Delarue (2013) beklemtoont bijvoorbeeld dat taal in de strijd voor de rechten van het Nederlands in Vlaanderen een belangrijk nationalistisch motief geworden is, en dat discussies over taalbeleid en taalgebruik in publieke domeinen (zoals de media en het onderwijs) nog steeds voor controverse zorgen. Daarnaast kunnen taalideologieën bij uitstek ook processen van dialect-verlies en -nivellering verklaren. Zoals hierboven aangegeven is dialect immers steeds minder de taal van de opvoeding. Een verklaring hiervoor zouden we kunnen zoeken in de toename van bovenregionale contacten of in een verschriftelijking van de samenleving. Die factoren alleen kunnen echter niet verklaren waarom dialecten wel nog fungeren als communica-tiemiddel tussen (volwassen) mensen uit de eigen streek, maar veel minder als taal van de opvoeding (Vandekerckhove, 2009). Taalideologieën waarbij (meer) standaardtalige communicatievormen als prestigieuzer worden geacht, bieden wel een sluitende verklaring. Taalideologieën hebben dus wel-licht het prestigeverlies van de dialecten in de hand gewerkt.

De Vlaamse samenleving wordt traditioneel opgevat als een samenleving die vorm gekregen heeft onder invloed van een specifieke taalideologie, namelijk de standaardiseringsideologie (SLI). Die ideologie definiëren we in navolging van Swann, Deumert, Lillis & Mesthrie (2004, p. 296) als:

VOL. 67, NO. 1,2015

a metalinguistically articulated and culturally dominant belief that there is only one correct way of speaking (i.e. the standard language). The SLI leads to a general intolerance towards linguistic variation, and non-standard varieties in particular are regarded as 'undesirable' and 'deviant'.

Binnen een standaardiseringsideologie wordt dus verondersteld dat talen bestaan in een gestandaardiseerde vorm; standaardisering wordt genatu-raliseerd en gestandaardiseerd taalgebruik wordt beschouwd als beter en correcter dan niet-gestandaardiseerd taalgebruik (Jaspers, 2001, p. 144). Binnen een standaardiseringsideologie is dus sprake van een grondige hië-rarchisering van taalvariatie.

Het belang van de standaardtaal is geenszins typisch voor de Neder-landse taal en komt in de meeste westerse talen en culturen voor (Milroy, 2001).6 Verschillende stromingen waren van onmiskenbaar belang voor de vorming van de moderne westerse samenleving en lagen mee aan de oor-sprong van het streven naar uniformiteit en standaardisering in die culturen: het humanisme en de renaissance in de zestiende eeuw en de verlich-ting en het romantische nationalisme vanaf de zeventiende eeuw (Bauman & Briggs, 2003). Het verband tussen standaardisering en humanisme en renaissance werd in een Vlaamse context onder meer al geschetst door Janssens & Marynissen (2008), Van der Horst (2008), Van Der Sijs & Willemyns (2009); het verband tussen standaardisering en verlichting en roman-tiek werd al geschetst door Absillis (2012a, 2012b), Geeraerts (2002), Jaspers (2009), Jaspers & Brisard (2006), Jaspers & Van Hoof (2013) en Van Hoof (2013).

Opmerkelijk aan de standaardiseringsideologie in Vlaanderen, is dat die relatief variatievijandig was. Dat heeft alles te maken met de Vlaamse standaardiseringsgeschiedenis:

Anders dan in Nederland ontstond in Vlaanderen een markante correctieprak-tijk die niet alleen gemotiveerd was door de overtuiging dat iedereen om emancipatorische redenen een modern communicatiemiddel (de standaardtaal) diende te verwerven, maar ook door de Herderiaanse gedrevenheid om een zuivere band te smeden tussen de regionale standaardtaal en wat als een authentiek Nederlandstalige traditie in Vlaanderen werd gezien. Daardoor werd buitenproportioneel veel aandacht besteed aan het elimineren van Franse en andere 'onzuivere' invloeden in het taalgebruik van Vlamingen (Jaspers & Brisard, 2006, p. 43)

LYBAERT

In Vlaanderen stond het idee dus voorop dat iedereen Algemeen Nederlands moest kunnen spreken, en daardoor werd Algemeen Nederlands een tijdlang gepropageerd als de enige acceptabele variëteit voor formele en publieke situaties, en door sommigen zelfs als de enige acceptabele variëteit voor alle situaties.

Betekent dat dan dat er binnen die standaardiseringsideologie absoluut geen ruimte was/is voor variatie? Neen, de verlichte en/of nationalistische bekommernis om een standaardtaal op het publieke forum en in formele situaties ging voor velen samen met een romantische waardering voor authentieke dialecten: '[C]ompetenties in het gebruik van dialecten zijn aan te moedigen, omdat zij respectievelijk de op traditie gerichte band met het volkse gemoed en de moderne eis tot burgerlijke emancipatie vorm zouden geven' (Jaspers & Brisard, 2006, p. 44). Die toegelaten variatie is binnen de standaardiseringsideologie echter beperkt tot bepaalde con-texten:

Variatie en dialectgebruik worden geapprecieerd, maar dan vooral in de 'intieme sferen' zoals de familiale context, waar de hybride band tussen taal, lokale traditie en poëtische folklore kan en mag worden gereproduceerd. Bui-ten dit domein van de huis-tuin-en-keuken-authenticiteit, en voor alle zaken die de moderne burgerlijke samenleving aanbelangen, wordt echter enkel de moderne of volgroeide nationale standaardtaal naar voor geschoven (Jaspers & Brisard, 2006, p. 44).

Jaspers & Van Hoof (2013, p. 347) omschrijven standaardisering in dat verband als 'a discursive regime of linguistic hierarchisation', een bestel waar-in dialect een ondergeschikte plaats inneemt ten opzichte van de prestige-variëteit, maar waarin de meeste taaltuiniers doorgaans toch nog een ap-preciatie voor de authenticiteit en erfgoedwaarde van dialect kunnen op-brengen (zie ook Absillis, 2012b; Van Hoof, 2013).

Bij de beschreven standaardiseringsideologie moeten echter twee be-langrijke kanttekeningen worden gemaakt:

1. De liefde voor 'authentiek' dialect was er niet bij iedereen. Van Hoof (2013, p. 69) beschrijft in haar proefschrift dat '[o]ndanks de talloze affirmaties van het bestaansrecht van het dialect die in de taalverzor-gingsliteratuur terug te vinden zijn, [...] de [...] redenering bij som-mige auteurs echter wat diffuser [wordt] van zodra het thema van "de taalsituatie in het intieme domein" aangesneden wordt. Bij heel wat taalijveraars breidt het territorium van het ABN dan plots wel uit naar de privésfeer, en wordt de scheidslijn tussen private en publieke aange-

legenheden opeens wat minder absoluut'. Niet iedereen kon apprecia-tie opbrengen voor taalgebruik dat afwijkt van de standaardtaal, vanuit het idee dat taalgebruikers een variëteit pas leren als ze die ook zo veel mogelijk gebruiken - dus ook in informele en private domeinen. 2. Er mag dan wel sprake geweest zijn van een liefde voor 'authentieke' dialecten, voor tussentaal was die liefde er niet. Rond het einde van de vorige eeuw ontstond nogal wat commotie over de dominantie van tussentaal (cf. Jaspers, 2001). De discussie is gestart met Van Istendael (1989), die tussentaal omschreef als 'een wangedrocht' en als 'een waar-deloos taalgebruik'. Ook anderen waren niet bepaald lovend over tus-sentaal: het zou gaan om 'een vorm van taalnormverlaging en -verval-sing', een 'onvolkomen taaltje' of een taal die van een 'gebrek aan cul-tuur' getuigt; tussentaal werd wel eens denigrerend 'hamburgertaal', 'sloddertaal' of 'Koetervlaams' genoemd en werd ook beschouwd als een bedreiging voor de standaardtaal en het normbesef in Vlaanderen en voor de eenheid van het Nederlandse taalgebied (zie onder meer Geeraerts, 1993, 1999a; Geeraerts, Penne, & Vanswegenoven, 2000; Geerts, 1989; Goossens, 2000; Taeldeman, 1992; Taeldeman, 1993). Tus-sentaal werd hooguit getolereerd als een 'overgangsvorm', een fase in een taalleerproces met Algemeen Nederlands als einddoel (zie bijvoor-beeld Geeraerts, 1999b).

Uitingen van die negatieve houding tegenover tussentaal zien we in Vlaanderen ook in taalbeleidsteksten, zoals de taalbeleidsnota's van Van-denbroucke (2007) en de conceptnota van Smet (2011). Daarin wordt Algemeen Nederlands opgeworpen als de enige acceptabele variëteit voor op school, zowel binnen als buiten de klas. Iedereen moet Algemeen Nederlands leren, om gelijke kansen te geven aan alle Vlamingen; niet-standaard-taal wordt afgekeurd en als minderwaardig beschouwd (zie hierover Dela-rue, 2013). In de taalbeleidsnota van Smet (2011) wordt zelfs met geen woord gerept over tussentaal, een schoolvoorbeeld van wat Irvine & Gal (2000) 'erasure' hebben genoemd. Feiten die niet passen binnen een ideologisch kader blijven onopgemerkt of worden weggeredeneerd (cf. Jaspers, 2001): 'The line of reasoning seems to be that, if only Standard Dutch is propagated extensively, tussentaal will disappear all by itself (Delarue, 2013, p. 202). Een andere uiting van die tussentaalvijandigheid en van een pro-standaardtaalhouding vinden we in het vorige VRT-taalcharter (Hen-drickx, 1998). Daarin wordt neerbuigend over tussentaal geschreven en wordt tussentaal als een tijdelijk fenomeen beschouwd; tussentaal zal ver-dwijnen en ruimte maken voor een informele vorm van Algemeen Neder-lands.

LYBAERT

Tegenover 'authentiek' dialect geldt binnen de standaardiseringsideologie dus een ambigue houding: het dialect wordt in informele en privécontex-ten nog bestaansrecht gegund, al viel dat bestaansrecht vaak moeilijk te verzoenen met de bevordering van het Algemeen Nederlands. Tussentaal wordt binnen de standaardiseringsideologie daarentegen geen bestaans-recht gegund, behalve dan eventueel als een tijdelijk stadium in een taal-leerproces met de standaardtaal als doel.

Het hierboven beschreven belang van de standaardtaal wordt niet alleen gereproduceerd door taalkundigen, maar ook door gewone taalgebrui-kers. Het belang van de standaardtaal voor gewone, niet taalkundig ge-schoolde, taalgebruikers werd al in verschillende studies aangetoond. Uit onderzoek naar de attitudes van Vlamingen over dialect, Algemeen Neder-lands en tussentaal blijkt dat het Algemeen Nederlands een variëteit is die hoog scoort op het vlak van status- en prestigegerelateerde dimensies, met 'macht', 'superioriteit' en 'invloed' als sleutelbegrippen (bijvoorbeeld Deprez, 1981; Ghyselen, 2010; Grondelaers & Van Hout, 2010; Impe & Speel-man, 2007; Van Bezooijen, 2004; Vandekerckhove, 2000). Algemeen Nederlands komt uit attitudeonderzoeken ook vaak naar voren als een teken van geleerdheid, intelligentie en geschooldheid of als taalgebruik dat geschikt wordt geacht voor op school (Geerts, Nootens, & Van den Broeck, 1980; Ghyselen, 2010; Impe & Speelman, 2007).

In deze uiteenzetting staat de vraag echter centraal hoe alomtegen-woordig Algemeen Nederlands volgens gewone taalgebruikers zou moeten zijn. Dat Algemeen Nederlands beschouwd wordt als het meest statusrijke en prestigevolle taalgebruik, hoeft immers niet te betekenen dat die taal-gebruikers ook willen dat die variëteit in alle situaties gesproken wordt. We willen dus achterhalen hoe de modale Vlaming oordeelt over de geschikt-heid van verschillende vormen van taalgebruik voor verschillende situaties:

• voor welke situaties zijn dialect, Algemeen Nederlands en tussentaal geschikt volgens de informanten?

• blijkt uit de reacties van de informanten dat ze een standaardiserings-ideologie reproduceren of zijn er opvattingen die net niet te rijmen vallen met die ideologie?

Om die vragen te beantwoorden, werd een perceptie-experiment uitge-voerd. In §4 bespreken we de opzet van dat experiment.

VOL. 67, NO. 1,2015

4 Onderzoeksopzet

De opzet van deze studie is hoofdzakelijk kwalitatief van aard, en bestaat uit een interview waarbij we door middel van een free-responsetechniek een inzicht willen krijgen in de kennis en de attitudes van taalgebruikers met betrekking tot de Vlaamse taalsituatie. Concreet werden 8o informanten met een verschillend sociaal profiel onderworpen aan een interview van ongeveer 45 minuten waarin zeven geluidsfragmenten ter beoordeling werden voorgelegd. De informanten kregen de geluidsfragmenten telkens twee keer te horen, en kregen tijdens de tweede beluistering de kans om notities te nemen.

Als stimulusmateriaal werd gekozen voor natuurlijke fragmenten uit het Corpus Gesproken Nederlands (CGN), gesproken in tussentaal of in Algemeen Nederlands. Tijdens de voorbije decennia werden verschillende indirecte attitudeonderzoeken gevoerd waarbij gebruik gemaakt werd van fragmenten die speciaal voor het onderzoek werden geconstrueerd, en dus niet van spontaan en reëel taalgebruik (Ghyselen, 2010; Impe & Speelman, 2007). Onderzoekers deden dat om controle te hebben over zo veel moge-lijk variabelen in de onderzoekssituatie (bijvoorbeeld het gespreksonder-werp, de stemkwaliteit en de persoonlijkheid van de spreker), zodat ver-schillen in perceptie en evaluatie ondubbelzinnig toegeschreven konden worden aan het taalgebruik van de spreker(s) (cf. Agheyisi & Fishman, 1970, p. 146). Het nadeel van geconstrueerde fragmenten is echter dat ze meestal hoorbaar afwijken van reëel taalgebruik, waardoor de attitudes van de informanten meer gericht zijn op een onbestaande vorm van taalgebruik dan op feitelijke realisaties van natuurlijke taal (Deprez, 1981). In dit onderzoek wilden we zicht krijgen op de percepties en attitudes van Vlamingen tegenover de reële taalsituatie en tegenover reëel taalgebruik. Om het realiteitsgehalte van het experiment zo hoog mogelijk te houden, hebben we er dus voor gekozen om met natuurlijk taalgebruik te werken.7

Voor dit onderzoek interviewden we informanten uit vier gebieden: het Oost-Vlaamse, West-Vlaamse, Brabantse en Limburgse dialectgebied (cf. infra). Om alle informanten bij het onderzoek te betrekken, selecteerden we tussentaalfragmenten uit alle vier die gebieden. Daarnaast selecteerden we ook standaardtaligere fragmenten, omdat de focus in dit onderzoek ligt op het spanningsveld tussen standaardtaal en tussentaal, en '[a]ls een ver-klaring van substandaard-taalgebruik een analyse inhoudt van de situaties waarin dergelijk taalgebruik voorkomt, dan brengt dat onvermijdelijk ook een analyse mee van de standaardtalige context, de moderne premissen waarop die gestoeld is, en van de sociale structuren en machtsverhoudin-

LYBAERT 1o9

gen die zo'n standaardisering de facto begeleiden', aldus Jaspers & Brisard (2006, p. 65). Aan de lijst met vier tussentaalfragmenten voegden we dus een standaardtalig fragment toe en een tussentaalfragment dat relatief dicht aanleunt bij de standaardtaal. Één fragment, tot slot, is afkomstig uit de televisieserie Thuis, omdat we ook geacteerde tussentaal wilden betrekken bij het onderzoek. Tussentaal wordt door taalkundigen namelijk vaak gekarakteriseerd als het taalgebruik uit soaps (Geeraerts, 2001b; Ge-eraerts et al., 2000) en de gemiddelde Vlaming krijgt dat soort geacteerde tussentaal vaak te horen via de televisie.

Zo komen we tot een totaal van zeven fragmenten die aan de informanten ter beluistering werden voorgelegd: vier tussentalige fragmenten uit de verschillende dialectgebieden, een standaardtalig fragment, een subtiel tussentalig fragment en een fragment uit een soap. Tabel 1 geeft een over-zicht van de fragmenten. F staat daarbij voor fragment; de volgende twee letters staan voor de regionale herkomst van de spreker: ov = Oost-Vlaan-deren, wv = West-Vlaanderen, br = Brabant, Ii = Limburg; de laatste twee letters staan voor het soort taalgebruik dat gesproken wordt: tt = tussen-taaI, st = standaardtaaI, sp = soaptaaI, i.e. geacteerde tussentaaI uit een soap.

Tabel 1 Overzicht van de fragmenten

Fragment Titel Taalgebruik

Fbrtt1 Istanbul Brabantse tussentaal

Fwvtt Zingen West-Vlaamse tussentaal

Fbrtt2 Hondententoonstelling subtiele Brabantse tussentaal8

Flitt Fuif Limburgse tussentaal

Fovtt Joker Oost-Vlaamse tussentaal

Fovst Lezen standaardtaal

Fbrsp Nieuwjaarscadeau geacteerde tussentaal uit de soap Thuis

Een fragment werd als tussentaal gecategoriseerd wanneer het op het vlak van uitspraak vooral afWeek van de standaardtaal door dialectkenmerken die zieh in vrij grote gebieden manifesteren (bijvoorbeeld de Brabantse scherpe uitspraak van de korte i en u), en wanneer het weinig strikt lokale dialectismen bevatte (Rys & Taeldeman 2007). Daarnaast komen in de fragmenten ook nog een aantal typische morfologische en syntactische niet-standaardtaligheden voor (bijvoorbeeld gebruik van ge ofgij, adnomi-nale flexievormen op -n, diminutiefvormen op -ke). De woordenschat in de tussentaalfragmenten is doorgaans informeel, maar echte dialectwoorden worden niet gebruikt.

110 VOL.67,NO. 1,2015

De fragmenten werden voorgelegd aan 8o informanten. Die informanten variëren in leeftijd, regio en sekse: een groep informanten geboren tussen 1988 en 1991 (op moment van interview tussen 19 en 23 jaar) en een groep die geboren is tussen 1961 en 1970 (op moment van interview tussen 41 en 50 jaar), alle informanten zijn geboren en opgegroeid in een van de vier dialectgebieden in Vlaanderen (het Oost-Vlaamse, West-Vlaamse, Bra-bantse en Limburgse dialectgebied); sekseverdeling 50/50. De factor oplei-dingsniveau werd constant gehouden: de hoogopgeleide, niet taalkundig geschoolde Vlaming staat centraal.9

Aan de informanten werd tijdens het interview onder meer gevraagd welk taalgebruik volgens hen in de fragmenten wordt gesproken en uit welke regio de spreker afkomstig is. De vragen werden zo algemeen moge-lijk gesteld, om de informanten niet te sturen in hun antwoorden. Termen als 'tussentaal' of 'spreektaal' werden niet vermeld door de interviewer als de informant die niet eerst zelf vermeldde.

Andere vragen die werden gesteld, zijn: voor welke situaties is het taalgebruik geschikt, en welke connotaties roept het op? Verder werden nog een aantal vragen gesteld over de Vlaamse taalsituatie in het algemeen. De informanten moesten dus expliciete vragen beantwoorden over hun per-cepties en attitudes tegenover het taalgebruik in de fragmenten en de Vlaamse taalsituatie in het algemeen. Door middel van het metacommen-taar van de informanten willen we een inzicht krijgen in de taalgerela-teerde mentale representaties van de informanten (Agha, 2007, p. 150).

Om een antwoord te formuleren op de onderzoeksvragen en om de percepties en attitudes van de informanten uit de interviews te extrapoleren en te kaderen binnen ideologische denkkaders, werden de interviews op een kwalitatieve wijze geanalyseerd (Giles, Coupland, & Coupland, 1991; Liebscher & Dailey-O'Cain, 2009; Preston, 1994; Woolard, 1998). We analyseerden het expliciete metatalige discours van de informanten (i.e. wat de informanten expliciet zeggen over taal) en het impliciete metapragmatische bewustzijn van de informanten (i.e. wat de informanten tussen de regels zeggen over taal) (Woolard, 1998, p. 9). De direct en indirect uitge-drukte taalattitudes en -percepties van de informanten over taalvariatie in Vlaanderen staan dus centraal: wat hebben de informanten expliciet te zeggen over taalvariatie in Vlaanderen en over de situationele, geografische en generationele bruikbaarheid van bepaalde taalvariëteiten, en welke ver-onderstellingen liggen aan de basis van bepaalde uitspraken?

Zoals vermeld worden de interviews kwalitatief geanalyseerd. Soms worden echter ook kwantitatieve methodes gebruikt. We gingen overal na of er leeftijds-, regio- of genderverschillen zijn in de antwoorden van de

LYBAERT 111

informanten. Daarvoor hebben we bivariate significantietests uitgevoerd. Voor de vergelijking van de twee sekses en de twee leeftijdsgroepen ge-bruikten we een chi-kwadraattoets. Wanneer de verwachte frequentie in een van de cellen kleiner was dan één of in meer dan twintig procent van de cellen kleiner was dan vijf, hebben we de Fisher's Exact test gebruikt (Rosner, 2006). Voor de statistische vergelijking van de vier verschillende regio's werd een Kruskal-Wallistoets uitgevoerd, zodat we nadien door middel van post-hoctests konden nagaan welke regionale verschillen significant zijn. Wanneer er significante verschillen of tendensen zijn in de antwoordpatronen van verschillende groepen, hebben we dat telkens ook vermeld.

5 Resultaten: de perceptie en conceptualisering van de Vlaamse taalsituatie

Uit het onderzoek kwam naar voren dat de informanten dialect en Alge-meen Nederlands onderscheiden, en dat ze daarnaast nog taalgebruik percipieren dat geen Algemeen Nederlands is en geen dialect, maar er tussenin ligt. Dat intermediaire taalgebruik wordt op heel diverse manieren benoemd of omschreven (onder meer 'tussentaal', 'spreektaal', 'om-gangstaal', een 'mengvorm/tussenvorm van dialect en Algemeen Nederlands' of 'Algemeen Nederlands met een accent'). Het onderscheid tussen dialect, Algemeen Nederlands en tussentaal en de benamingen voor tussentaal bespreken we niet in deze uiteenzetting, we verwijzen daarvoor naar Lybaert (2012, 2014a).

In deze bijdrage gaan we enkel in op wat de informanten zelf spontaan over dialect, Algemeen Nederlands en tussentaal zeggen. Voor de analyse van die opvattingen werd bottom-up te werk gegaan. De informanten blij-ken in hun uitspraken over taal (als van)zelf volgens de volgende dimen-sies te evalueren:

1. de geografische dimensie: is het taalgebruik regionaal en/of suprare-gionaal bruikbaar?

2. de verstaanbaarheidsdimensie: hoe is het gesteld met de verstaanbaar-heid van het taalgebruik?

3. de leeftijdsdimensie: wordt het taalgebruik vooral gesproken doorjon-geren, door ouderen of is er op dat vlak geen verschil?

4. de situationele dimensie: in welke situaties is het taalgebruik geschikt en in welke situaties is het minder of niet bruikbaar?

VOL.67,NO. 1,2015

5. de inspanningsdimensie: moeten taalgebruikers moeite doen om het taalgebruik te spreken of is het hun dagelijkse omgangstaal?

6. de correctheidsdimensie: in welke mate wijkt het taalgebruik af van of stemt het overeen met de 'correcte' norm?

7. de zuiverheidsdimensie: in welke mate is het taalgebruik 'aangetast' door invloeden die vreemd zijn aan de variëteit?

8. de normaliteitsdimensie: in welke mate is het taalgebruik voor de informanten 'default'?

9. de directheidsdimensie: in welke mate drukt het taalgebruik voor de informanten een directe band uit met het dagelijkse leven en met eigen emoties?

10. de esthetische dimensie: wat vinden de informanten op esthetisch vlak van het taalgebruik?

Omdat we niet de ruimte hebben om alle dimensies te bespreken, komen in wat volgt enkel de situationele dimensie en de inspanningsdi-mensie aan bod. Dat zijn namelijk de dimensies waarmee we de onder-zoeksvragen het best kunnen beantwoorden: de dimensies zijn het interes-santst voor de discussie over de standaardiseringsideologie. Voor een be-spreking van de overige dimensies verwijzen we naar Lybaert (2014a).

Een belangrijke opmerking vooraf: voor dit onderzoek hebben we ge-keken naar wat de informanten uit zichzelf over het taalgebruik in de fragmenten, en over tussentaal, dialect en Algemeen Nederlands vertelden. Er werden daarvoor wel enkele begeleidende vragen gesteld, maar de informanten werden nooit gedwongen om te kiezen tussen verschillende opties (zoals bij een Likertschaal bijvoorbeeld wel het geval is). Dat bete-kent dus dat de dimensies nooit bij alle informanten aan bod kwamen.

5.1 Dialect

Tijdens de interviews - en vooral bij de bespreking van het taalgebruik in de fragmenten Fbrtti, Fwvtt en Flitt - spreekt een deel van de informanten zich uit over de situationele bruikbaarheid van dialect: 17 informanten (21.25%) geven aan dat dialect vooral geschikt is voor informele situaties en niet voor formele situaties10 en volgens 22 informanten (27.25%) is dialect vooral gepast voor de privésfeer, met mensen die ze goed kennen, zoals familie en vrienden, en niet voor de publieke sfeer. De rest van de informanten heeft het niet over de situationele bruikbaarheid van dialect11.

Een deel van de informanten vindt dialect dus geschikt voor gesprekken met een persoonlijk gehalte; er wordt een soort vertrouwensrelatie veron-dersteld tussen de gesprekspartners. De opvatting dat dialect vooral ge-schikt is voor informele en privésituaties, sluit aan bij bevindingen uit

LYBAERT 113

voorgaand perceptie- en attitudeonderzoek naar taaIvariatie in VIaanderen (zie bijvoorbeeId Deprez, 1981; TaeIdeman, 1991; Van Bezooijen, 2004).

Bij de fragmenten die de informanten aIs diaIect benoemen - en dat geIdt vooraI voor Fwvtt en Fbrtti - zien we ook enkeIe karakteriseringen van diaIect aIs 'spontaan' (n=5; 6.25%), 'natuurIijk' (n=2; 2.5%), 'ontspan-nen' (n=i; 1.25%) taaIgebruik, of aIs taaIgebruik 'waarvoor de spreker geen moeite hoeft te doen' (n=2; 2.5%). Uit dat soort uitspraken Ieiden we af dat enkeIe informanten diaIect beschouwen aIs taaIgebruik dat mensen pro-duceren wanneer hun taIige monitoring zo Iaag mogeIijk is; het gaat dus om taaIgebruik waarmee VIamingen vertrouwd zijn. Dat is ook de positie die diaIect inneemt (of ingenomen heeft) in het Ieven van veeI VIamingen. DiaIect is of was voor veIen de taaI van de opvoeding of de omgangstaaI, taaIgebruik dat mensen gewoon zijn te spreken of rondom zich horen.

5.2 Algemeen Nederlands

77 informanten (96.25%) evaIueren de situationeIe bruikbaarheid van Algemeen NederIands; з informanten (з.75%) hebben het daar niet over. AIgemeen gesproken beschouwen de informanten AIgemeen NederIands aIs taaIgebruik dat in principe aItijd bruikbaar is, maar toch het meest geschikt is voor formeIe en pubIieke situaties, aIs schrijftaaI en voor ge-sproken en geschreven media.

VoIgens з5 informanten (4з.25%) is AIgemeen NederIands aIgemeen bruikbaar. Je kan het voIgens hen in aIIe situaties en tegen aIIe personen spreken. Die gedachtegang sIuit aan bij het onder taaIkundigen en taaIbe-Ieidsmakers internationaaI verspreide idee dat de standaardtaaI een varië-teit moet zijn die iedereen begrijpt en die niet beperkt mag zijn tot be-paaIde groepen van een taaIgemeenschap. StandaardtaIen zouden geogra-fisch, functioneeI en sociaaI aIgemeen moeten zijn, wat we in principe aI uit de term 'AIgemeen' NederIands kunnen afIeiden (Davies, 2008, 2012; Geeraerts, 2002, 200з; HeidbucheI, 1964; Van Hoof, 201з).

Toch wordt AIgemeen NederIands geschikter geacht voor de ene situ-atie dan voor de andere. 51 informanten (6з.75%) vinden AIgemeen NederIands bijvoorbeeId vooraI geschikt voor pIechtige situaties (n=2; 2.5%) of voor formeIe, officiëIe en pubIieke situaties (п=4з; 5з.75%), en niet voor informeIe en privésituaties (n=7; 8.75%). AIgemeen NederIands spreek je minder sneI tegen vrienden of famiIie.12 AIgemeen NederIands wordt dan ook weI eens gekarakteriseerd aIs 'pIechtig' (n=2; 2.5%) of 'officieeI' (n=ii; 1з.75%). De overtuiging dat de standaardtaaI geschikt is voor formeIe situaties is internationaaI verspreid, zie bijvoorbeeId Soukup & MoosmüIIer (2011) voor de standaardtaaI in Oostenrijk, Agha (200з) voor het RP in

Groot-Brittannië en Van Bezooijen (2004) voor het Algemeen Nederlands in Nederland.

Een voorbeeld van een formele situatie die vaak wordt genoemd, is de professionele context (n=18; 22.5%): 14 informanten (17.5%) geven aan dat Algemeen Nederlands geschikt is om in professionele situaties te spreken en 9 informanten (11.25%) karakteriseren Algemeen Nederlands als 'zake-lijk' of 'professioneel'. Een en ander is natuurlijk afhankelijk van het soort job dat iemand uitoefent. Nog een formele situatie die 6 informanten (7.5%) vermelden, is een gesprek met 'onbekenden'.

Ook het onderwijs komt wel eens aan bod als context waarin Algemeen Nederlands wordt gesproken: 12, bijna uitsluitend vrouwelijke13 en vooral oudere, informanten (15%) karakteriseren Algemeen Nederlands als het taalgebruik van leerkrachten (al dan niet leerkrachten Nederlands) (n=4; 5%), van de lerares toneel (n=1; 1.25%), het taalgebruik uit de les dictie (n=6; 7.5%) of het taalgebruik aan de universiteit (n=1; 1.25%). Dat op school door leerkrachten Algemeen Nederlands wordt gesproken, wordt vaak beschouwd als een vanzelfsprekendheid, maar sluit niet altijd aan bij de realiteit (De Caluwe, 2012; Delarue, 2011, 2012; Segers & Vallen, 1980).

8 informanten (10%) associëren Algemeen Nederlands ook met geschre-ven taalgebruik: ze hebben het over '(voor)leestaal' (n=2; 2.5%), 'taalgebruik zoals het geschreven wordt' (n=2; 2.5%), 'taalgebruik zoals in Het Groot Nederlands Dictee' (n=1; 1.25%), 'uitspraak die volgt op geschreven taalgebruik' (n=2; 2.5%) of 'taalgebruik zoals in een woordenboek of Het Groene Boekje' (n=1; 1.25%). De link met geschreven taalgebruik hoeft in feite niet te verbazen: in Vlaanderen is de geschreven standaardtaal veel wijder verspreid dan de gesproken standaardtaal. Weinig mensen spreken Algemeen Nederlands, terwijl de variëteit wel vaak geschreven wordt (Kloots & Gillis, 2012; Kristiansen & Coupland, 2011; Willemyns & Daniëls, 2003).

Een gebruikssituatie waarmee 39 informanten (48.75%) Algemeen Nederlands tot slot nog associëren, zijn de media. Algemeen Nederlands is typisch voor de media (n=2; 2.5%), voor radio en/of televisie (n=10; 12.5%), voor informatieve programma's (n=1; 1.25%), voor het journaal (n=4; 5%), voor duidingsprogramma's (n=2; 2.5%), voor een talkshow (n=2; 2.5%) zoals De Laatste Show (n=1; 1.25%), voor een documentaire (n=2; 2.5%) of een interview (n=11; 13.75%). Algemeen Nederlands wordt volgens de informanten ook vaak gebruikt door tv-presentatoren (n=1; 1.25%), door acteurs en actrices (n=2; 2.5%) of door nieuwslezers (n=2; 2.5%), zoals Martine Tanghe (n=2; 2.5%). De informanten noemen Algemeen Nederlands ook wel eens omroep-Vlaams (n=1; 1.25%), BRT/VRT-Nederlands (n=3; 3.75%)

LYBAERT 115

of tv-Nederlands (n=i; 1.25%). Over de geschiktheid van Algemeen Nederlands voor soapseries zijn de meningen verdeeld: Algemeen Nederlands is volgens 5 informanten (6.25%) niet echt geschikt voor soaps, terwijl 3 anderen (3.75%) vinden dat er op tv gewoon altijd Algemeen Nederlands te horen zou moeten zijn en dus ook in soapseries.

Het is logisch dat de informanten het vaak hebben over taalgebruik in de media, want een van de stimulusfragmenten was afkomstig uit de tele-visieserie Thuis en naar aanleiding van dat fragment werd door de interviewer zelf gepolst naar hoe de informanten staan tegenover taalgebruik op tv. Ook voor dat fragment tijdens het interview aan bod kwam en voor expliciet naar de opvattingen van de informanten over taalgebruik op tele-visie werd gevraagd, komen de media echter al ter sprake. Dat hoeft in feite niet te verbazen: de media spelen immers (naast het onderwijs) een be-langrijke rol in de verspreiding van de standaardtaal in Vlaanderen (Jaspers & Van Hoof, 2013; Van Hoof, 2013; Van Hoof & Jaspers, 2012).14 De stan-daardtaalnorm wordt zelfs tot vandaag in Vlaanderen uitgedragen door de VRT (cf. Hendrickx, 1998, zie ook termen als 'VRT-Nederlands' of Journaal-nederlands').

Algemeen Nederlands mag dan wel een variëteit zijn die in principe algemeen bruikbaar is, toch betekent dat niet dat de variëteit volgens de informanten ook vaak gesproken wordt. Volgens 13 informanten (16.25%) wordt er niet veel Algemeen Nederlands gesproken; weinig mensen slagen daarin. Algemeen Nederlands is voor de informanten een onbereikbaar ideaal, taalgebruik dat weinigen beheersen. Het is volgens 10 informanten (12.5%) dan ook taalgebruik dat doorgaans gepaard gaat met enige inspan-ning; voor velen is Algemeen Nederlands immers een tweede taal. Dat verklaart ook karakteriseringen van de variëteit als 'niet spontaan' taalgebruik (n=4; 5%), 'geforceerd' taalgebruik (n=8; 10%), 'onnatuurlijk' taalgebruik (n=3; 3.75%) en taalgebruik dat 'niet vlot' klinkt (n=4; 5%).15 Informant WVMO4 geeft ook aan dat hij zich niet op zijn gemak zou voelen als zijn gesprekspartner Algemeen Nederlands zou spreken.16

5.3 Tussentaal

76 informanten (95%) beoordelen de situationele bruikbaarheid van tussentaal; 4 informanten (5%) hebben het daar niet over. De informanten hebben het, net als bij Algemeen Nederlands, vaak over de mate waarin tussentaal geschikt is voor formele, dan wel informele situaties. De opvattingen hierover zijn heel uiteenlopend: (1) volgens 21 informanten (26.25%) kan het taalgebruik in Fbrtti, Fwvtt, Fbrtt2, Flitt en/of Fbrsp in alle situaties gebruikt worden. Sommige informanten zijn wat specifieker en geven aan

116 VOL.67,NO. 1,2015

dat het taalgebruik in de fragmenten zowel formeel als informeel bruikbaar is (n=13; 16.25%) of zowel tegen kennissen als vreemden (n=2; 2.5%); (2) 38 informanten (47.5%) vinden het taalgebruik in één of meerdere fragmenten geschikt voor informele situaties en 23 informanten (28.75%) vinden het niet geschikt voor formele situaties; (3) 14, bijna uitsluitend manne-lijke,17 informanten (17.5%) daarentegen vinden het taalgebruik in één of meerdere fragmenten alleen voor formele situaties geschikt en 13 informanten (16.25%) vinden het niet geschikt voor informele situaties; (4) volgens 6 informanten (7.5%) tot slot neemt de geschiktheid van tussen-taal een tussenpositie in tussen Algemeen Nederlands en dialect. Die op-vatting zien we bijvoorbeeld bij informant OVVO1, die zich uitsprak over het taalgebruik in het West-Vlaamse fragment Fwvtt.

<Bij Fwrvtt> OVVO1: goh der tussen da's nog geen plat West-Vlaams hé

INT: nee

OVVO1: 't is verstaanbaar terug maar ja die klanken dat is zeer duidelijk euh West-Vlaams

INT: ja en leunt het dan dicht aan bij standaardtaal oftoch is het echt duidelijk? OVVO1: ik denk voor iemand van Antwerpen Limburg dat het Oost- en het West-Vlaams dat dat zo dezelfde kenmerken een beetjen heeft hé dicht nee echt dicht bij het strikte AN is dat ook niet

INT: nee dus 't is er echt wel tussen dan? OVVO1: ja ja

INT: ja en waaraan herken je dat dan als niet-standaardtalig? vooral die klanken dan of zijn er nog dingen?

OVVO1: die klanken en dan vooral de 'g' en de 'h' dus dat allemaal h's zijn euh [IMI - gigantisch]18 en dan dus euh da en de Antwerpenaren dan niet hé juist 't omgekeerde [IMI - huis] zeggen zij terwijl in Antwerpen [IMI - huis] azo INT: ja

OVVO1: dus dat heb ik wel een paar keer duidelijk gehoord euhm ja ja 't is zo in 't begin dat ge zegt ja da's West-Vlaams maar waarop baseert ge u dan eigenlijk? INT: xxx

OVVO1: de scherpe 'è' ook [IMI - belfort] zo ja

INT: maar straks mag je 't dus nog eens opnieuw beluisteren en mag je noteren OVVO1: ja ja

INT: euhm in welk soort situaties is dat soort taalgebruik gepast? OVVO1: goh ik vind ook zo gepast gewoon de dagelijkse INT: ja ja dus in

LYBAERT 117

OVVO1: zo geen interview of geen geen zo niets officieel maar wel zo ook niet in de platte of ofzo

INT: ja dus dus niet in de meest fórmele en niet in de meest infórmele situaties? OVVO1: ja der tussen INT: ergens ertussen? OVVO1: ja ja ja

INT: ja oké en wat vind je van dat soort taalgebruik? OVVO1: 'k vind dat aangenaam INT: ja

OVVO1: ja da's een beetje 't zelfde als daarjuist hé maar nu in 't West-Vlaams zo wat spontaan en gemoedelijk niet geforceerd en toch verstaanbaar19

OVVO1 vindt tussentaal niet geschikt voor de meest fórmele situaties, maar ook niet voor de meest informele situaties.

De heterogeniteit in de antwoorden van de informanten heeft deels te maken met de heterogeniteit van tussentaal zelf, waardoor bepaalde vor-men van tussentaal volgens de informanten geschikter zijn voor formele situaties en andere meer voor informele situaties. 29 informanten (36.25%) hebben bijvoorbeeld verschillende meningen over de bruikbaarheid van tussentaal bij de verschillende stimulusfragmenten (zie Lybaert, 2014a, p. 128). De heterogeniteit van de antwoorden heeft echter ook te maken met verschillende opvattingen bij de informanten onderling. Een fragment wordt op heel verschillende manieren beoordeeld (zie Tabel 2). Daarbij werden geen significante leeftijds-, regio- en sekseverschillen waargeno-men.

Tabel 2 Geschiktheid van tussentaal per informant

Geschikt alle situaties informeel/niet formeel/niet niet heel formeel,

voor: formeel informeel niet heel infor-

Inleidend 0 2 = 2.5% 0 0

gesprek

Fbrttl 4 = 5% 23 = 28.75% 7 = 8.75% 2 = 2.5%

Fwvtt 9 = 11.25% 17 = 21.25% 4 = 5% 3 = 3.75%

Fbrtt2 1 = 1.25% 1 = 1.25% 3 = 3.75% 0

Flitt 13 = 16.25% 14 = 17.5% 5 = 6.25% 0

Fovtt 6 = 7.5% 10 = 12.5% 7 = 8.75% 1 = 1.25%

Fovst 0 0 1 = 1.25% 0

Fbrsp 6 = 7.5% 13 = 16.25% 2 = 2.5% 0

VOL.67,NO. 1,2015

De bruikbaarheid van tussentaal werd door enkele informanten expliciet in verband gebracht met de mate waarin iemand probeert om Algemeen Nederlands te spreken.20 Zie bijvoorbeeld WVVJ4:

<Bij Fovtt> INT: ja euh welk taalgebruik is dit?

WVVJ4: ja dat vind 'k da's beetje wat dat 'k bedoel met dat tussentaaltje INT: ja

WVVJ4: dat voelt aan als iemand die moeite doet om Algemeen Nederlands te spreken maar toch niet volledig INT: ja

WVVJ4: alle klanken en zo onder de knie heeft

INT: ja en euh dus tussentaal is iets iemand die een poging doet om mooi te spreken ja?

WVVJ4: ja zo'n poging doet om mooi te spreken en dan meestal ja deels dialect en deels Algemeen Nederlands door elkaar xxx INT: ja ja ja en herken je de regio?

WVVJ4: nee ja misschien West-Vlaanderen of Gent ofzo daar ben 'k niet zo ja INT: ja oké en wat vind je zelf van dat taalgebruik?

WVVJ4: ja 'k vind dat goed dat de mensen een poging doen maar 'k vind dat wel jammer dat dat zo moeilijk is voor INT: ja

WVVJ4: allee 'k vind dat zelf ook moeilijk en da's moeilijk voor mensen om Algemeen Nederlands te spreken omdat je dat te weinig tegenkomt INT: ja

WVVJ4: dat vind 'k wel jammer dat dat zo moeilijk gaat maar 'k ben wel blij

dat er toch moeite gedaan wordt

INT: ja ja en voor welke situaties is dat dan gepast?

WVVJ4: ja da's voor alle situaties hé als ge onder elkaar bezig zijt of als ge ja ge doet een poging tot dus INT: ja

WVVJ4: ja meer kun je van de mensen ook niet verwachten hé

Door uitspraken als die van WVVJ4 krijgen we de indruk dat taalgebruikers mensen niet alleen loven voor hun (standaard)taalgebruik, maar ook voor de inspanning die ze doen om standaardtaal te spreken. Die indruk hebben we empirisch getest. Eerst hebben we bestudeerd welke fragmenten de informanten vaak als tussentaal categoriseren. Alleen bij tussentaal waren de meningen over 'moeite doen' namelijk verdeeld. Enkel de fragmenten Fbrtti, Fwvtt, Flitt en Fovtt zijn volgens een groot deel van de informanten

LYBAERT 119

tussentaal; Fovst en Fbrtt2 worden doorgaans geevalueerd als standaard-taal. Het soaptaalfragment werd buiten beschouwing gelaten omdat daarin een geacteerde tussentaal wordt gesproken.

Daarna hebben we bij elk fragment gekeken welke van de informanten die het taalgebruik tussentaal noemen, daarnaast ook zeggen dat de spre-ker moeite doet om Algemeen Nederlands te praten dan wel praat zoals ze gewoon is. Tabel 3 geeft daarvan een overzicht.

Tabel 3 Gewoon praten vs. moeite doen: overzicht van de informanten per fragment

# informanten

tussentaal = gewoon praten tussentaal = moeite doen

Fbrttl 14 = 17.5% 19 = 23.75%

Fwvtt 15 = 18.75% 13 = 16.25%

Flitt 4 = 5% 14 = 17.5%

Fovtt 6= 7.5% 8= 10%

Uit Tabel 3 blijkt dat het taalgebruik in de fragmenten dus soms wordt geevalueerd als 'gewoon praten' en soms als 'moeite doen'. Aansluitend bij die dualiteit, zien we ook enerzijds karakteriseringen van tussentaal als 'spontaan' (n=9; 11.25%), 'niet geforceerd' (n=2; 2.5%), 'naturel' (n=2; 2.5%) en 'op het gemak' (n=3; 3.75%) en anderzijds als 'geforceerd' (n=2; 2.5%), 'afstandelijk' (n=2; 2.5%) of 'opgeschoond' (n=i; i.25%).21

Wanneer we nu kijken welke informanten die reacties gaven, kunnen 3 groepen onderscheiden worden: (1) 22 informanten (27.5%) die het enkel hebben over tussentaal als 'gewoon praten'; (2) 25 informanten (31.25%) die het enkel hebben over tussentaal als 'moeite doen'; en (3) 10 informanten (12,5%) die het over de beiden hebben, maar dan bij andere stimulusfragmenten. 23 informanten (28.75%) spraken zich niet uit over 'moeite doen' of 'gewoon praten'. We observeren geen significante leeftijds-, gender- of regioverschillen in de verschillende groepen.

Vervolgens hebben we de opvattingen van de informanten over 'moeite doen' en 'gewoon praten' vergeleken met het oordeel van die informanten over de (on)geschiktheid van het taalgebruik in de fragmenten voor (in)formele situaties. Zo willen we nagaan of er een verband is tussen de inspanning van een spreker en de situationele geschiktheid van het taalgebruik van die spreker. We bespreken eerst de geschiktheid voor formele situaties en vervolgens voor informele situaties.

Een groot deel van de informanten die het taalgebruik in de tussentaal-fragmenten evalueren als een poging om standaardtaliger te spreken, vin-den het taalgebruik geschikt voor formele situaties (zie Tabel 4). Per frag-

120 VOL.67,NO. 1,2015

ment zijn er telkens ook een aantal informanten die vinden dat het taalge-bruik niet gebruikt kan worden in formele situaties en een aantal informanten die zieh daar niet duidelijk over uitspreken. Bij elk fragment vindt telkens wel het grootste deel van de informanten het taalgebruik bruikbaar voor formele situaties. Van de informanten die daarentegen vinden dat de sprekers 'gewoon praten', vindt telkens de helft of meer dan de helft het taalgebruik niet gesehikt voor formele situaties (zie Tabel 5). Tussentaal als gei'ntendeerde standaardtaal wordt dus meestal gesehikt geaeht voor formele situaties; tussentaal als gei'ntendeerde tussentaal wordt vaak niet gesehikt geaeht voor formele situaties.

Tabel 4 Bruikbaarheid in formele situaties bij informanten die tussentaal evalueren als 'moeite doen' om Algemeen Nederlands te spreken

Moeite doen # informanten

fragment niet geschikt formeel wel geschikt formeel niet duidelijk

Fbrttl Fwvtt Flitt Fovtt 2 = 10.53% 3 = 23.08% 2 = 14.29% 0 14 = 73.68% 8 = 61.54% 9 = 64.29% 6 = 75% 3 = 15.79% 2 = 15.38% 3 = 21.43% 2 = 25%

Tabel 5 Bruikbaarheid in formele situaties bij informanten die tussentaal evalueren als 'gewoon praten'

gewoon praten # informanten

fragment niet geschikt formeel wel geschikt formeel niet duidelijk

Fbrttl 8 = 57.14% 3 = 21.43% 3 = 24.43%

Fwvtt 13 = 86.67% 0 2 = 13.33%

Flitt 2 = 50% 0 2 = 50%

Fovtt 3 = 50% 3 = 50% 0

Ook voor informele situaties zijn er verschillen in de gerapporteerde ge-schiktheid. De meeste informanten die het taalgebruik in de tussentaal-fragmenten evalueren als 'gewoon praten', vinden het taalgebruik bruikbaar in informele situaties (zie Tabel 7). Zodra de informanten denken dat de spreker moeite doet om standaardtaliger te spreken dan gewoonlijk, zijn de meningen verdeeld (zie Tabel 6). Sommige informanten vinden het taalgebruik dan niet meer bruikbaar in informele situaties; anderen hebben daar minder problemen mee of spreken zieh er niet duidelijk over uit (zie Tabel 5). Sommige informanten vinden het in informele en dagelijkse situaties dus niet echt gepast wanneer een spreker moeite doet om standaardtaliger te spreken dan hij gewoon is.

LYBAERT 121

Tabel 6 Bruikbaarheid in informele situaties bij informanten die tussentaal evalueren als 'moeite doen' om Algemeen Nederlands te spreken

moeite doen # informanten

fragment niet geschikt informeel wel geschikt informeel niet duidelijk

Fbrttl 6 = 31.58% 7 = 38.89% 6 = 31.58%

Fwvtt 2 = 15.38% 6 = 46.15% 5 = 38.46%

Flitt 5 = 35.71% 6 = 42.86% 3 = 21.43%

Fovtt 2 = 25% 2 = 25% 4 = 50%

Tabel 7 Bruikbaarheid in informele situaties bij informanten die tussentaal evalueren als 'gewoon praten'

gewoon praten # informanten

fragment niet geschikt informeel wel geschikt informeel niet duidelijk

Fbrttl 0 13 = 92.86%% 1 = 7.14%

Fwvtt 0 14 = 93.33% 1 = 6.67%

Flitt 0 2 = 50% 2 = 50%

Fovtt 0 6 = 100% 0

We zien dus dat de mate waarin een spreker 'moeite doet' om Algemeen Nederlands te spreken een invloed heeft op de gepercipieerde geschiktheid van het taalgebruik van die spreker. In informele situaties lijkt moeite doen voor de informanten niet nodig en voor sommige informanten zelfs on-wenselijk. In formele situaties lijken de informanten het te waarderen wanneer een spreker zijn of haar best doet.

De opvattingen van de informanten vinden daarmee aansluiting bij de manier waarop over tussentaal geschreven wordt in het tussentaaldebat dat sinds enkele decennia aan de gang is (cf. Absillis, Jaspers, & Van Hoof, 2012; Jaspers, 2001). Tussentaal werd door taalkundigen en taalbeleidsma-kers namelijk pas echt geproblematiseerd toen die doorhadden dat het voor sommige taalgebruikers de doeltaal was en geen stap in een proces waarbij de standaardtaal het eindpunt vormt. Verschillende informanten lijken tussentaal op een gelijkaardige manier te evalueren. Ze stellen zich namelijk toleranter op tegenover tussentaal in formele situaties wanneer ze de indruk hebben dat de spreker moeite doet om Algemeen Nederlands te spreken (maar daar niet echt in slaagt) dan wanneer ze de indruk hebben dat de spreker spreekt zoals gewoonlijk. We moeten hierbij echter opmerken dat de opzet van deze studie kwalitatief van aard is en dat gekeken werd welke informanten zelf spontaan iets vertelden over de in-spanning die de spreker al dan niet leverde. Bijkomend kwantitatief onder-zoek is nodig om de geformuleerde hypothesen te onderbouwen.

122 VOL.67,NO. 1,2015

Naast evaluaties van de geschiktheid van tussentaal voor formele en informele situaties, zien we tot slot ook evaluaties van de geschiktheid van tussentaal voor tv. De meeste informanten expliciteren, naar aanleiding van het stimulusfragment uit de soapserie Thuis, hun mening over de geschiktheid van tussentaal voor soaps. 55 informanten (68.75%) zijn positief over het gebruik van tussentaal in soaps: tussentaal is goed te doen of zelfs ideaal voor soaps en door tussentaal wordt de realiteit nagestreefd; Alge-meen Nederlands zou daarentegen 'te geforceerd', 'te gemaakt' of 'te af-standelijk' zijn en 'onnatuurlijk' of 'ongeloofWaardig' klinken. Een groot deel van de informanten hecht dus belang aan de waarheidsgetrouwheid van het taalgebruik in televisieseries; het taalgebruik in soaps moet de realiteit nabootsen.

Niet iedereen is echter te vinden voor het gebruik van tussentaal in soaps. Volgens een aantal informanten is de voorbeeldfunctie van televisie belangrijker dan het realiteitsgehalte: op televisie mag alleen Algemeen Nederlands te horen zijn (n=3; 3.75%). Enkele andere informanten vinden dan weer dat het taalgebruik duidelijker de dialectkant of de standaard-taalkant moet opgaan en dat er op tv geen plaats is voor een gulden middenweg (n=5; 6.25%). Verschillende informanten vinden ook dat het taalgebruik uit soaps geacteerd klinkt. Die informanten hebben het bij-voorbeeld over 'de taal van de Vlaamse soap' (n=i; 1.25%), 'tv-taal' (n=2; 2.5%), 'tv-VIaams' (n=i; 1.25%), 'acteurstaal' (n=i; 1.25%), 'feuilletontaalge-bruik' (n=2; 2.5%), 'geacteerd' taalgebruik (n=6; 7.5%). Het gaat om Nederlands dat 'wat volkser of dialectischer werd gemaakt' (n=9; 11.25%) of over een 'gepolijst dialect dat voor volledig Vlaanderen gangbaar is' (n=3; 3.75%). Sommigen vinden het taalgebruik ook 'klinisch', 'onnatuurlijk' of 'gekunsteId' (n=6; 7.5%).

Niet alleen taalgebruik in soaps wordt geëvalueerd; verschillende informanten spreken zich ook uit over de (on)geschiktheid van tussentaal voor andere tv-programma's. Tussentaal zou niet geschikt zijn voor duidings-programma's (n=3; 3.75%), voor het journaal (n=16; 20%), voor documentaires (n=2; 2.5%), voor praatprogramma's (n=1; 1.25%), voor spelprogram-ma's (n=1; 1.25%), voor de VRT in zijn geheel (n=1; 1.25%) of voor tv (n=1; 1.25%). 3 informanten (3.75%), tot slot, kunnen het niet verdragen als een presentator tussentaaI spreekt, maar vinden dat voor gasten in praat- en speIprogramma's minder probIematisch.

LYBAERT

б Discussie

We kunnen ons nu afvragen weIke ideoIogieën de informanten reproduee-ren met hun opvattingen over 'moeite doen' en 'gewoon praten' en met hun opvattingen over de situationeIe gesehiktheid van diaIeet, tussentaaI en AIgemeen NederIands.

Bij de meeste informanten gaat het in ieder gevaI om een ideoIogie waarbij de standaardtaaI aIgemeen bruikbaar is, en de variëteit bij uitstek voor formeIe en pubIieke domeinen. EnkeIe informanten oordeeIden ook over de situationeIe bruikbaarheid van diaIeet: zij vonden diaIeet enkeI gesehikt voor informeIe en privésituaties. We zien in de gerapporteerde gesehiktheid van diaIeet en AIgemeen NederIands dus een bevestiging van de traditioneIe standaardiseringsideoIogie:22 AIgemeen NederIands is de superieure variëteit, aIgemeen bruikbaar en zeker gesehikt voor formeIe en pubIieke situaties; diaIeet is daarentegen enkeI gesehikt voor informeIe en privésituaties.

TegeIijk zien we dat de pereepties van de informanten op bepaaIde punten afwijken van die traditioneIe standaardiseringsideoIogie, of dat die pereepties wijzen op een versehuiving binnen die ideoIogie. De informanten kennen nameIijk ook een pIaats toe aan tussentaaI in hun modeI van de VIaamse taaIsituatie en rapporteren ook over de situationeIe ge-sehiktheid van tussentaaI. ZoaIs aangegeven vindt een groot deeI van de informanten tussentaaI gesehikt voor informeIe en privésituaties, vooraI aIs die informanten horen dat de spreker spontaan tussentaaI spreekt, zonder een inspanning te doen om AIgemeen NederIands te spreken. Tus-sentaaI kan voIgens aanzienIijk wat informanten ook voor formeIere en pubIiekere situaties, en zeker aIs de spreker een inspanning Ievert om standaardtaIiger te spreken dan gewoonIijk.

VoIgens een groot deeI van de informanten is het dus in formeIe en pubIieke situaties niet noodzakeliJk dat AIgemeen NederIands wordt ge-sproken. Voor die informanten is het ook oké aIs sprekers gewoon wat hun best doen om AIgemeen NederIands te spreken, maar in de praktijk tussentaaI aIs geïntendeerde standaardtaaI spreken. Dat wijst op twee zaken: (1) Dat de informanten het oké vinden dat iemand tussentaaI aIs geïntendeerde standaardtaaI spreekt in formeIere en pubIieke situaties, toont aan dat de norm voIgens de informanten niet hoeft gereaIiseerd te worden. EnkeI wat inspanning Ieveren, is voIdoende. (2) Dat 'inspanning' een roI speeIt bij de beoordeIing van taaIgebruik, Iijkt erop te wijzen dat de informanten het weI waarderen aIs personen hun best doen om standaard-

VOL. 67, NO. 1,2015

taal te reproduceren. De informanten erkennen dus de supérieure positie van de standaardtaal.

We moeten hierbij opmerken dat we er niet van uitgaan dat gewone taalgebruikers vroeger wél overtuigd waren van een ideologie met enkel ruimte voor Algemeen Nederlands en dialect: Algemeen Nederlands als dé enige geschikte variëteit voor formele en publieke situaties, en dialect als taalgebruik dat kan worden gebruikt in informele situaties. Onderzoek van Van Hoof (2013) toonde bijvoorbeeld aan dat tussentaal al enkele decennia bestaat en dat er op het vlak van taalproductie misschien wel minder veranderd is dan door sommigen wordt gedacht. Ook op ideologisch vlak is dat scenario plausibel. Het is dus goed mogelijk dat de standaardise-ringsideologie bij gewone taalgebruikers in het verleden al een andere invulling kreeg dan vaak wordt beweerd. We observeerden in ieder geval geen opvallende leeftijdsverschillen in de opvattingen van de informanten.

Tot nu toe gingen we enkel in op welke ideologie(ën) we bottom-up uit de uitspraken van de informanten konden destilleren. We kunnen ons nu afvragen welke positie de ideologische overtuigingen van de informanten innemen binnen Vlaanderen. Om die vraag te beantwoorden, maken we een onderscheid tussen gedragsideologieën, die in de praktijk worden be-leefd door groepen mensen en die aan de basis liggen van hun gedrag en hun opvattingen over taal, en gevestigde ideologieën, die ondersteund worden door de taalinstituten (cf. Jaspers, 2001; Rampton, 1995). Tussen gedragsideologieën en gevestigde ideologieën bestaat een dialectische re-latie:

[Established ideological systems of social ethics, science, art, and religion are crystallisations of behavioural ideology, and these crystallisations, in turn, exert a powerful influence back on behavioural ideology, normally setting its tone. At the same time, these already formalised ideological products constantly maintain the most vital organic contact with behavioural ideology and draw sustenance from it (Volosinov, 1929/1973, p. 91, zie ook Rampton 1995 en Jaspers 2001).

Volosinov (1929/1973) maakt in het vervolg van zijn argumentatie nog een onderscheid tussen verschillende niveaus van gedragsideologieën. Sommige zijn kortstondig en heel veranderlijk, terwijl '[t]he upper strata of behavioural ideology, the ones directly linked with ideological systems, are more vital, more serious and bear a creative character' (Volosinov, 1929/1973, p. 92). Er zijn dus gradaties in de mate waarin gedragsideologie-ën zich consolideren.

Met betrekking tot de Vlaamse taalsituatie moeten we de traditioneIe stan-daardiseringsideoIogie, met AIgemeen NederIands aIs aIgemeen bruikbare variëteit en diaIect aIs beperkt tot informeIe situaties, voIgens ons zien aIs de gevestigde ideoIogie, die ondersteund wordt door de instituten. De overtuigingen van een groot deeI van de informanten moeten we daarente-gen zien als gedragsideologieën, die in ieder geval worden beleefd door een groot deel van de hoogopgeleide informanten en ook overeen lijken te stemmen met het taaIgedrag van veeI VIamingen. AIs we kijken naar het taaIgedrag in VIaanderen, vaIt immers op dat in de dageIijkse taaIpraktijk en in de pubIieke ruimte bijzonder vaak niet-standaardtaaI wordt gespro-ken (zie bijvoorbeeld Plevoets, 2008), ook in situaties die volgens de klas-sieke standaardiseringsideoIogie geassocieerd worden met AIgemeen Ne-derIands.

Het Iijkt er zeIfs op dat de ideoIogie van de informanten zich aan het consoIideren is en in confIict komt met de gevestigde kIassieke standaar-diseringsideoIogie. Steeds meer taaIkundigen en vooraanstaande sprekers (bijvoorbeeld auteurs, politici, sociolinguïsten) ontwikkelen bijvoorbeeld een ambivalente relatie tegenover het AIgemeen Nederlands (cf. Jaspers & Van Hoof, 2015). Ook in de manier waarop taaladviseurs over het Alge-meen NederIands denken, treedt een accentverschuiving op naar meer ruimte voor de regionale identiteit van Vlamingen. Zo is het voorstel van Ruud Hendrickx om in bepaalde genres en bij bepaalde sprekers meer accentvariatie toe te laten op de openbare omroep (Hendrickx, 2011, 2012) een evoIutie weg van de kIassieke standaariseringsideoIogie en in de rich-ting van een ideoIogie waarin ook regionaIe variatie acceptabeI wordt in formeIere situaties.

Door dit onderzoek hebben we zicht gekregen op hoe de informanten de Vlaamse taalsituatie typeren en welke ideologische overtuigingen ze hebben. Om echter te achterhaIen waar we de ideoIogieën van de informanten exact moeten IokaIiseren in VoIosinov's 'strata of behaviouraI ideology' en hoeveel invloed de overtuigingen van de informanten juist uit-oefenen op de gevestigde ideoIogie, is het aangewezen om vergeIijkbaar onderzoek uit te voeren naar de percepties en attitudes van groepen met een ander sociaaI profieI dan dat van de informanten:

• In deze studie werden enkel hoogopgeleide Vlamingen geïnterviewd en werden de percepties en attitudes van Iager opgeIeiden of ongeschooI-den niet bevraagd. Bijkomend onderzoek naar de opvattingen van lager geschoolden en/of ongeschoolden, zou kunnen aantonen welke ideolo-gieën mensen met verschiIIende opIeidingsniveaus reproduceren.

• Een herhaling van het onderzoeksdesign bij andere leeftijdsgroepen

126 VOL.67,NO. 1,2015

kan ook verhelderend zijn. Het lijkt ons bijvoorbeeld aangewezen om in vervolgonderzoek oudere informanten te bevragen naar hun opvat-tingen over het belang van het Algemeen Nederlands en de situationele geschiktheid ervan, om op lange termijn eventuele veranderingen in de positie van de standaardtaal aan het licht te brengen. Het zou ook interessant zijn om het onderzoek binnen enkele decennia te herhalen, om eventuele real-timeveranderingen bloot te leggen.

1. Graag bedank ik Johan De Caluwe en twee anonieme reviewers voor hun waardevolle aanvullingen en kritische opmerkingen bij eerdere versies van dit artikel.

2. Geraadpleegd via http://www.dialectloket.be/tekst/dialectologie/dialecten-in-de-zui-delijke-nederlanden/ op 29/05/2015.

3. Jaspers & Brisard (2006) merken echter op dat toegenomen mobiliteit geen garantie is voor talige vermenging of regiolectisering en stellen dat in sommige gevallen de grootste diversiteit juist op te merken is in gebieden die het toegankelijkst zijn en waar de meeste intergroep-contacten plaatsvinden (zie ook Kulick, 1992). We mogen het verband tussen een toename van bovenregionale contacten en dialectverlies vol-gens hen dus niet zien als een noodzakelijk verband.

4. Afhankelijk van de regio worden dialectkenmerken soms wel nog in een latere levensfase als een soort tweede taal verworven onder invloed van leeftijdsgenoten, maar dan in een genivelleerde vorm (Rys, 2007; Vandekerckhove & Nobels, 2010).

5. Dat idee werd intussen al bekritiseerd (zie Willemyns & Vandenbussche, 2007).

6. Het standaardiseringsstreven is tegelijk ook niet universeel. Vaak werd door socioling-uïsten onderzoek verricht naar Europese talen, waarvan er veel een prestigieuze stan-daardtaal hebben (ten minste in de schrijftaal, maar vaak wordt die norm ook gespro-ken). Dat leidt soms tot een eurocentrische visie op talen en taalvariatie. We mogen echter niet vergeten dat de standaardiseringsideologie geen universeel heersende ideologie is (Davies, 2012; Milroy, 2001). Het is 'logisch noch noodzakelijk dat talen standaar-diseren of daarin hun vervolmaking vinden' (Jaspers & Brisard, 2006, p. 42).

7. De keuze voor natuurlijk taalgebruik heeft echter een impact op de aard van de fragmenten. Terwijl het bij geconstrueerde fragmenten mogelijk is om factoren als stem-kwaliteit, accent, persoonlijkheid en onderwerp onder controle te houden, is dat niet of althans minder zo bij natuurlijke fragmenten. Bij de keuze van de fragmenten hebben we er wel naar gestreefd om een aantal factoren constant te houden. Zo gaan alle fragmenten over onderwerpen uit de privésfeer (bijvoorbeeld over een fuif of over een reis), om te vermijden dat het gespreksonderwerp - en niet het taalgebruik - specifieke contexten oproept. Het is echter onhaalbaar om spontane fragmenten te vinden waarin alle vermelde factoren constant blijven. Tijdens de interviews en tijdens de analyses werd dan ook uitdrukkelijk aandacht besteed aan de manier waarop de informanten over de fragmenten spraken, en of die opvattingen enkel van toepassing waren op taalgebruik in die specifieke context van het fragment, of meer algemeen op bepaalde variëteiten of op taalvariatie in het algemeen. Voor een gedetailleerde bespreking van de methodologie, zie Lybaert (2014a).

8. Het taalgebruik in fragment Fbrtt2 leunt dichter aan bij de standaardtaal dan de andere tussentaalfragmenten, en wordt daarom 'subtiele tussentaal' genoemd. We hebben er

echter niet bewust voor gekozen om daarvoor een Brabants fragment te gebruiken. Het geselecteerde fragment is vooral een fragment waarin de spreker vlot en spontaan een tussentaaI spreekt die dicht aanIeunt bij de standaardtaaI.

9. Zie Lybaert (2012) voor een uitgebreidere toelichting en motivatie van de methodologie.

1 0. VoorbeeIden van formeIe situaties die door de informanten worden genoemd, zijn ge-sprekken met hoger gepIaatsten, professioneIe gesprekken, gesprekken in educatieve contexten en interviews; voorbeeIden van informeIe situaties zijn gesprekken met vrienden en met famiIie en gesprekken in dageIijkse situaties.

11. Dat relatief weinig mensen zich uitspreken over de situationele bruikbaarheid van diaIect, komt omdat in het stimuIusmateriaaI enkeI standaardtaIige en tussentaIige fragmenten werden opgenomen.

12. Binnen famiIiaIe kringen wordt soms een onderscheid gemaakt voIgens de Ieeftijd van de gesprekspartner. AIgemeen NederIands zou voIgens enkeIe informanten bijvoor-beeId weI geschikt zijn om tegen (kIeine) kinderen te spreken.

13. Man: n=1 vs. vrouw: n=11; X2=9.8, df=1, p=0.002.

14. Een aantal informanten van de oudste generatie lijken zich overigens heel bewust van de roI die de media gespeeId hebben in de verspreiding van de standaardtaaI ten tijde van de ABN-acties in Vlaanderen. Ze zijn daar niet lovend over: het ging om 'gekunsteld en overdreven verfijnd taalgebruik', 'een houterige poging tot AIgemeen Nederlands', 'een strikt Hollands Nederlands', 'te overgeaccentueerd' taalgebruik of 'taalgebruik met een ongepaste beschaving'. EnkeI informanten van de oudste generatie spreken hierover; zij zijn de enigen die die ABN-acties meegemaakt hebben.

15. Dergelijke karakteriseringen zijn volgens de informanten in ieder geval van toepassing op het taalgebruik in Fovst. We kunnen uit de citaten echter niet afleiden of het hier gaat over attitudes die daarnaast ook betrekking hebben op AIgemeen NederIands in het aIgemeen.

16. De eerste letter(s) verwijzen naar de afkomst van de informant: OV = Oost-VIaamse diaIectgebied, WV = West-VIaamse diaIectgebied, B = Brabantse diaIectgebied, L = Limburgse diaIectgebied; de voIgende Ietter verwijst naar het gesIacht van de informant: M = man, V = vrouw; de Iaatste Ietter verwijst naar de Ieeftijd van de informant: J = jongste generatie, O = oudste generatie. Het cijfer dat op de letterreeks volgt, verwijst naar het cijfer van een informant in een bepaaIde socioIogische ceI. OVMJ3 is bijvoor-beeId de derde informant uit de socioIogische ceI van Oost-VIaamse mannen van de jongste generatie.

17. Man: n=13 vs. vrouw: n=1; X2=12.47, df=1, p=0.0004.

18. De code 'IMI' in de transcripties verwijst naar nabootsingen van de informanten. De regionaIe kIanken werden niet getranscribeerd.

19. De interviewer gebruikt in dit fragment termen aIs 'diaIect' en 'standaardtaaI', 'formeeI' en 'informeel'. De interviewer doet dat hier omdat de informant die termen zelf eerder in het interview aI ter sprake bracht. Er werden dus geen termen of concepten geïn-troduceerd door de interviewer, zonder dat de informant daar zeIf over begon.

20. Hierover werd eerder aI gerapporteerd in Lybaert (2014b).

21. Een aantal informanten hebben het ook over 'gekuist' taalgebruik (n=6; 7.5%). Die term kan wijzen op de moeite die een spreker doet om zijn taalgebruik op te schonen. Die associatie is er echter niet noodzakeIijk. De term 'gekuist' wordt ook soms gebruikt voor taalgebruik dat dichter bij het AIgemeen Nederlands aanleunt dan de dialecten, maar nog niet echt AIgemeen NederIands is.

22. De gerapporteerde geschiktheid wijkt weI af van de visie van diegenen die vonden dat in aIIe situaties AIgemeen NederIands moest worden gesproken, en dat taaIvariatie

volledig uit den boze was. De informanten percipiëren de standaardtaal namelijk abso-luut niet als de enige geschikte variëteit voor nagenoeg elke situatie.

Bibliografie

Kevin Absillis, 'Taal tussen tuin en wildernis. Een aanzet tot een historisch-discursieve analyse van het Vlaamse tussentaaldebat', in De manke usurpator. Over Verkavelingsvlaams, ed. by: Kevin Absillis, Jürgen Jaspers & Sarah Van Hoof (Gent: Academia Press, 2012a), pp. 3-35.

Kevin Absillis, Vechten tegen de bierkaai. Over het uitgevershuis van Angèle Manteau (1932-1970). Antwerpen: Meulenhoff-Manteau, 2012b.

Kevin Absillis, Jürgen Jaspers & Sarah Van Hoof, 'Inleiding', in De manke usurpator. Over Verkavelingsvlaams, ed. by: Kevin Absillis, Jürgen Jaspers & Sarah Van Hoof (Gent: Academia Press,

2012), pp. 3-35.

Asif Agha, 'The social life of cultural value', Language and Communication, 3, (2003), pp. 231-273.

Asif Agha, Language and social relations. Cambridge: Cambridge University Press, 2007.

Rebecca Agheyisi & Joshua Fishman, 'Language attitude studies: a brief survey of methodological approaches', Anthropological Linguistics, 12, (1970), pp. 137-157.

Sarah Auman, 'En op de zevende dag was er tussentaal. Een onderzoek naar het gebruik van de Nederlandse standaardtaal, Vlaamse tussentaal en codewisseling in 'De zevende dag''. Uni-versiteit Gent: onuitgegeven masterscriptie, 2009.

Benno Barnard, 'De teleurgang van het Nederlands in Vlaanderen', 2008, geraadpleegd op 20/09/ 2011 via http://www.ovv.be/page.php?ID=2648

Richard Bauman & Charles Briggs, Voices of modernity. Language ideologies and the politics of inequality. Cambridge: Cambridge University Press, 2003.

Pierre Bourdieu, Language and symbolic power (edited and with an introduction by John B. Thompson). Cambridge: Polity Press, 1991.

José Cajot, Van het Nederlands weg? De omgangstaal in Vlaanderen', Ons Erfdeel, 1 (2010), pp. 1425.

Walter Couvreur, 'De tegenstelling Nederlandsch-Vlaamsch en de spellinghervormingen 1844 en 1864', Verslagen & Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, (1940), pp. 283-320.

Winifred Davies, ''Sprachkultur' in lay and academic discourse in modern Germany", German Life and Letters, 61, 4 (2008), pp. 435-450.

Winifred Davies, 'Myths we live and speak by: ways of imagining and managing language and languages', in Standard languages and multilingualism in European history, ed. by: Matthias Hüning, Ulrike Vogl & Olivier Moliner (Amsterdam/Philadelphia:John Benjamins Publishing Company, 2012), pp. 45-69.

Johan De Caluwe, 'Tussentaal als natuurlijke omgangstaal in Vlaanderen', in Structuren in talige variatie in Vlaanderen, ed. by: Johan De Caluwe & Magda Devos (Gent: Academia Press, 2006), pp. 19-34.

Johan De Caluwe, 'Tussentaal wordt omgangstaal in Vlaanderen', Nederlandse Taalkunde, 14, (2009), pp. 8-25.

Johan De Caluwe, 'Deletie van tussentaal: de kloof tussen het taalbeleid en de taalpraktijk op school', in De manke usurpator. Over Verkavelingsvlaams, ed. by: Kevin Absillis, Jürgen Jaspers & Sarah Van Hoof (Gent: Academia Press, 2012), pp. 101-122.

LYBAERT 129

Johan De CaIuwe & EveIien Van Renterghem, 'RegioIectisering en de opkomst van tussentaaI in Viaanderen', Taal en Tongval, 63, (2011), pp. 61-77.

Annick De Houwer, 'Language variation and IocaI eIements in famiIy discourse', Language Variation and Change, 15, (2003), pp. 329-349.

Frans Debrabandere, 'Het echec van de ABN-actie in VIaanderen', Nederlands van nu, 53, (2005),

pp. 27-31.

Steven DeIarue, 'StandaardtaaI of tussentaaI op schooI? De paradoxaIe dubbeIe kIoof tussen taaIbeIeid en taaIgebruik', Studies van de BKL, 6, (2011).

Steven DeIarue, 'Met open vizier. Meer aandacht voor taaIvariatie in media en onderwijs in VIaanderen', Over taal, 51,1 (2012), pp. 20-22.

Steven DeIarue, 'Teachers Dutch in FIanders: the Iast guardians of the standard?', in Language (de)standardisation in Late Modern Europe: experimental studies, ed. by: Tore Kristiansen & Stef GrondeIaers (OsIo: Novus ForIag, 2013), pp. 193-226.

Steven DeIarue, 'Contrasterende (standaard)taaIideoIogieën bij VIaamse Ieerkrachten: een Gentse casestudy1, Handelingen der Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal-en Letterkunde en Geschiedenis, LXVII, (2014), pp. 219-248.

Kas Deprez, 'Naar een eigen identiteit. ResuItaten en evaIuatie van tien jaar taaIsocioIogisch en socioIinguïstisch onderzoek betreffende de standaardtaaI in VIaanderen: perspectieven voor verder onderzoek'. KathoIieke Universiteit Leuven: onuitgegeven doctoraatsverhandeIing,

Magda Devos, 'Genese en structuur van het VIaamse diaIectIandschap', in Structuren in talige variatie in Vlaanderen, ed. by: Johan De CaIuwe & Magda Devos (Gent: Academia Press, 2006), pp. 35-62.

Magda Devos & ReinhiId Vandekerckhove, Taal in stad en land. West-Vlaams. TieIt: Lannoo, 2005.

Susan GaI, 'Contradictions of standard Ianguage in Europe: impIications for the study of practices and pubIics', Social Anthropology, 14, 2 (2006), pp. 163-181.

Dirk Geeraerts, 'Postmoderne taaIattitudes?', Streven, 60, 4 (1993), pp. 346-353.

Dirk Geeraerts, 'Hoe gans het voIk is de taaI? De VIaamse taaIkIoof, Over taal, 38, 2 (1999a), pp.

30-34.

Dirk Geeraerts, 'Noch standaard, noch diaIect. 'TussentaaI' in VIaanderen en NederIand', Onze Taal, 9, (1999b), pp. 232-235.

Dirk Geeraerts, 'Een zondagspak? Het NederIands in VIaanderen: gedrag, beIeid, attitudes', Ons Erfdeel, 44, (2001a), pp. 337-344.

Dirk Geeraerts, 'Everyday Ianguage in the media: the case of BeIgian Dutch soap series', in Sprache im Alltag. Beiträge zu neuen Perspektiven in der Linguistik Herbert Ernst Wiegand zum 65. Geburtstag gewidmet, ed. by: Matthias Kammerer, Klaus-Peter Konerding, Andrea Lehr, AngeIika Storrer, Caja Thimm & Werner WoIski (BerIijn/New York: de Gruyter, 2001b), pp. 281-291.

Dirk Geeraerts, 'RationaIisme en nationaIisme in de VIaamse taaIpoIitiek', in Taalvariatie en taalbeleid. Bijdragen aan het taalbeleid in Nederland en Vlaanderen ed. by: Johan De CaIuwe, Dirk Geeraerts, Sjaak Kroon, Virginie Mamadouh, RonaId Soetaert, Luc Top & Ton VaIIen (Antwerpen: Garant, 2002), pp. 87-104.

Dirk Geeraerts, 'CuIturaI modeIs of Iinguistic standardization', in Cognitive models in language and thought. Ideology, methaphors and meanings, ed. by: René Dirven, Frank RosIyn & Martin Pütz (BerIijn/New York: de Gruyter, 2003), pp. 25-68.

Dirk Geeraerts, Ann Penne & VeerIe Vanswegenoven, 'Thuis-taaI en FamiIie-taaI: taaIgebruik in VIaamse soaps', in Met taal om de tuin geleid. Een bundel opstellen voor Georges De Schutter ter gelegenheid van zijn pre-emeritaat, ed. by: Steven GiIIis, Jan Nuyts & Johan TaeIdeman (Antwerpen: Universitaire InsteIIing Antwerpen, 2000), pp. 161-170.

130 VOL.67,NO. 1,2015

Guido Geerts, 'In Vlaanderen Vlaams?', Ons Erfdeel, 32, (1989), pp. 525-533.

Guido Geerts, Johan Nootens & Jef Van den Broeck, 'Opinies van Vlamingen over dialekt en standaardtaal', in Sociolinguistische studies 1. Bijdragen uit het Nederlandse taalgebied, ed. by: Guido Geerts & Antoon Hagen (Groningen: Wolters-Noordhoff,198ü), pp. 233-256.

Anne-Sophie Ghyselen, 'Ne vent als em kan ekik nie luchten. Een matched-guise onderzoek naar de attitudes van de West-Vlaming tegenover taalvariatie'. Universiteit Gent: onuitgegeven masterscriptie, 2010.

Anne-Sophie Ghyselen & Jacques Van Keymeulen, 'Dialectcompetentie en functionaliteit van het dialect in Vlaanderen anno 2013', Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 130, 2 (2014), pp. 117-139.

Howard Giles, Justine Coupland & Nikolas Coupland, Contexts of accommodation: developments in applied sociolinguistics (red.). Cambridge: Cambridge University Press, 1991.

Jan Goossens, 'De toekomst van het Nederlands in Vlaanderen', Ons Erfdeel, 43,1 (2000), pp. 2-13.

Stef Grondelaers & Tore Kristiansen, 'On the need to access deep evaluations when searching for the motor of standard language change', in Language (de)standardisation in Late Modern Europe: experimental studies, ed. by: Tore Kristiansen & Stef Grondelaers (Oslo: Novus Press,

2013), pp. 9-52.

Stef Grondelaers & Roeland Van Hout, 'Is Standard Dutch with a regional accent standard or not? Evidence form native speakers' attitudes', Language Variation and Change, 22, (2010), pp. 221239.

Heindrik Heidbuchel, 'Ons Nederlands', Bouw, IX, 4 (1964), pp. 6-7.

Ruud Hendrickx, 'Het taalcharter', 1998, geraadpleegd op 10/01/2012 via http://www.vrt.be/taal/ taalcharter

Ruud Hendrickx, 'Laat ons ne keer te goei naar onszelf luisteren. VRT. Taalsignaal voor 6 miljoen Vlamingen', 2001, geraadpleegd op 17/06/2013 via http://www.vrt.be/taal/laat-ons-ne-keer-te-goei-naar-onszelf-luisteren

Ruud Hendrickx, 'Toespraak taaldag 2011', 2011, geraadpleegd op 09/02/2012 via http://www.taal-mail.net/teksten/toespraak_taaldag2011.pdf

Ruud Hendrickx, 'Het taalcharter', 2012, geraadpleegd op 13/05/2014 via http://www.vrt.be/taal/ taalcharter-2012

Leen Impe, 'Mutual intelligibility of national and regional varieties of Dutch in the Low Countries'. Katholieke Universiteit Leuven: onuitgegeven doctoraatsverhandeling, 2010.

Leen Impe & Dirk Speelman, Vlamingen en hun (tussen)taal. Een attitudineel mixed guiseon-derzoek', Handelingen van de Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, LXI, (2007), pp. 109-128.

Judith Irvine & Susan Gal, 'Language ideology and linguistic differentiation', in Regimes of language: ideologies, polities and identities, ed. by: Paul Kroskrity (Santa Fe: School of American Research Press, 2000), pp. 35-84.

GuyJanssens, 'Ontstaan, ontwikkeling en positie van de Vlaamse tussentaal', in Thesaurus poly-glottus et flores quadrilingues. Festschrift für Stanisiaw Predota zum 60. Geburtstag, ed. by: Stefan Kiedron & Agate Kowalska-Szubert (Wroclaw: Oficyna Wydawnicza ATUT, 2004), pp.

173-178.

Guy Janssens & Ann Marynissen, Het Nederlands vroeger en nu. Leuven: Acco, 2008.

Jürgen Jaspers, 'Het Vlaamse stigma. Over tussentaal en normativiteit', Taal en Tongval, 53, 2 (2001), pp. 129-153.

Jürgen Jaspers, 'Inleiding', in De klank van de stad: stedelijke meertaligheid en interculturele com-municatie., ed. by: Jürgen Jaspers (Leuven/Den Haag: Acco, 2009), pp. 7-32.

Jürgen Jaspers & Frank Brisard, Verklaringen van substandaardisering: tussentaal als gesitueerd taalgebruik', Leuvense bijdragen, 95, (2006), pp. 35-70.

Jürgen Jaspers & Sarah Van Hoof,'Hyperstandardisation in Flanders: extreme enregisterment and its aftermath', Pragmatics, 23, 2 (2013), pp. 331-359.

Jürgen Jaspers & Sarah Van Hoof,'Ceci n'est pas une tussentaal. Evoking standard and vernacular language through mixed Dutch in Flemish telecinematic discourse', Journal of Germanic Linguistics, 27,1 (2015), pp. 1-44.

Hanne Kloots & Steven Gillis, 'Bang voor Babel. De verstaanbaarheid van tussentaal', in De manke usurpator. Over Verkavelingsvlaams, ed. by: Kevin Absillis, Jürgen Jaspers & Sarah Van Hoof (Gent: Academia Press, 2012), pp. 225-247.

Tore Kristiansen & Nikolas Coupland, Standard languages and language standards in a changing Europe (red.). Oslo: Novus Press, 2011.

Don Kulick, Language shift and cultural reproduction Socialization, self and syncretism in a Papua New Guinean village. Cambridge: Cambridge University Press, 1992.

An Kuppens & Annick De Houwer. (2003). 'Dialect is niet voor kinderen': attitudes tegenover Standaardnederlands en dialect in kindgerichte spraak. In T. Koole, J. Nortier & B. Tahitu (Eds.), Artikelen van de vierde sociolinguïstische conferentie (pp. 268-276). Delft: Eburon.

Grit Liebscher & Jennifer Dailey-O'Cain, 'Language attitudes in interaction', Journal of Socioling-uistics, 13, 2 (2009), pp. 195-222.

Chloé Lybaert, 'Hoe percipieert een taalkundige leek het Vlaamse taallandschap?', Handelingen van de Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, LXIV, (2012), pp. 123-146.

Chloé Lybaert, 'Het gesproken Nederlands in Vlaanderen. Percepties en attitudes van een spraak-makende generatie'. Universiteit Gent: onuitgegeven doctoraatsverhandeling, 2014a.

Chloé Lybaert, 'Tussentaal: is de inspanning belangrijker dan het resultaat?', Over taal, 53, 3 (2014b), pp. 76-78.

James Milroy, 'Language ideologies and the consequences of standardization', Journal of Socio-linguistics, 5, (2001), pp. 530-555.

James Milroy & Lesley Milroy, Authority in language. Londen: Routledge & Kegan Paul, 1985.

Koen Plevoets, 'Tussen spreek- en standaardtaal. Een corpusgebaseerd onderzoek naar de situ-ationele, regionale en sociale verspreiding van enkele morfo-syntactische verschijnselen uit het gesproken Belgisch-Nederlands'. Katholieke Universiteit Leuven: onuitgegeven docto-raatsverhandeling, 2008.

Dennis Preston, 'Content-oriented discourse analysis and folk linguistics', Language Sciences, 16, 2

(1994), pp. 285-331.

Ben Rampton, Crossing: language and ethnicity among adolescents. Londen/New York: Longman,

Bernard Rosner, Fundamentals of biostatistics. Belmont: Brooks/Cole, 2006.

Kathy Rys, 'Dialect as a second language: linguistic and non-linguistic factors in secondary dialect acquisition by children and adolescents'. Universiteit Gent: onuitgegeven doctoraatsverhan-deling, 2007.

Jan Segers & Ton Vallen, 'Dialect en onderwijs in het Kerkrade project', in Sociolinguistiek en dialectologie, ed. by: Jan Segers, Sjef Stijnen, Ton Vallen & Jef Van Den Broeck (Hasselt1980), pp. 1-13.

Pascal Smet, 'Conceptnota 'Samen taalgrenzen verleggen' (versie 22 juli 2011)', 2011, geraadpleegd op 28/03/2013 via http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2011/doc/talennota_2011.pdf

Barbara Soukup & Sylvia Moosmüller, 'Standard language in Austria', in Standard languages and language standards in a changing Europe, ed. by: Tore Kristiansen & Nikolas Coupland (Oslo: Novus Press, 2011), pp. 39-46.

Joann Swann, Ana Deumert, Theresa Lillis & Rajend Mesthrie, A dictionary of sociolinguistics. Edinburgh: Edinburgh University Press, 2004.

VOL. 67, NO. 1,2015

Johan Taeldeman, 'Dialect in Vlaanderen', in Kroezels op de Bozzem. Het dialectenboek, ed. by: Herman Crompvoets & Ad Adams (Waalre: Stichting Nederlandse Dialecten, 1991), pp. 34-52.

Johan Taeldeman, Welk Nederlands voor Vlamingen', Nederlands van nu, 40, 2 (1992), pp. 33-51.

Johan Taeldeman, Welk Nederlands voor Vlamingen?', in Van sneeuwpoppen tot tasmuurtje, aspecten van de Nederlandse taal- en literatuurstudie, ed. by: Luc De Grauwe & Jaak De Vos (Gent: Bond Gentse Germanisten, 1993), pp. 9-28.

Johan Taeldeman, 'De regenboog van de Vlaamse dialecten', in Het taallandschap in Vlaanderen. Wetenschappelijke nascholing Universiteit Gent 2000-2001, ed. by: Magda Devos, Johan De Caluwe & Johan Taeldeman (2000), pp. 1-15.

Johan Taeldeman, Taal in stad en land. Oost-Vlaams. Tielt: Lannoo, 2005.

Renée Van Bezooijen, 'Dialectattitudes in Vlaanderen en Nederland', in Taeldeman, man van de taal, schatbewaarder van de taal, ed. by: Johan De Caluwe, Georges De Schutter, Magda Devos & Jacques Van Keymeulen (Gent: Academia Press, 2004), pp. 777-788.

Hans Van De Velde, 'Verkavelinsvlaams: wat is mij dat nu?', in Taalvariaties: toonzettingen en modulaties op een thema, ed. by: Roeland Van Hout &Joep Kruijsen (Dordrecht: Foris, 1996), pp. 261-271.

Joop Van der Horst, Het einde van de standaardtaal. Een wisseling van Europese taalcultuur. Amsterdam: Meulenhoff, 2008.

Nicoline Van Der Sijs & Roland Willemyns, Het verhaal van het Nederlands. Een geschiedenis van twaalfeeuwen. Amsterdam: Bert Bakker, 2009.

Sofie Van Gijsel, Dirk Speelman & Dirk Geeraerts, 'Style shifting in commercials', Journal of Pragmatics, 40, (2008), pp. 205-226.

Sarah Van Hoof,'Feiten en fictie. Een sociolinguïstische analyse van het taalgebruik in fictieseries op de Vlaamse openbare omroep (1977-2012)'. Universiteit Antwerpen: onuitgegeven docto-raatsverhandeling, 2013.

Sarah Van Hoof & Jürgen Jaspers, 'Hyperstandaardisering', Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 128, 2 (2012), pp. 97-125.

Geert Van Istendael, Het Belgisch labyrint. Amsterdam: De Arbeidspers, 1989.

Jacques Van Keymeulen, 'Een verkennend taalgeografisch onderzoek naar dialectverlies in Ne-derlandstalig België', Taal en Tongval, 6, (1993), pp. 120-135.

Annelies Van Laere, 'Tussentaalelementen in de taal van Vlaamse politici'. Universiteit Gent: onuitgegeven masterscriptie, 2003.

Reinhild Vandekerckhove, Structurele en sociale aspecten van dialectverandering. De dynamiek van het Deerlijkse dialect. Gent: KANTL, 2000.

Reinhild Vandekerckhove, Waar zijn je, jij en jou(w) gebleven? Pronominale aanspreekvorm in het gesproken Nederlands van Vlamingen', in Taeldeman, man van de taal, schatbewaarder van de taal, ed. by: Johan De Caluwe, Georges De Schutter, Magda Devos & Jacques Van Keymeulen (Gent: Academia Press, 2004), pp. 981-995.

Reinhild Vandekerckhove, 'Dialect loss and dialect vitality in Flanders', International Journal of the Sociology of Language, 196/197, (2009), pp. 73-97.

Reinhild Vandekerckhove & David Britain, 'Dialects in western Europe: a balanced picture of language death, innovation and change', International Journal ofthe Sociology of Language, 196/197, (2009), pp. 1-6.

Reinhild Vandekerckhove & Judith Nobels, 'Code eclecticism: linguistic variation and code alternation in the chat language of Flemish teenagers', Journal of Sociolinguistics, 14, 5 (2010), pp. 657-677.

Frank Vandenbroucke, 'De lat hoog voor talen in iedere school. Goed voor de sterken, sterk voor de zwakken', 2007, geraadpleegd op 28/03/13 via http://www.coc.be/files/publications/.88/ talenbeleidsnota_.pdf

LYBAERT 133

Wim Vandenbussche, 'Standardization through the media. The case of Dutch in Flanders', in Variatio delectat: Empirische Evidenzen und theoretische Passungen sprachlicher Variation (für Klaus J. Mattheier zum 65. Geburtstag), ed. by: Peter Gilles, Joachim Scharloth & Evelyn Ziegler (Frankfurt am Main: Peter Lang Verlag, 2010), pp. 309-322.

Wim Vandenbussche, Roland Willemyns, Jetje De Groof & Eline Vanhecke, 'Taming thistles and weeds amidst the wheat: language gardening in nineteenth-century Flanders', in Linguistic purism in the Germanic languages, ed. by: Nils Langer & Winifred Davies (Berlijn/New York: de Gruyter, 2005), pp. 46-61.

Valentin Volosinov, Marxism and the philosophy of language (translated by L. Matejka & I. Titu-nik). Cambridge: Harvard University Press, 1929/1973.

Rik Vosters, Gijsbert Rutten & Marijke Van der Wal, 'Mythes op de pijnbank. Naar een herwaar-dering van de taalsituatie in de Nederlanden in de achttiende en negentiende eeuw', Verslagen & Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 120, (2010), pp. 93-112.

Jan Frans Willems, Verhandeling over de Nederduytsche tael- en letterkunde, opzigtelyk de Zuyde-lyke provintien der Nederlanden. Arnhem: D.A. Thieme, 1819-1824.

Roland Willemyns, 'Bedenkingen bij het taalgedrag van Vlaamse universiteitsstudenten uit Brus-sel-Halle-Vilvoorde', Taal en Sociale Integratie, 2, (1979), pp. 141-159.

Roland Willemyns, 'Dutch', in Germanic standardizations: past to present, ed. by: Ana Deumert & Wim Vandenbussche (Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins Publishing Company,

2003), pp. 93-125.

Roland Willemyns, 'De-standardization in the Dutch language territory at large', in Standard, Variation und Sprachwandel in germanischen Sprachen - Standard, variation and language change in Germanic languages, ed. by: Christian Fandrych & Reinier Salverda (Tübingen: Gunter Narr Verlag, 2007), pp. 265-279.

Roland Willemyns & Wim Daniëls, Het verhaal van het Vlaams. De geschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden. Antwerpen/Utrecht: Standaard Uitgeverij/Het Spectrum, 2003.

Roland Willemyns & Wim Vandenbussche, 'Taalverachters en taalverkrachters. Sociolinguïsten op de beklaagdenbank', in Tussen taal, spelling en onderwijs. Essays bij het emeritaat van Frans Daems, ed. by: Dominiek Sandra, Rita Rymenans, Pol Cuvelier & Peter Van Petegem (Gent: Academia Press, 2007), pp. 23-34.

Lode Wils, 'Vlaams en Hollands in het Verenigd Koninkrijk', Dietsche Warande & Belfort, (1956), pp. 527-536.

Kathryn Woolard, 'Introduction: language ideology as a field of inquiry", in Language ideologies. Practice and theory, ed. by: Bambi Schieffelin, Kathryn Woolard & Paul Kroskrity (Oxford: Oxford University Press, 1998), pp. 3-47.

Over de auteur

Chloé Lybaert, Universiteit Gent, Vakgroep TaaIkunde - NederIands, BIan-dijnberg 2, 9000 Gent. E-maiI: ChIoe.Iybaert@ugent.be

VOL. 67, NO. 1,2015