Scholarly article on topic 'Boekbespreking - Jan Stroop, Hun hebben de taal verkwanseld. Over Poldernederlands, ‘fout’ Nederlands en ABN. Amsterdam, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2010. 231 pp. ISBN 978 90 253 6743 5. € 17,95.'

Boekbespreking - Jan Stroop, Hun hebben de taal verkwanseld. Over Poldernederlands, ‘fout’ Nederlands en ABN. Amsterdam, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2010. 231 pp. ISBN 978 90 253 6743 5. € 17,95. Academic research paper on "Languages and literature"

0
0
Share paper
Academic journal
Internationale Neerlandistiek
OECD Field of science
Keywords
{""}

Academic research paper on topic "Boekbespreking - Jan Stroop, Hun hebben de taal verkwanseld. Over Poldernederlands, ‘fout’ Nederlands en ABN. Amsterdam, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2010. 231 pp. ISBN 978 90 253 6743 5. € 17,95."

Het is ook een aan specialisten gerichte uitnodiging om de aanpassing ervan in deze talen te onderzoeken.

Stanislaw Prçdota

Jan Stroop, Hun hebben de taal verkwanseld. Over Poldernederlands, 'fout'

Nederlands en ABN. Amsterdam, Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2010.

231 pp. ISBN 978 90 253 6743 5. € 17,95.

Het Nederlandse Nederlands in beweging: vooruitgang of achteruitgang?

Jan Stroops boek met de ophefmakende titel Hun hebben de taal verkwanseld gaat in hoofdzaak over kenmerken van het gesproken Nederlands dat vandaag de dag in Nederland te horen is. Het bevat vier hoofdstukken: 1. Tussen 'fout' en fout, 2. Spelling en Spraak, 3. Poldernederlands, 4. ABN en Standaardnederlands.

Ongeveer de helft van de stukjes die in dit boek gebundeld worden, zijn eerder verschenen in diverse kranten en tijdschriften, waaronder de Volkskrant, De Groene Amsterdammer, VARAgids, NRC Handelsblad, Vaktaal, Onze Taal. De andere stukjes worden in dit boek voor het eerst gepubliceerd.

De constructie hun hebben, die in de Nederlandse media heel wat stof heeft doen opwaaien - denk maar aan het dispuut tussen minister Plasterk en taalkundige Helen de Hoop in het tv-programma 'De Wereld Draait Door' van 9 februari 2010 - opent het hoofdstuk over 'fout' en fout Nederlands. Met 'fout' (zogenaamd fout) Nederlands bedoelt Stroop alle verschijnselen die afwijken van het ABN en daarom als bronnen van taalverloedering beschouwd worden, maar die niet in strijd zijn met de Nederlandse grammatica. Echt fout zijn volgens Stroop con-structies die ongrammaticaal zijn, bijvoorbeeld dat ze nog steeds is ongetrouwd (Stroop 2010, p. 9).

Dat het onderscheid tussen 'fout' en fout Nederlands subjectief is, blijkt als men met Vlaamse oren luistert naar de verschijnselen die Stroop als 'fout' Nederlands beschouwt. Voor een moedertaalspreker van het Belgisch-Nederlands zijn 'foute' constructies als hun hebben ergeen verstand van, hij hebgoeie benen, er kwam een leuke meisje voorbij, we moeten realiseren dat misbruik bestaat ronduit ongrammaticaal; je zult ze in Vlaanderen niet horen. Andere verschijnselen die Stroop in zijn boek behandelt, zijn klassiekers uit de taalnormerings- en -adviseringspraktijk, bijvoorbeeld de verwarring tussen groter dan en groter als, waarbij het pleit na drie eeuwen taalnormering nog niet beslecht is, de samenval van liggen / leggen en kunnen / kennen, de volgorde hebben verkwanseld tegenover verkwanseld hebben, het gevoel voor

het vrouwelijke en mannelijke woordgeslacht dat vele Nederlanders kwijt geraakt zijn en de vaak foute keuze van pronomina die daarvan het gevolg is.

Stroop heeft in zijn hoofdstuk 'Tussen "fout" en fout' een aantal recente veran-deringen in het Nederlands willen signaleren en de achtergronden ervan voor de leek bevattelijk willen uitleggen. Doorgaans levert dit onderhoudende lectuur op, zoals de evolutie van het gebruik van petat, friet en petat friet en van de varianten doeg, doei, doeidoei. Niet op zijn plaats (in 'fout' Nederlands: niet op zijn plek) in dit hoofdstuk zijn de stukjes over de Gooise r, een vrij recente fonetische vernieuwing die volgens Stroop een prestigevariant is, en de harde g, die ten noorden van de Nederlandse rivieren de zachte g in een verder verleden verdrongen heeft en dus een regionale variant is.

In hoofdstuk twee, 'Spelling en Spraak', betoogt Stroop dat de spelling, die enkel de visualisering van taal in lettertekens is, vroeger werd aangepast als de uitspraak veranderde, terwijl tegenwoordig het omgekeerde gebeurt. De 'terreur van de spelling' (pp. 138-142) staat de spontane uitspraakveranderingen in het Nederlands in de weg. Veel mensen bezondigen zich volgens Stroop aan de ziekte 'spellinguitspraak': ze menen in voorgelezen teksten iedere letter te moeten uit-spreken. Paradoxaal genoeg heeft het letterspreken de positie van het Polderne-derlands versterkt: dit 'kwalijke verschijnsel' geeft vrij spel aan volle vormen van de pronomina in plaats van de in het ABN gebruikelijke gereduceerde vormen: maai in plaats van me, jaai in plaats van je, zaain in plaats van z'n (pp. 146-149). Stroop trekt ook flink van leer tegen de regel van de tussen-n, in 1995 ingevoerd door de 'spookrijders van de Taalunie', waardoor in woorden als paardendra/,pan-nenkoek en hondenhok een n moet worden geschreven die niet wordt uitgesproken: 'een spookklank' (pp. 143-145).

In hoofdstuk drie, dat over het Poldernederlands gaat, was ik vooral benieuwd naar de inhoud van het stuk 'Het Poldernederlands na twaalf jaar'. Stroops 'update 2010' (pp. 182-183) is er eigenlijk geen: hij houdt vast aan zijn stelling dat vrouwen vooroplopen in het gebruik van het Poldernederlands, niettegenstaande de resultaten van Jacobi's dissertatie (2009), die geen verschil tussen mannen en vrouwen in het gebruik van in articulatie verlaagde diftongen (ei, ui en ou) en sterk gediftongeerde lange klinkers (ee, eu, oo) waarnam. Stroop houdt het erop dat Van Heuvens onderzoek (2002), dat Stroops stelling (1998) bevestigde dat de vrouwen een prominente rol spelen in het gebruik van Poldernederlands, en het onderzoek van Jacobi, dat geen genderverschillen vaststelde, methodologisch niet vergelijk-baar zijn.

Ruim tien jaar na zijn ontdekking van het Poldernederlands is Stroop er meer dan ooit van overtuigd dat het Poldernederlands de voorkeursvarieteit van hoog-opgeleide vrouwen is: in 2010 moet je moeite doen om op radio en tv een vrouw van beneden de vijftig te horen die geen Poldernederlands spreekt (p. 183). Vervolgens somt hij een lange reeks bekende vrouwelijke Nederlanders op die naar zijn oordeel in de media vrijelijk Poldernederlands laten klinken. Ook steeds meer

mannen spreken tegenwoordig Poldernederlands, vaker op de commerciële dan op de openbare zenders. Het Poldernederlands is hard op weg om de nieuwe versie van het ABN te worden, aldus Stroop.

Stroop hoort succesvolle allochtone vrouwen eveneens Poldernederlands spreken. Het verschil tussen mannen en vrouwen mag bij jonge autochtone Neder-landers vrijwel verdwenen zijn, bij allochtone jongeren is het volgens Stroop nog duidelijk aanwezig: 'Ambitieuze jonge vrouwen van Marokkaanse en Turkse af-komst spreken allemaal Poldernederlands. Hun mannelijke leeftijdsgenoten zijn nog niet zover' (p. 184). Ik ben benieuwd of deze gratuite bewering in de toe-komst door onderzoek gestaafd zal worden.

Hoofdstuk vier heeft als titel 'ABN en Standaardnederlands', hetgeen in de drie eerste stukjes van het hoofdstuk twee verschillende termen voor hetzelfde begrip blijken te zijn. Stroop doelt met beide termen op het genormeerde, accentloze, uniforme Standaardnederlands waaraan je niet kunt horen waar de spreker ervan vandaan komt, zoals Van Haeringen het in 1924 al definieerde. Dat smetvrije ABN is volgens Stroop verleden tijd: de informalisering van de Nederlandse samenle-ving, de normvervaging - er is een steeds groter wordende tolerantie ten aanzien van wat correct Nederlands is - en het gebrek aan belangstelling voor de Nederlandse taal en cultuur hebben de uniforme standaardtaal doen verdwijnen. In plaats daarvan zijn we op weg naar een 'Algemeen Aanvaard Nederlands', een verzameling van allerlei soorten Nederlands die voldoen als communicatiemiddel (pp. 189-196).

In zijn stuk 'De tweedeling in het Nederlands' (pp. 197-210) gaat Stroop ook in op de taalsituatie in Vlaanderen. Het zogenaamde 'Verkavelingsvlaams' dat in Vlaanderen in opmars is, verschilt weliswaar op essentiële punten van het Poldernederlands in Nederland, maar beide zijn vormen van omgangstalig Nederlands die afwijken van het ABN. Het succes van het Verkavelingsvlaams in Vlaanderen is illustratief voor de Vlaamse behoefte om een eigen weg te gaan, een eigen identi-teit te creëren of te hervinden, afwijkend van de Nederlandse eigenheid. Indien beide substandaardvariëteiten van het Nederlands de plaats innemen van het voormalige ABN, loopt de eenheid van de gesproken standaardtaal in het Nederlandse taalgebied gevaar.

Stroop besluit zijn laatste hoofdstuk met een 'update 2010'. Hierin maakt hij opnieuw een onderscheid tussen het ABN - dit is Nederlands waaraan je niet kunt horen waar iemand vandaan komt - en het Standaardnederlands - dit is grammaticaal correct Algemeen Nederlands, dat door sommigen met een be-schaafde uitspraak wordt gerealiseerd (ABN), door anderen met een accent (p. 220). Terminologisch wordt het er niet helderder op.

Het staat buiten kijf dat dit ABN een nieuwe koers vaart, die van het Poldernederlands. Over enkele decennia zal het ABN in Nederland de gedaante van het Poldernederlands hebben aangenomen, voorspelt Stroop. Dat het Poldernederlands de nieuwe standaardtaal zal worden, 'betekent waarschijnlijk de redding

van de uniforme normtaal in Nederland, omdat het de eigenschappen mist die het klassieke ABN voor jongeren onacceptabel maakten: het is juist niet stijf, niet be-kakt en niet vormelijk' (p. 222). Als spreekster van het verzorgde Belgisch-Neder-lands ontgaat het mij wat er stijf is aan de uitspraak van niet-verlaagde diftongen als ei, ui en ou, net zoals ik niet zie wat er comfortabel is aan het uitspreken van luide aai's en aau's.

De uitspraakvernieuwingen die Jan Stroop als 'Poldernederlands' bestempelt, staan model voor de verruiming van de standaardtaalnorm die in Nederland sinds 1970 aan de gang is. Het strenge, burgerlijke ABN maakte plaats voor een demo-cratischer en informeler Standaardnederlands, dat veel meer dan voordien open staat voor vernieuwingen. Of deze vernieuwingen ook algemeen zullen worden aanvaard als de nieuwe norm voor het Nederlands, moet de toekomst uitwijzen.

Ann Marynissen

Marijke van der Wal & Eep Francken (red.), Standaardtalen in beweging.

Münster, Nodus Publikationen, 2010. 217 pp. ISBN 978 3893 237 630. € 22,50.

Een brede kijk op standaardisering

Standaardisering is een populair onderwerp in de neerlandistiek. De grote, historische lijnen zijn bekend: in de zestiende eeuw ontstaat een bovengewestelijke geschreven norm, die zieh via een proces van selectie, codificatie, fUnctie-uitbrei-ding en acceptatie tot een standaardtaal ontpopt. Vanaf het einde van de negen-tiende eeuw richt de standaardisering zich ook op de gesproken taal. Door de politieke gebeurtenissen tijdens en na De Opstand haakt Vlaanderen wat later aan bij Nederland. Wat er vervolgens aan het einde van de twintigste eeuw ge-beurt, is niet zo duidelijk. Volgens sommigen krijgen we eind twintigste eeuw een verbrokkeling van de standaardtalige eenheid te zien, enerzijds doordat de standaardtaal aan beide zijden van de rijksgrens van het Nederlandse taalgebied intra muros divergeert en anderzijds doordat de standaardtaal bedreigd wordt door de opmars van nieuwe varieteiten als het Poldernederlands (in Nederland) en Tussentaal (in Vlaanderen). Of dat nu betekent dat de standaardtaal op de helling staat, staat nog te bezien. Van de Velde, Kissine, Tops, Van der Harts & Van Hout (2010) wijzen er bijvoorbeeld op dat de autonome ontwikkelingen in de Nederlandse en Vlaamse standaardtaal binnen de perken blijven, zodat er geen reden is om van twee afzonderlijke standaardtalen te gaan spreken. In het geval van het Poldernederlands gaat het trouwens alleen maar om een uitspraakvariant van het Nederlands en ook de Tussentaal heeft zich in het geheel niet op het terrein van het geschreven Nederlands begeven (als we ons even tot de traditionele media