Scholarly article on topic 'Huisbeelden in de moderne Nederlandstalige poëzie - Een cognitieve benadering'

Huisbeelden in de moderne Nederlandstalige poëzie - Een cognitieve benadering Academic research paper on "Languages and literature"

0
0
Share paper
Academic journal
Internationale Neerlandistiek
OECD Field of science
Keywords
{""}

Academic research paper on topic "Huisbeelden in de moderne Nederlandstalige poëzie - Een cognitieve benadering"

Huisbeelden in de moderne Nederlandstalige poezie

Een cognitieve benadering

Irena Barbara Kalla (Uniwersytet Wrodawski)

This article explores images of the house in Dutch language poetry from the postwar period. On the one hand, the archetypical notion of the house has always had an established place in poetry. It is connected to the meaning of house as a building and especially as an imaginative house or a home. On the other hand, the house is a rich metaphorical concept used for explaining poetical ideas. In a historical survey of modern poetry, different images of the house are presented. The overview shows that the choice of certain metaphorical concepts is connected to literary and extra-literary contexts, and to the poetical ideas of poets. Conceptual integration - Blending Theory - is used in this paper as a theoretical frame. From this perspective a poem is seen as a complex blend, a network of connections which are constructed during the reading and interpreting processes.

Het bouwen van een huis is een creatieve handeling die in de cultuurtraditie vaak als een herhaling of imitatie van de goddelijke schepping is gezien (Eliade 1999, p. 36; Bollnow 1963, p. 144). De beelden van het huis dat wordt opgebouwd en het gedicht dat wordt gemaakt, worden in poezie vaak gei'ntegreerd, zoals dit zeer expliciet in dit gedichtfragment gebeurt: 'Ik bouwde woord / voor woord deze toren, voegde steen voor steen dit gedicht, / schreef in twintig regels voor ons een huisje om in te wonen' (Van Lieshout 2009, p. 77). De gedichten die huisbeelden bevatten zijn dan ook voor een groot deel poeticale gedichten, en de identiteit die daarin wordt geproblematiseerd is een dichterlijke identiteit. Daar-naast gaat het in deze gedichten ook om een meer universele relatie van de ik tot het huis, opgevat als ruimte in het algemeen of als woning, gezin of land in het bijzonder. Dichters bedienen zich daarbij van verschillende huisconcepten. Aan de hand van Nederlandstalige gedichten uit de periode 1950-2012 waarin huisbeelden een prominente rol spelen, wordt in deze bijdrage de evolutie van huisbeelden onderzocht.1 Als methodologisch kader wordt de theorie van de concep-tuele integratie (Blending Theory) gebruikt.

Theorie van de conceptuele integratie

De Blending Theory, gebaseerd op de theorie van mental spaces van Fauconnier (1994) en verder ontwikkeld door Fauconnier en Turner (1998, 2001, 2002), ver-klaart de mentale processen op basis waarvan mensen de wereld beter begrijpen en uitdrukking geven aan nieuwe ervaringen of ideeen. De taal is een oppervlak-temanifestatie van deze mentale processen, waarbinnen de betekenis telkens op-nieuw wordt geconstrueerd. In die opvatting is betekenis geen statisch gegeven maar integendeel een dynamische activiteit (vergelijk ook De Geest 1989, p. 62). Om betekenis in en uit de woorden te construeren, bouwen we verschillende mentale ruimten, of velden2 (mental spaces), zoals Fauconnier (1994) ze noemde, en we leggen daartussen verbanden (binding, mapping). Constructie van betekenis berust zo op het proces van conceptuele integratie op cognitieve operaties tussen de velden (mental spaces). De metafoor wordt in dit systeem als de belangrijkste conceptuele operatie beschouwd (vergelijk Lakoff & Johnson i999[i980]). Terwijl Lakoff en Johnson in Metaphors we live by twee velden introduceerden (brondomein en doeldomein), veronderstelt de Blending Theory echter vier (of meer) velden:

- de generic space: een veld met abstracte begrippen dat als gemeenschappelijk referentiepunt dient voor de twee (of meer) beginvelden (input spaces). Dit veld geeft het integrerende verstand de mogelijkheid de gelijkenissen te observeren die een basis vormen voor de blend in het proces van conceptuele integratie.

- tenminste twee beginvelden (input spaces); ze bevatten de op elkaar lijkende elementen die in het proces van conceptuele integratie op de blend worden ge-projecteerd (mapping).

- de blend: het samengestelde veld dat ontstaat in het proces van conceptuele integratie van het materiaal uit de input spaces. De blend is een emergente struc-tuur (emergent structure), want hij bevat niet alleen elementen uit de input spaces maar ook een soort toegevoegde structuur die in de beginvelden nog niet aan-wezig was.

Het proces van de conceptuele integratie verloopt, zoals Tabakowska (2008) aan-geeft, via de volgende stadia:

- keuze van de generic space;

- het aan elkaar knopen van de passende elementen uit de input spaces;

- selectieve projectie (mapping) van de structuren uit de input spaces;

- conceptuele integratie;

- het construeren van de emergent structure, die meer is dan enkel de som van de twee (of meer) elementen.

Fauconnier en Turner (2001) geven het proces van conceptuele integratie schematisch op de volgende manier weer (zie figuur 1):

Generic space

Figuur 1. Het proces van conceptuele integratie volgens Fauconnier en Turner (2001).

Het lineaire karakter van deze opsomming is enigszins misleidend, want bij conceptuele integratie gaat het niet om een bepaalde volgorde, maar om het dynamische karakter van het hele netwerk (vergelijk Fauconnier & Turner 1998).

Metaforische blend

Hieronder vindt men een grafische illustratie van de conceptuele metafoor li-CHAAM als huis, die in termen van de Blending Theory eveneens als een metaforische blend3 ('conventional metaphoric blend', Grady, Oakley & Coulson 1999, p. 111) opgevat kan worden:

Generic Space

Figuur 2. Conceptuele metafoor lichaam als huis.

Laat ik het hierboven gepresenteerde model kort toelichten aan de hand van de metaforische blend (conceptuele metafoor) lichaam als huis.4 In het proces van conceptuele integratie brengen we de twee velden (input spaces), 'lichaam' en 'huis', samen tot een nieuw veld. In de generic space hebben we abstracte begrippen die voor 'lichaam' en voor 'huis' een referentiepunt vormen, hier bij wijze van voorbeeld: 'ruimte', 'plek' en 'openingen'. In de beginvelden (input spaces) bevin-den zich elementen die tot het veld 'huis', respectievelijk tot het veld 'lichaam' behoren. De conceptuele metafoor lichaam als huis kan op zijn beurt op ver-schillende manieren in de taal gerealiseerd worden waarbij het woord 'huis' al dan niet wordt gebruikt. Men vergelijke bijvoorbeeld de diverse literaire voorbeel-den van metaforen die alle realisaties zijn van deze conceptuele metafoor: 'Mijn lichaam is een huis' (Bontridder), 'huizen vieren haat' (Bontridder), 'mijn huid staat op een kier' (Lucebert), 'ik sta als een huis op de wereld' (Kouwenaar).

De conceptuele metafor lichaam als huis kan verder een beginveld worden voor andere blends, zoals voor 'innerlijk behang' in de titel van Hans Lodeizens bundel, met input I: lichaam als huis, input II: 'gemoedstoestand', en in de generic space: 'binnen' en 'buiten'. Wanneer we het lichaam beschouwen als een huis dat een binnenkant en een buitenkant heeft, is het uiterlijk van de mens zijn buitenkant en zijn innerlijk de binnenkant. Wanneer de concepten 'lichaam' en 'huis' zijn geïntegreerd, kunnen verdere verbanden worden gelegd: zoals het behang de binnenkant van het huis bekleedt, 'bekleedt' zijn gemoedstoestand zijn innerlijk. In het mentale proces van elaboration kan de blend 'innerlijk behang' daarom als 'gedachten en gevoelens' worden geïnterpreteerd. De blend is een emergente structuur met nieuwe mogelijkheden die in de oorspronkelijke velden niet bestonden: 'In metaforische integraties heeft dit samengestelde veld vaak een fenomenologische waarde, als een adequatere verbeelding van een menselijke er-varing' (Bernaerts 2009, pp. 36-37). De drie andere mentale operaties die in het proces van conceptuele integratie worden uitgevoerd, zijn: composition, completion en compression (vergelijk Coulson & Oakley 2000; Fauconnier & Turner 2002). De twee genoemde voorbeelden - lichaam als huis en 'innerlijk behang' - ver-duidelijken ook het verschil tussen de conceptuele metafoor en de blend. Dat vloeit voort uit de verschillen tussen de Conceptual Metaphor Theory (CMT) en haar uitbrei-ding, de Blending Theory (BT), die door Grady, Oakley en Coulson op de volgende manier worden samengevat:

CMT posits relationships between pairs of mental representations, while blending theory (BT) allows for more than two; CMT has defined metaphor as a strictly directional phenomenon, while BT has not; and, whereas CMT analyses are typically concerned with entrenched conceptual relationships (and the ways in which they may be elaborated), BT research often focuses on novel conceptualizations which may be short-lived (Grady, Oakley & Coulson 1999, p. 101).

Terwijl de CMT eerder versteende metaforen onderzoekt, kan de BT ook de pro-ductie en de werking van 'one-shot'-metaforen verklaren. Illustratief daarvoor is bijvoorbeeld het volgende fragment uit Pieter Boskma's gedicht 'In doorschijnend nachtgewaad':

er is een buurman die met een geslepen tondeuse de waterleiding openboort omdat hij denkt dat zijn huis zijn lichaam is bonkend van bloeddruk tweehonderdtwintig (Boskma 2006, p. 39)

De elementen uit de twee domeinen van de conceptuele metafoor lichaam als huis zijn 'waterleiding' en 'aderstelsel' (opgeroepen door 'bloeddruk'). Deze metafoor vormt een soort denkkader voor de blend die dit gedichtfragment laat zien. De aderlating wordt in deze blend samengesteld (composition) met het openboren van de waterleiding. Vanuit onze kennis dat aderlatingen als geneesmiddel werden gebruikt, vullen we het beeld aan (completion): het openboren van de waterleiding door de buurman is waarschijnlijk verbonden met de reparatie van zijn huis. Elaboration biedt een verklaring voor de blend: mogelijk zijn de waterbuizen ver-roest of verkalkt en zo vernauwd als de bloedvaten door aderverkalking. Ze moe-ten worden opengemaakt om de herstelling te bevorderen. Vanuit de motivatie van de buurman (hij voert de reparatie uit omdat hij denkt dat zijn huis zijn lichaam is) kan zijn gehechtheid aan zijn huis worden verklaard. Hij is vergroeid met zijn huis en wil het helpen op dezelfde manier als het menselijke lichaam geholpen wordt.

Voor compression als mentale operatie is de regel 'de deur behoedt het huis' uit het gedicht van Lizzy Sara May (1978, p. 30) illustratief, waarin de informatie ge-comprimeerd is: de deur behoedt het huis, maar mogelijk ook de mensen die in het huis wonen. Een ander voorbeeld vindt men bij Charles Ducal: 'De kachel steekt brieven in brand' (1987, p. 26). Het kan worden verondersteld dat de brie-ven die in de kachel verbranden, door een mens in brand gestoken zijn. Als mentale operatie is compression eveneens met de metonymische samentrekking verbonden. De eerder genoemde regel 'mijn huid staat op een kier' uit Luceberts gedicht 'horror' is hiervan een voorbeeld.

Literaire teksten als complexe blends

Met betrekking tot literaire teksten spreekt men van complexe blends. Stockwell (2002, p. 125) beschouwt fragmenten van narratieve teksten, de ervaring van de lezer, de kennis van maatschappij en cultuur en de literaire allusies allemaal als velden (input spaces) die in de blend worden geïntegreerd. Hij stelt onder andere voor om het proces van de conceptuele integratie met betrekking tot intertekst-

ualiteit te analyseren (Stockwell 2002, p. 126). Literaire teksten halen de verhalen, personages, setting, thema's enzovoort uit hun oorspronkelijke milieu en bren-gen ze samen in een nieuwe tekst, die kan worden beschouwd als een blend die een nieuw leven begint te leiden. Deze nieuwe structuur (emergent structure) leidt vaak tot een herleving, herwaardering en/of verder doordenken van de oorspronkelijke elementen uit de afzonderlijke velden (input spaces); dit stemt overeen met het dynamisch netwerk van Fauconnier en Turner, waarin bijvoorbeeld verschil-lende structuren vanuit de blend terug naar de inputs worden geprojecteerd.

Margaret Freeman vat de literaire tekst, in het bijzonder het gedicht, eveneens op als een complexe blend:

The poem as a whole creates what I call a 'complex blend'. A complex blend refers to the process by which multiple blends create 'optimality crossovers' into each other's input spaces when 'running' the blend. A poem is also a complex blend in the sense that its possible interpretations are not always immediately apparent; the reader must actively work to understand the nature and relations of its cross-space connections (Freeman 2005, p. 29).

Door verschillende blends in het gedicht te analyseren zijn we in staat, aldus Freeman, om tussen de in het gedicht gepresenteerde beelden, die op het eerste ge-zicht merkwaardig en ongewoon lijken, toch een zekere coherentie te herkennen. Die coherentie is niet gebaseerd op een objectieve samenhang in de reele wereld, ze is 'the result of processing the various metaphorical mappings that combine in the complex blend that is the poem' (Freeman 2005, p. 28).

Huisbeelden

De beelden van het huis worden in de poezie door middel van twee hoofdmecha-nismen gecreeerd: de metafoor en de metonymie. Ter verduidelijking geef ik hier kort twee voorbeelden uit een groot gamma van gedichten met huisbeelden. Bij Eva Gerlach lezen we de volgende metaforische regel: 'Het huis doet zijn huid om ons dicht' (1987, p. 65). Het huisbeeld dat hier verschijnt, is meerduidig. Gaat het om de vergroeiing van mensen met het gebouw waarin ze allang wonen? Of wordt hier het gevoel van verstikking verwoord dat de twee mensen in altijd het-zelfde huis ervaren in elkaars aanwezigheid? De metafoor zelf verdient eveneens aandacht: het huis wordt als een lichaam voorgesteld, met alle interpretatieve mo-gelijkheden van dien. Soms worden er in de poezie huisbeelden gecreeerd waarbij het woord 'huis' niet expliciet wordt gebruikt maar enkel metonymisch opgeroe-pen. Bij Ward Ruyslinck luidt het bijvoorbeeld:

Uw hand is zacht gebleven, vrouw, die met mij huist onder het vuurrood dak van beuken die nooit zwijgen,

maar het bewegen van uw hand is hard en stram

geworden en uw woorden blaast gij in de haard.

(Ruyslinck 1952, p. 15)

Het huis is hier echter meer dan de fysieke ruimte die door woorden als 'huist', 'dak', 'vrouw', 'haard' verschijnt. De personages en de tijd bepalen eveneens het huisbeeld. Het woord 'stram' roept ouderdom op en de context van het hele gedicht versterkt deze associatie. Het gaat in het gedicht om de identiteit van de twee als echtpaar met elkaar vergroeide personages, die mettertijd als individuen echter op uiteenlopende manieren veranderen, evenals om de identiteit van de ik die tegenover de identiteit van de ander wordt gesteld en als het ware daaraan wordt getoetst. Al deze elementen samen maken het huisbeeld uit.

Overzicht van de huisbeelden in de moderne Nederlandstalige poëzie

Het nu volgende overzicht van huisbeelden is chronologisch per decennium geor-dend. Het overzicht is gebaseerd op een corpus gedichten dat de periode 19502012 bestrijkt. Doorslaggevend voor de opname van een specifieke dichter bij een bepaald decennium was zijn/haar debuut of een latere bundel waarin huisbeelden rijkelijk vertegenwoordigd zijn. Een kwalitatief principe werd hierbij niet gehan-teerd. Die uitgangspunten resulteren dan ook in een breed overzicht waarin dichters uit de canon fungeren naast veelal vergeten figuren, die uit het vergeetboek van de Nederlandstalige poëzie opgediept zijn.5 Bij de uiteindelijke selectie van het zeer omvangrijke materiaal zijn voornamelijk dichters uit de boot gevallen die meestal niet meer dan een dichtbundel in eigen beheer hebben uitgegeven. Meer en minder bekende dichters die slechts hoogst sporadisch in hun oeuvre huisbeelden hanteren, zijn uiteraard ook niet opgenomen. De gedetailleerde analyses van gedichten met huisbeelden, met toepassing van de Blending Theory, maken een belangrijk deel uit van het onderzoek waarvan hier slechts een summier overzicht kan worden gepresenteerd.

In het onderzochte corpus heb ik met name de volgende metaforische blends onderzocht: lichaam als huis, gedicHt als huis, tAAL als huis, poëzie als huis, wereLd als huis, vrouw als huis, grAf als huis, Herinnering als huis, god als huis, huis als lichaam, huis als wereLd, huis als ruiMte, huis als toneeL. Deze blends geven al een oriëntatie met betrekking tot de huisbeelden die in de poëzie ontdekt kunnen worden. In specifieke gedichten worden de verschillende blends echter verder geïntegreerd, zowel met elkaar als met andere concepten wat tot een ongemene rijkdom en complexi-teit van de huisbeelden leidt. In deze bijdrage geef ik enkel een globaal overzicht van de huisbeelden in de moderne poëzie.

De jaren vijftig

In de huisbeelden uit de jaren vijftig domineert de conceptuele metafoor li-chaam als huis. Die wordt gebruikt door zowel de Vijftigers en de 'Vijfenvijf-tigers' als door de dichteressen van de Grote Melancholie. De invulling van deze conceptuele metafoor is telkens verbonden met de existentieie eenzaamheid en met de vervreemding van het eigen lichaam, van de eigen leefomgeving en van de ander die ook in zichzelf wordt herkend. De conceptuele metafoor lichaam als huis wordt bij de experimentele dichters vaak geintegreerd met de conceptuele metafoor gedicht als huis. De integratie van die twee metaforen levert poeti-cale gedichten op over het scheppingsproces en de dichterlijke identiteit. Het gedicht wordt, net zoals het lichaam, tot een ruimte waar de ik als lichaam-subject een relatie met de buitenwereld aangaat - zoals dat bijvoorbeeld pregnant wordt uitgedrukt door Kouwenaar: 'ik ben ongeveer degene / die schuilgaat binnen de muren / en uitvloeit achter de ramen' (1982, p. 94) - of althans probeert aan te gaan, zoals bij Bontridder: 'Mijn lichaam is een huis waar een gebocheld kind / gevangen zit aan wit-gekalkte ruiten / waar het de woorden zegt die niemand hoort' (1973, p. 88). De pogingen tot communicatie zijn mogelijk te verklaren ook vanuit het feit dat deze gedichten, als blends van de twee genoemde conceptuele metaforen, 'onbewoonbare huizen' (Claus 1994, p. 90), 'niemands huis' (El-burg 1975, p. 148) of 'de cel' (Bontridder 1973, p. 86) blijken waar men zich on-mogelijk thuis kan voelen.

In de poezie uit de jaren vijftig manifesteren zich eveneens verschillende andere metaforen op basis van het concept huis, waaronder huis als wereld en wereld als huis. Terwijl het eerste schema wordt gehanteerd door vrouwelijke dichters die zich in hun eigen lichaam en hun eigen huis niet langer thuis voelen en wier poezie het ongenoegen uitdrukt over de aan de vrouw in de naoorlogse samenleving opgelegde rolpatronen, komt de metafoor wereld als huis vooral voor in de gedichten van de Vlaamse Vijfenvijftigers. Zij voelen zich net thuis in 'de wereld van de elementaire kosmische verbanden', zoals die door Rodenko (1956, p. 182) wordt gekarakteriseerd. In hun poezie wordt dit concept geintegreerd met de metaforen vrouw als huis en gedicht als huis, die, zoals bij Paul Snoek, vaak met erotiek en creativiteit worden verbonden. Klein geluk en burgerlijke huiselijkheid zijn in de huisgedichten uit dit decennium nauwelijks terug te vinden, zelfs niet bij meer traditionele Vlaamse dichters als Julia Tulkens, Ward Ruyslinck of Fernand Florizoone. Het huis verschijnt bij hen als een unheimliche ruimte, die weliswaar van geluk maar tezelfdertijd ook van existentiele ang-sten vervuld is. Het betreft hier wel beeiden van een traditioneel gezin, en een traditionele famiiie als uitbreiding daarvan, mensen die zich niet aitijd comforta-bei maar wel op hun piaats voelen. God en geioof zijn niet opdringerig, maar wel als vanzeifsprekend aanwezig.

De jaren zestig

In de poëzie uit de jaren zestig, die ambieert om zelf werkelijkheid te worden, domineert de conceptuele metafoor gedicht als huis. Het gaat daarbij ener-zijds om het gedicht in zijn materialiteit, als een object dat op papier bestaat en uit woorden is gemaakt, anderzijds om een in de fysieke ruimte gebouwd huis waar men zich thuis voelt. De integratie van de twee op die manier ingevulde inputs 'gedicht' en 'huis' levert gedichten op waar het woord 'huis' niet gebruikt hoeft te worden omdat het gedicht een vanzelfsprekend huis is, opgetrokken door zijn maker, de ik-figuur, de dichter. De lezer wordt door de ik geactiveerd om eveneens deel uit te maken van de ruimte in het gedicht-huis: 'Kom er maar in, lezer, maak het je / gemakkelijk, struikei niet over de / zinsbouw en over de uit-geschopte schoenen, / gaat u zitten' (De Coninck 1999, p. 69). Het middel bij uitstek waarop zich de dichters van deze poëzie beroepen, is niet de (huis)meta-foor, maar een ander conceptueel mechanisme, de metonymie.

Interessant is de bijdrage van de dichteressen uit dit decennium. De ontwrich-tingen van taal- en denkciichés die Judith Herzberg in haar gedichten demon-streert, zijn verbonden met een onverwachte invulling van de gangbare metafori-sche blends, zoals bijvoorbeeld vrouwals huis. Het spel met deze metafoor, die door manneiijke dichters doorgaans met voorspelbare erotische inhouden wordt gerealiseerd (Paul Snoek, Patrick Conrad), laat de lezer een ander perspectief aan-nemen en opnieuw naar de vertrouwde werkelijkheid en de alledaagse, schijnbaar bekende fenomenen kijken. De ontwrichting bij Neeltje Maria Min berust op het problematiseren van de moeilijke relaties in het gezin, die door de betrokken spreekinstantie in de ruimte van het enigszins unheimliche huis worden waargeno-men en in een mysterieus aandoende taal worden vastgelegd. Vooral door deze dubbele geheimzinnigheid wordt de ruimte van het gedicht met de ruimte van het huis geïntegreerd.

De beeiden van het huiselijke leven zijn met name in de gedichten van Kees Winkler te vinden, die rechtstreeks in de traditie van de negentiende-eeuwse huiselijke poëzie staan. Zijn thematiek weerspiegeit de twintigste-eeuwse huiseiijk-heid:6 de scheiding en een tweede huweiijk, biijheid om de nieuwe auto en de gehechtheid aan de kat, die in een verjaardagsvers vereeuwigd wordt. Verder vai-ien uit de gedichten in deze periode, ook van meer gevestigde dichters ais Bernlef, vaste patronen af te iezen waariangs het huishouden in Nederiand in die tijd ver-ioopt. Bij Kopiand vioeien de huisbeeiden voort uit refiecties over aigemeen-men-seiijke thema's die vanuit een persooniijk perspectief worden benaderd (het op-groeien van de kinderen, de dood van famiiieieden, het zoon-zijn en vader-zijn). De Viaamse dichters (Hugo Ciaus, Stefaan van den Bremt) ieveren door middei van huisbeeiden ook kritiek op de burgeriijkheid en de bekrompenheid van de Viamingen voor wie 'eigen huis en de Teevee' (Ciaus 1994, p. 498) dé waarden zijn om hun eigen zeifgenoegzaamheid te verdedigen. Een van de typische feno-

menen van die tijd, de opkomende consumptiemaatschappij, ondergaat bij uitstek een dergeiijke kritiek in de gedichten van Roiand Jooris. De pogingen om zich ios te maken van het ouderiijk huis ais een ciuster van traditioneie normen en waar-den zijn in de woeiige jaren zestig ongetwijfeid een actueei onderwerp geweest; daarvan kan de iezer in de vroegste poezie van Leonard Noiens een giimp opvan-gen.

De jaren zeventig

De beiangrijkste conceptueie metaforen die in de poeticaie en andere gedichten uit de jaren zeventig geintegreerd worden, zijn lichaam als huis, gedicht als huis en graf als huis. Die integratie resuiteert in ievens- en kunstbe-schouwingen die nauw met de neoromantiek verbonden zijn. Het iichaam wordt gezien ais de 'gesioopte ruimte' (Vercammen 1976, p. 361) die de dode veriaat. De gedachte aan de dood en de vergankeiijkheid is aiomtegenwoordig. In traditione-ie poezie ais die van Jan Vercammen wordt de overwinning geponeerd van het transcendente, het eeuwige en het immaterieie (zoais het woord, het geioof in het hiernamaais) op het aardse, het tijdeiijke en het materieie (het iichaam, het huis). De huid ais huis, een iichaam dat een huis kan zijn om zich thuis en vrij in te voeien, is bij Miriam van Hee, net zoais in de poezie van Rutger Kopiand uit dit decennium, een beieving die wei voor de dieren, maar niet voor de mens is weg-geiegd: 'ook bij de dieren zuiien wij / niet thuishoren - wat ons ontbreekt / is een veiiige peis, / het geiuid van vieugeis' (Van Hee 1980, p. 45). Dit uitgangspunt heeft de conceptueie metafoor herinnering als huis tot gevoig, waar het huis siechts in de herinnering of ais een veriangen mogeiijk is. De iiiusie die met de metafoor god als huis verbonden is, wordt onverbiddeiijk biootgeiegd.

Blending van de inputs lichaam als huis en gedicht als huis resuiteert bij Jotie T'Hooft en Luuk Gruwez in een visie op poezie die teruggrijpt naar de romantiek en die te begrijpen vait ais tegeiijk dichterschap en ievenshouding: 'mijn iichaam was aitijd een toren zonder uitkijk. / Ik heb hem steen voor steen in foiianten gepend / [...] De stenen die ik uit de wand verwijderd heb / zijn de woorden waar ik dit gedicht mee schep' (T'Hooft 2010, p. 736). graf als huis is daarnaast veeivuidig gebruikt door Gruwez ('Waarom is het graf / het stiiste huis om in te wonen?' 1977, p. 40) en geintegreerd met andere blends met 'huis' ais input, net zoais in de poezie van Bernief.De reiatie van de ik tot zijn huis en gezin is in dit decennium eveneens nauw verbonden met de gedachte aan vergan-keiijkheid. De verstrengeiing van de menseiijke vergankeiijkheid en de tijdeiijk-heid van het huis ais gebouw wordt door middei van de conceptueie metafoor huis als lichaam overgebracht, zoais in de cycius 'Siakkengang' van Bernief. De dreigingen die de modernisering en de technische ontwikkeiingen met zich meebrengen, worden in de poezie aangesneden via het beeid van huizen die ver-dwijnen. Het huis dat er niet meer is of een huis uit de herinnering bieden meer

thuisgevoel dan de nieuwe huizen, die in het veranderende landschap als een twijfelachtig decor worden ervaren (Willem van Toorn). Deze vervreemding wordt onder andere geconceptualiseerd door middel van de metafoor huis als to-neeL: 'Spel van een huisgezin / wordt gespeeld hierbinnen' (Van Toorn 2001, p. 84).

De jaren tachtig en negentig

Aan het begin van de jaren tachtig worden in de poëticale en andere gedichten dezelfde huisconcepten en conceptuele metaforen aangewend als in de jaren ze-ventig. Door de verlate vertegenwoordigers van de neoromantiek worden deze concepten verwoord in een taal waarin de neoromantische kunstbeschouwing voortleeft. Hetzelfde stellen we vast in verband met het beeld van het huis in rela-tie tot de maatschappij. De bezorgdheid om de aantasting van het milieu wordt in de jaren zeventig een van de grootste maatschappeiijke bekommernissen. Ook de woningnood in letterlijke zin en de demografische ontwikkelingen zijn af te lezen uit beeiden van mensen die als 'grootstedeiijke mieren' (Kooistra 1980, p. 4) in de flatgebouwen wonen. De vervreemding van de moderne mens wordt in direct verband gebracht met zijn letterlijke ontworteiing; dat verkiaart waarom de boerderij als 'het huis van de ievenden' (Kooistra) wordt voorgesteid. Ook in de natuur wordt gezocht naar herbronning, wat zich onder andere manifesteert in het ge-bruik van metaforische blends ais boom als huis en wereLd als huis. Het ongenoegen over de moderne ontwikkeiingen activeert in de poëzie de gedachte aan het 'onirische huis' zoais dat door Gaston Bacheiard (1975D1946]) is beschre-ven. Dit resuiteert in gedichten waarin het veriangen naar het veiiige huis uit het verieden en de verioren gegane harmonie van mens en wereid wordt gethemati-seerd.

Het beeid van de jaren tachtig wordt echter bepaaid door (voorai Viaamse) dichters die taaigericht zijn. Het is dan ook geen toevai dat tAAL als huis de dominante metaforische blend is in dit en in het voigende decennium. Hij wordt in de gedichten geïntegreerd met andere concepten ais bijvoorbeeid Moeder bij Ducai in het gedicht 'Moedertaai': 'Je handen houden mijn vingers omsioten. / Ik ben een kamer. Jij bent het huis' (1987, p. 37), of vrouw bij Noiens: 'Wat kan ik voor je doen, ik heb aiieen maar woorden. / Met die muziek heb ik ons huis ge-bouwd' (2004, p. 457). Het beeid van gediCHt als huis wordt grotendeeis ver-vangen door het beeid van tAAL als huis. Op die manier komt er een verrui-ming en een universaiisering van de poëzieopvatting tot stand: poëzie biijft ais het ware niet ianger beperkt tot het gedicht, ze breidt zich uit via de taai tot over de grenzen van een specifiek artefact.

Ook de conceptueie metafoor lichaam als huis kent een verruiming: het gaat niet enkei om een iichaam-subject zoais in de experimenteie poëzie, niet om een met het iichaam waarnemende ik-dichter die in de vanzeifsprekende ruimte

van het gedicht-huis opereert zoals in de neorealistische poëzie, en ook niet om het lichaam-huis als een nietig omhulsel (neoromantiek), maar om al die aspec-ten tegelijk. Het betreft een zo volledig mogelijk opgevatte menselijkheid. Dit ma-nifesteert zich in het gebruik van de metafoor mens als huis die naadloos in huis als mens overgaat, want niets lijkt in de taal nog onmogelijk. Bij Van Bastelaere lezen we bijvoorbeeld: 'Maar ik kan dat zelfde huis niet meer in / Om-dat het, steeds minder zichzelf, mij heeft verlaten. Zo vaart de wereld: men wordt / Nooit twee keer door dezelfde regen omspoeld' (1988, p. 60). Het spel met de orde en de 'normale' gang van zaken (niet de ik verlaat het huis, maar het huis verlaat de ik) is eveneens een spel met de twee conceptuele metaforen huis als mens en mens als huis. De taal vermag eveneens de relatie ik-huis van haar taboe te ontdoen, net zoals dit in de maatschappelijke werkelijkheid gebeurt. In de poëzie uit de jaren tachtig en negentig verschijnen beeiden van gewonde hui-zen uit de kindertijd (Esther Jansma, Neeitje Maria Min) en beeiden uit bejaarden-tehuizen (de reeks 'Tehuis' van Bernard Dewuif in Twist met ons). Metaforische blends als liefde als huis, herinnering als huis en moeder/vrouw als huis, waarmee tot dan toe de traditioneie normen en waarden (zoals het huweiijk, de roi van de vader als hoofd van het gezin, en van de moeder als be-waakster van de huiseiijkheid) werden geconceptuaiiseerd, worden nu op een andere manier gehanteerd en veeiai ironisch ontmanteid: 'Zij is [...] een wet die het huis doet bestaan / uit ondergoed' (Ducai 1987, p. 13). De reaiisaties in de taai zijn ontwrichtend en ontmaskeren de conventies die veeiai met deze metaforen ge-paard gaan, waardoor kindermisbruik, huiseiijk geweid en echtscheiding ook tot de poëtische orde van de dag gaan behoren (Ducai, Jansma, Min). In de huisbeei-den uit de jaren negentig vormt het doorbreken van taboes niettemin eerder een regei dan een uitzondering. Siechts zeiden wordt het taboe omzichtig aangesne-den, zoais in het gedicht 'Het huis met de viiezen' in de bundei Een nieuw afscheid (1994) van Anna Enquist.

De huisbeeiden in de poëzie uit de jaren negentig worden gedomineerd door Noord-Nederiandse dichteressen. In hun poëzie kan eveneens een verruiming worden vastgesteid die haar worteis vindt in een conceptuaiisering van het huis ais een onbeperkte ruimte, verbonden met metaforen ais huis als ruimte en wereld als huis. Die verruiming manifesteert zich in hun poëzie eveneens door het gebruik van uiteeniopende taiige categorieën van het concept huis: 'go-denpaieis' en 'heiiigdom', maar ook 'ruïne' en 'zerk' (Hester Knibbe). Het ge-bruik van deze categorieën is verbonden met de verdere integratie van verschii-iende inputs, zoais onder meer graf als huis en dood als huis.

Begin van de eenentwintigste eeuw

De eenentwintigste-eeuwse poëzie over het huis onttrekt zich geregeid aan de iyrische en iogische conventies en is opgebouwd uit beeiden die tegen eikaar bot-

sen en op het eerste gezicht moeilijk met elkaar te rijmen zijn. AI de tot hiertoe besproken metaforische blends worden verder aangewend en geintegreerd, maar ze resulteren vaak in onverwachte wendingen in de taal. Dit is veelal verbonden met de eigenschappen van het concept Huis en andere concepten, die vaak ver-schiIIen van de gangbare conventioneIe voorsteIIingen die aan deze concepten worden gekoppeld. Zo gaat het bijvoorbeeld in de talige realisatie van de metafoor LiCHAAM als Huis niet langer in eerste instantie om de mens, maar om het dier ('Een wolf / is als een huis', Spinoy 2002, p. 11). Voorts gebeurt de conceptuele integratie springerig zoals bij filmbeelden: de meest uiteenlopende mentale ruim-tes worden bruusk met eIkaar in verband gebracht. De blends met dezeIfde inputs vloeien regelmatig, en niet sporadisch zoals in de poezie uit de jaren zeventig, in elkaar over. Het is onmogelijk nog precies aan te wijzen waar in de taal een van deze blends ophoudt en de andere begint. De integratie van de, vanuit Iogisch standpunt bekeken, van elkaar verschillende metaforische blends als bijvoorbeeld poezie als Huis en Huis als poezie in de cyclus 'Biotoop' in Santander van Peter Holvoet-Hanssen verloopt ogenschijnlijk vanzelf in de uiterst vluchtige taal. De habitat van de vos-mens wordt al in het eerste gedicht uit de cyclus 'Fox on the run 2000' in verband gebracht met de dichterlijke activiteit:

Vandaag vang ik een sprinkhaan of een muis. Loop als een kat achter mijn staart. Maak van proza poezie. 'Het beest in de mens bouwt een huis' of zoiets. Luchtiger maar niet opgeklopt, een karavanserai - of graaf helemaal zelf een nest, bekleed het met uitgelezen verzen voor mijn liefste. 's Nachts waak ik bij de uitgang. Een kudde ziIverwitte woIken met bIauwe weerschijn drijft voorbij.

Breng stilte en veiligheid - als een vredig slapende wolkenpluis naar binnen. Daar ligt zij op een tapijt van haar. (Holvoet-Hanssen 2001, p. 9)

Het huisbeeld dat hier verschijnt, is enerzijds dat van het huis van een vos: een hoI, een nest. Anderzijds en tegeIijkertijd is het een uit woorden gemaakt en met woorden ('uitgelezen verzen') bekleed huis. De traditionele erfenis van de poetische beeldspraak kan een vers als 'Een kudde zilverwitte wolken met blauwe weerschijn drijft voorbij' niet verloochenen. Het traditioneel huiselijke wordt in de daaropvolgende verzen gesuggereerd: 'stilte en veiligheid', zij die binnen ligt en voor wie de 'ontboezemingen in het vossenvel' (Holvoet-Hanssen 2001, p. 10) zijn bestemd. De reflectie op creatie (bouwen, maken) begint met de zin 'Maak van proza poezie.' In de volgende verzen wordt het prozai'sche van het huis tot poezie gemaakt. Deze zin kan geIezen worden aIs een taIige manifestatie van de conceptuele metafoor Huis als poezie. Er is sprake van bouwen als een basaal werk, en er is sprake van de vroeger zeIf gecreeerde poetische beeIden naar bin-

nen brengen. De vos en zijn iiefste wonen in dit huis, dat in het daaropvoigende gedicht 'vossenburcht' (p. 10) wordt genoemd. 'Vossenburcht' kiinkt hoger dan een hoi of nest uit het vorige gedicht, en ais zodanig is het verbonden met het domein 'poëzie', traditioneei beschouwd ais hogere kunst. De vos ais verhaaifi-guur, nog sprookjesachtiger gemaakt door de vergeiijking met Peter Pan in het-zeifde gedicht, wordt tot 'een echte man' (p. 10), want de vos en zijn iiefste krij-gen een kind: 'Wie niet zoekt die vindt, zo krijg je zoais ik een kind dat zingt / over indianen' (p. 10). Met de komst van het kind verkrijgt het ieven, net zoais dit vers, een snei, vast ritme. Het ritme maakt op zijn beurt poëzie van het proza. De twee domeinen 'huis' en 'poëzie' iopen door eikaar, zijn met eikaar verviochten. Het is nauweiijks nog mogeiijk om duideiijk te bepaien waar de conceptueie me-tafoor huis ais poëzie ophoudt en waar poëzie ais huis begint.

Er duiken echter ook nieuwe huisbeeiden op, of aithans beeiden die nieuw zijn in de tijdspanne die in deze bijdrage behandeid wordt. Ze zijn verbonden met de metafoor laNd ais huis. Deze metafoor is verbonden met de traditioneie sym-boiiek van het huis, waar het huis staat voor het vaderiand en wordt in eerste instantie geassocieerd met het opkomende nationaiisme van de negentiende eeuw dat in de Nederiandstaiige poëzie van na 1945 vrijwei niet meer voorkwam. Zo fungeert 'het huis van mijn jeugd' in het gedicht van Ad Zuiderent 'Veertien Poien' in de bundei We konden alle kanten op (2011) ais metafoor voor Nederiand dat door steeds meer immigranten wordt bewoond. Een andere metafoor die in het poëtische iandschap van het jongste decennium steevast aan beiang heeft gewonnen, is europa ais huis. Dit is verbonden met de historische en maatschappe-iijke ontwikkeiingen in de eenentwintigste eeuw. Op basis van het beeid van het 'Europees huis' dat door poiitici en de media wordt gecreëerd ais gemeenschap-peiijk goed, kan deze metafoor ais een variant op iaNd ais huis worden beschouwd. De conceptueie metafoor europa ais huis manifesteert zich duide-iijk in de geëngageerde poëzie van Ramsey Nasr (bijvoorbeeid in zijn gedicht 'het huis van europa' in de bundei Mijn nieuwe vaderland, 2011), maar is eveneens aan-wezig in de poëzie van Hagar Peeters en Ad Zuiderent. Voorts kan worden vastge-steid dat in de eenentwintigste-eeuwse poëzie via huisbeeiden een grote desoriën-tatie en machteioosheid van het individu naar voren treedt. In de poëzie van geëngageerde dichters wordt hier de maatschappeiijke vraag opgeroepen naar europa ais huis: 'voor wie zai Europa een huis worden en wie en hoe zai dit huis definiëren?' (Moriey 20ii[2000], p. 284).

Besluit

In de moderne poëzie, voornameiijk die van de jongste drie decennia, vait vaak niet meer te onderscheiden wat ietteriijk en wat figuuriijk wordt gebruikt, wat referentieei is en wat niet. Dit ievert een probieem op voor de kiassieke metafoor-theorieën omdat ze de spanning tussen ietteriijk en figuuriijk taaigebruik neutra-

huisbeeLden in de moderne nederLandstaLige poEzie

liseren. De Blending Theory stelt deze spanning juist centraal, net zoals de moderne poezie zelf dat doet. Daarnaast zijn de traditionele metafoortheorieen op geisoleerde metaforen gebaseerd, terwijl de Blending Theory het hele netwerk van meta-foorsystemen tracht te bestrijken. Men kan daarom stellen dat in de moderne poezie de conceptuele integratie centraal staat.

In deze bijdrage werden de huisbeelden in de Nederlandstalige poezie van na 1945 onderzocht. De hamvraag aan het begin was die naar de evolutie van de huisbeelden in de loop der jaren. Deze evolutie is, zoals uit het beknopte over-zicht bleek, verbonden met de manier waarop het huis in de poezie wordt gecon-ceptualiseerd. Bepaalde eigenschappen, waarden en gevoelens worden aan het concept Huis in sommige decennia wel (als primair, als secundair), in andere decennia daarentegen niet toegekend. In de verschillende decennia worden sommige conceptuele metaforen frequenter gebruikt dan andere. Bepaalde regelma-tigheden die kunnen worden geobserveerd, zijn verbonden met zowel de al dan niet evoluerende individuele poetica's als met poeticale opvattingen en de maat-schappelijk, religieus, cultureel en politiek bepaalde denkbeelden die door verschillende dichters in een periode worden gedeeld.

1. Deze bijdrage is een bewerkte versie van de lezing gehouden op 28-08-2012 tijdens het achttiende Colloquium Neerlandicum in Antwerpen. Het is tevens een summier over-zicht van een ruimer onderzoek dat als boek in de reeks Lage Landen Studies is gepubli-ceerd: Irena Barbara Kalla, Huisbeelden in de moderne Nederlandstalige poezie, Gent 2012.

2. Blending theory is nauwelijks in het Nederlands toegelicht. Om de terminologische ver-warring te vermijden neem ik de Engelse termen over. Verder hanteer ik termen als 'veld', 'samengesteld veld' en 'geintegreerd veld' naar het voorbeeld van Lars Bernaerts (2009).

3. Niet alle blends zijn echter metaforisch; zie hiervoor Geeraerts (2010, p. 213) en Grady, Oakley en Coulson (1999).

4. Lakoff en Johnson gebruiken in Metaphors we live by 'is' als verbinding in elke conceptuele metafoor die ze analyseren. Naar het voorbeeld van Günter Radden (2005) hanteer ik echter 'als' als voegwoord. 'is' suggereert immers te sterk een een-eenrelatie terwijl in de blends zelden of nooit alle verbindingen tussen de velden worden gebruikt; enkel de passende elementen uit de beginvelden worden doorgaans met elkaar verbonden.

5. Het is onmogelijk om in het bestek van deze bijdrage alle dichters en alle dichtbundels te noemen uit het corpus op basis waarvan dit summiere overzicht is samengesteld. De geinteresseerde lezer verwijs ik naar de monografie Huisbeelden in de moderne Nederlandstalige poezie waarop dit artikel is gebaseerd (zie noot 1).

6. De bestanddelen van het negentiende-eeuwse concept 'huiselijkheid' zijn uiteraard niet tot het huiselijke (burgerlijke) leven beperkt. Huiselijkheid was evenwel verbonden met vaderlandsliefde en de gulden middelmaat: 'Das Adjektiv "huiselijk" wird während dieser Zeit zur Chiffre für die bürgerlichen Kardinaltugenden. Es bekommt drei zusammenhängende Konnotationen zugewiesen: Erstens erhält es die Mitbedeutung "haushälterisch", "ökonomisch" im Sinne der überkommenen Lehre vom Ganzen Haus; zweitens verweist es auf vaterländische Tugenden und nationale Gesinnung und drit-

tens wird mit ihm das stoische Ideai der aurea mediocritas verbunden: der häusiiche Mensch findet Giück und Zufriedenheit in der eigenen Gemütsruhe' (Leuker 2001, pp. 55-56). Zie hiervoor ook de studie van Eiien Kroi over huiseiijkheid in de negentiende-eeuwse poëzie (Kroii 1997).

Bibliografie

Bacheiard, G., 'Dom rodzinny i dom oniryczny [La maison nataie et ia maison onirique]'. Vertaaid door H. Chudak & A. Tatarkiewicz. Wyobraznia poetycka. Warszawa, 1975, 301330.

Basteiaere, D. van, Pornschlegel en andere gedichten. Amsterdam, 1988.

Bernaerts, L., 'Nieuwe iiteraire stiiistiek en de iectuur van Ivo Michieis' experimenteie pro-za'. Handelingen uan de Koninklijke Zuid-Nederlandse maatschappij uoor taal- en letterkunde en geschiedenis, (63) 2009, 27-41.

Boiinow, O.F., Mensch und Raum. Stuttgart, 1963.

Bontridder, A., Gedichten 1942-1972. Antwerpen, 1973.

Boskma, P., Altijd weer dit leuen. Een keuze uit de gedichten. Samengesteid door Joost Zwager-man. Amsterdam, 2006.

Ciaus, H., Gedichten 1948-1993. Amsterdam, 1994.

Coninck, H. de, De gedichten. Amsterdam, 1999.

Couison, S. & T. Oakiey, 'Biending basics'. Cognitiue Linguistics 11, (3-4) 2000, 175-196. Laatst geraadpieegd op 4 maart 2013 op http://case.edu/artsci/engi/Library/Oakiey-CouisonBiendBasics.pdf.

Ducai, Ch., Het huwelijk. Amsterdam, 1987.

Eiburg, J., Gedichten 1950-1975. Amsterdam, 1975.

Eiiade, M., Sacrum i profanum. O istocie religijnosci [Le Sacré et le profane], 1956. Vertaaid door R. Reszke. Warszawa, 1999.

Enquist, A., Alle gedichten. Amsterdam/Antwerpen, 2005.

Fauconnier, G., Mental spaces: Aspects of meaning construction in natural language. Cambridge, 1994.

Fauconnier, G. & M. Turner, 'Biending as a centrai process of grammar'. Laatst geraadpieegd op 4 maart 2013 op http://markturner.org/centraiprocess.WWW/centraiprocess. pdf.(Uitgebreide en aangevuide versie van: 'Biending as a centrai process of grammar'. In A.E. Goidberg (red.), Conceptual structure, discourse, and language. Stanford, 1998, 113129.

Fauconnier, G. & M. Turner, Conceptual integration networks. Expanded web version, 10 February 2001. Laatst geraadpieegd op 4 maart 2013 op http://markturner.org/cin.web/ cin.htmi.

Fauconnier, G. & M. Turner, The way we think: Conceptual blending and the mind's hidden complexities. New York, 2002.

Freeman, M., 'The poem as compiex biend: conceptuai mappings of metaphor in Syivia Piath's "The Appiicant"'. Language and Literature 14, (1) 2005, 25-44. Laatst geraadpieegd op 4 maart 2013 op http://papers.ssrn.com/soi3/papers.cfm?abstract_id=i427828.

Geeraerts, D., Theories of lexical semantics. Oxford, 2010.

Geest, D. de, 'Onbewoonbare huizen zijn de woorden'. Notities rond een gedicht uan Hugo Claus uit Paai en perk. Leuven, i989.

Gerlach, E., Domicilie. Amsterdam, 1987.

Grady, J., T. Oakley & S. Coulson, 'Conceptual blending and metaphor'. R.W. Gibbs, Jr. et al., Metaphor in cognitive linguistics. Amsterdam, 1999, 101-124.

Gruwez, L., Ach, wat zacht geliefkoos om een mild uerdriet. Nijmegen/Brugge, 1977.

Hee, M. van, Binnenkamers en anderegedichten 1977-1980. Gent, 1980.

Holvoet-Hanssen, P., Santander. Ontboezemingen in het uossenuel. Amsterdam, 2001.

Kalla, I.B., 'Huisbeelden in de moderne Nederlandstalige poëzie'. Lage Landen Studies 4. Gent, 2012.

Kooistra, J., Het huis uan de leuenden. Groningen, 1980.

Kouwenaar, G., Gedichten 1948-1978. Amsterdam, 1982.

Krol, E., De smaak der natie. Opuattingen ouer huiselijkheid in de Noord-Nederlandse poëzie uan 1800 tot 1840. Hilversum, 1997.

Lakoff,G. & M. Johnson, Leuen in metaforen [Metaphors we liue by], 1980. Vertaald door M. van Dam. Nijmegen, 1999.

Leuker, M-T., Bürgerliche Häuslichkeit als literarisches Raumkonzept in niederländischer Erzählprosa des 19. und 20. Jahrhunderts. Jahrbuch 10/11, (1999/2000) 2001, 51-67.

Lieshout, T. van, Hou uan mij. Bijna alle gedichten en ueel beelden 1984-2009. Amsterdam, 2009.

May, L.S., Gebruikspoëzie. Amsterdam, 1978.

Morley, D., Przestrzenie domu. Media, mobilnosc i tozsamosc [Home territories: media, mobility and identity], 2000. Vertaald door J. Mach. Warszawa, 2011.

Nasr, R., Mijn nieuwe uaderland. Gedichten uan crisis en angst. Amsterdam, 2011.

Nolens, L., Laat alle deuren op een kier. Verzamelde gedichten. Amsterdam, 2004.

Radden, G., 'The metaphor time as space across languages'. E. Górska et al. (red.), Metonymy-metaphor collage. Warsaw, 2005, 99-120.

Rodenko, P., Tussen de regels. Wandelen en spoorzoeken in de moderne poëzie. Den Haag, 1956.

Ruyslinck, W., Het huis onder de beuken. Nederokkerzeel, 1952.

Spinoy, E., Boze woluen. Amsterdam, 2002.

Stockwell, P., Cognitiue poetics: An introduction. London, 2002.

Tabakowska, E., Metafora jako mechanizm dziaiania ludzkiego umysiu. Alma Mater 104105, 2008, 51-53. Laatst geraadpleegd op 9 februari 2011 op http://www.almamater.uj. edu.pl/104/14.pdf.

T'Hooft, J., Verzameld werk. Antwerpen, 2010.

Toorn, W. van, Gedichten 1967-1997. Amsterdam, 2001.

Vercammen, J., Verzamelde gedichten. Brugge, 1976.

Zuiderent, A., We konden alle kanten op. Amsterdam, 2011.