Scholarly article on topic 'boekbesprekingen'

boekbesprekingen Academic research paper on "Languages and literature"

0
0
Share paper
Academic journal
Taal en tongval
OECD Field of science
Keywords
{""}

Academic research paper on topic "boekbesprekingen"

Boekbesprekingen

Frits Bom (2011). DeHavenman:Rotterdams voorgevorderden. Schiedam, Scriptum. 180 blz. + illustraties. isbn 978 90 5594 8420.

De rasechte Rotterdammer Frits Bom, bekend van de televisie als ombudsman, konsumentenman, en vakantieman, heeft in dit boek het Rotterdamse taaleigen opgetekend dat hij meekreeg van zijn vader, zelf als havenman (af-gestudeerde van de Havenvakschool) in de praktijk leerde kennen en nog kon aanvullen met gegevens van een neef van zijn moeder, Gerard Martens, "die zichzelf tot een van van de grootste specialisten in het praktische Rotterdams had gemaakt." (blz. 9) Van Gerard Martens (1923-2003) zijn 244 Rotterdamse verhalen te vinden op internet. Dat zijn zijn drie bronnen.

Over het Rotterdams is niet veel geschreven "en wat er wel verscheen, is goed weggestopt in oude jaargangen van wetenschappelijke tijdschriften." (Van Oostendorp 2002, 95). Dit boek is dus een welkome aanvulling.

De Havenman is een abc van het Rotterdams, met elke letter is een speciaal verhaal verbonden, zoals: de A van Ali Cyaankali, de B van Bootwerker, de E van Entrepothaven de L van niet-Lullen-maar-poetsen, de R van Ketelbinkie. . en de Z van Zakophouders. Deze schijnbaar willekeurig gekozen voorbeelden geven een goed beeld van de werkwijze van Frits Bom. Zo laat Ali Cyaankali de zangerigheid van het Rotterdams horen, waarbij hij aantekent dat het Rotterdams van vrouwen zangeriger is dan dat van mannen. Bootwerker betekende aanvankelijk arbeider die bij een stuwadoor het ambacht beoefent van het laden en lossen van schepen en andere transportmiddelen, nadien havenarbei-der, havenwerker. Het woord is eerst in de Aanvullingen op het wnt (2001) opgenomen. Entrepothaven is geen typisch Rotterdams woord, maar Bom geeft ook een stukje (haven)geschiedenis. Dat -niet-lullen met een l begint is een bijzonder fenomeen en zegt iets over de lexicografische beginselen van de auteur. Het slaat op de geen-woorden-maar-daden-mentaliteit van de Rot-terdammers. Bom geeft er een uitgebreide op de hedendaagse werkelijkheid betrokken uiteenzetting bij. Een raadsel lijkt de R van Ketelbinkie. Het wordt ter plekke ook niet echt uitgelegd, maar de welwillende lezer begrijpt het als hij merkt dat het om het lied Toen wij van Rotterdam vertrokke gaat, met tus-sen haakjes (Ketelbinkie). Niet-Rotterdammers verraden zich steevast als ze zingen "uit Rotterdam vertrokke". Volgens Bom is de rasechte Rotterdammer

TAAL & TONGVAL 63 (2011), NUMMER 2; WWW.TAALENTONGVAL.EU

Gerard Cox de beste vertolker van dit lied. Lia Dorana, weliswaar een Haagse en Joke Bruis, een echte Rotterdamse, zijn dat van het lied Ali Cyaankali. De Z 330 van Zakophouders: zakophouder was de aanduiding van een beroep dat niet meer bestaat. Het woord betekende iemand die de zak moest ophouden waar-in het graan uit het te lossen schip gestort werd. Bom begint in dit geval met te vermelden wat het niet is, namelijk een soort van breukband, een betekenis die men overigens niet in de woordenboeken vindt.

De Havenman is niet een echt dialectwoordenboek, maar ook niet een vol-waardig encyclopedisch woordenboek al komt het wel een beetje in die rich-ting met de historische uitwijdingen en de vele anecdotische toelichtingen. Het heeft ook niet die pretenties. Het is vooral een gezellig boek, waarin veel interessants is te vinden, vooral ook veel havenvaktaal. De schrijver heeft een heel eigen kijk op taalverschijnselen, wat hij heel mooi laat zien bij de bespre-king van de uitspraak van ei en ij.

Hij draagt zijn boek samen met zijn overleden broer Loek op aan zijn vader, zijn eerste bron, die hij in het voorwoord als volgt typeert: "Vaak een gotma-jor dus, groos op z'n zoon(s), zonder haarlemmer dijkies, die de pest had aan hardewijkers of geharrewar...." Het woord gotmajor staat onder het trefwoord godmajor, met als toelichting de uitdrukking: Hij is als een gotmajor, hij is straalbezopen. De spelling met d lijkt een poging tot etymologie. Het woord ontbreekt in de woordenboeken.

Haarlemmer dijkies betekent smoesjes en moet eigenlijk aaneengeschre-ven worden; een hardewijker is een uitgekookte vent.

Dat beissie, dubbeltje, een "heel oud-Rotterdams woord" is (blz. 20) en schompus "een heerlijk Rotterdams woord" (blz. 131) is te veel eer voor de havenstad.

De uitgeverij Scriptum heeft van De Havenman een mooie, goed verzorgde uitgave gemaakt.

Jan Berns

Bibliografie

Oostendorp, Marc van (2002). Rotterdams. Den Haag, SDU-Uitgevers (Taal in stad

en land 8).

Hans Den Besten, Frans Hinskens en Jerzy Koch (2009). Afrikaans. Een drieluik (red.). Amsterdam, Stichting Neerlandistiek vu en Münster, Nodus Publikationen.

De bundel Afrikaans. Een drieluik heeft een wat moeizame geschiedenis achter de rug. De bijdragen zijn de neerslag van de (Eerste) Europese Workshop Afrikaans Extra Muros, die al in september 2000 aan de Universität Leipzig werd georganiseerd. Door allerlei omstandigheden is de bundel pas in 2009 kunnen verschijnen; gelukkig hebben de meeste auteurs hun artikel willen ac-tualiseren. De bundel is opgedeeld in drie delen (vandaar de titel Een drieluik): Culturele identiteit (3 bijdragen, blz. 35-86), Letterkunde (3 bijdragen, blz. 87122) en Taalkunde (6 bijdragen, blz. 123-252), en wordt voorafgegaan door een inleiding van de hand van Frans Hinskens Zuid-Afrika en het Afrikaans. Inleidende notities over geschiedenis, taal en letterkunde (blz. 9-33), 'waarin enerzijds getracht is, de diverse bijdragen van enige achtergrond te voorzien en anderzijds een aantal verbindende lijnen te trekken' (blz. 4). In wat volgt, gaan we vooral in op de artikelen die betrekking hebben op taalkunde1.

De drie artikelen over Culturele Identiteit hebben alledrie een sterk taalkun-dige inslag. Abraham de Vries is een letterkundige die in Die tinktinkie en die reenboog (blz. 37-47) o.a. ingaat op de talige aspecten van het spanningsveld tussen globalisering en identiteit. Hij breekt een lans voor de verdediging van culturele diversiteit. Anna Coetzee is een taalkundige die in Pidgin-creoolese retensies en historiese taalvermenging: identiteitsmerkers van die Afrikaanse dialekte (blz. 48-71) zeven als 'creools' beschouwde syntactische verschijn-selen uit de verschillende Afrikaanse dialectcontinua behandelt. Vervolgens gaat ze op basis van een historisch overzicht van de incorporering van sub-standaardkenmerken in de letterkundige productie in op de weerspiegeling van 'auto- en hetero-identificatie' van de individuele schrijvers t.o.v. Kaaps, Griekwa-Afrikaans en de blanke taalvarieteit van dezelfde omgeving. Het artikel is o.a. interessant wegens het overzicht van en de bibliografie over dialec-tisch Afrikaans. Paul J. Schutte heeft het in Moontlike nieverbale spanning in die kommunikasie tussen Eurosentriese en Afrosentriese kulture. 'n Perspectief op tweedetaalonderrig deur Eurosentriese onderriggewers aan Afrosentriese leer-ders (blz. 72-86) over culturele verschillen m.b.t. begroetingen, gebaren, oog-contact, persoonlijke ruimte, prosodische verschijnselen, en tijdsorientering.

1 Twee Poolse neerlandici schreven een literaire bijdrage: Pawel Zajas heeft het over Das Bild des Anglo-Burenkrieges (1899-1902) in der polnischen Jugendliteratur (blz. 89-94) en Jerzy Koch over De etnische stereotypering in de Afrikaanse literatuurstu-die. Waarom een nieuwe benadering wenselijk is (blz. 105-122). Abraham H. de Vries schreef Drie dekades kort (blz. 95-104), waarin hij het Afrikaanse kortverhaal behandelt in de periode van '70 tot '90 van de vorige eeuw.

Hij verbindt aan zijn observaties telkens aanbevelingen voor leerkrachten. Zijn studie is gebaseerd op een kwalitatief onderzoek bij 140 zwarte studenten.

332 De afdeling Taalkunde is met zes bijdragen de uitgebreidste van de bun-

del. Als eerste verschijnt Ernst Kotze met Adjektiwiese verbuiging in Afrikaans herbesoek (blz. 125-132). De adnominale verbuiging is een van de meest in-trigerende kenmerken van het Afrikaans. Het is vreemd dat in een proces van creolisering de communicatief 'nutteloze' adjectivische verbuiging toch is be-houden, maar wel is geherstructureerd: de verbuiging wordt in het Afrikaans - in tegenstelling tot het Nederlands - vooral bepaald door morfofonologische factoren (o.a. aantal lettergrepen van het woord, eindconsonant van het woord ...), die in een systeem resulteerden dat niet alleen anders, maar ook complexer is dan het Nederlandse. Kotze geeft een socio-historische beschrijving van het huidige verbuigingssysteem in zowel Standaardafrikaans als Kaaps Afrikaans, en constateert een toenemende complicering ervan doordat de adjectivische verbuiging een effect lijkt te hebben op de verbuiging van bijwoordelijke be-palers (als in 'n verskriklike besige stad, 'n geweldige skrander student).

Peter Slomanson belicht in Convergent bootstrapping in syntactic reanalysis (blz. 133-148) de rol van 18de-eeuws (Indonesisch-)Maleis-Nederlands taal-contact m.b.t. veranderingen in bepaalde syntactische eigenschappen van het Afrikaanse werkwoord, met name de heranalyse van de informatiestructuur ervan. Vroege substraatwerking kan dus niet tot contact tussen Khoekhoego-wab en Nederlands beperkt worden. Ook Carla Luijks2 wijdt haar bijdrage aan syntactische verschijnselen en aan Khoekhoe-substraatwerking. In Connecting the Cape Dutch Vernacular with Orange River Afrikaans. Images from the nineteeth century behandelt ze het pronominale paradigma, het gebruik van de lidwoorden, negatiepatronen, infinitiefcomplementen en de plaats van het vervoegde werkwoord. Ze vergelijkt 19de-eeuwse teksten van mensen aan de rand van de Afrikaanse samenleving, de zgn. Basters of Oorlam-Nama, met ou-dere geschriften uit het Kaapse archief en concludeert (blz. 71-72): "The data from the Cape archival record did not prove to be contradictory to the findings in these nineteenth-century data, but to be far less consistent. It appears that the interpretation of the Cape record is limited by specific sociolinguistic defines as a result of which the written norm largely overshadows the actual developments". Theresa Biberauers bijdrage, How "well behaved" is Afrikaans. V2 in Modern Spoken Afrikaans (blz. 176-208), gaat ook over een syntactisch onderwerp, nl. de distributie van 'verb-second'-structuren in Standaardafrikaans en in 'modern gesproken Afrikaans'. Ze probeert op basis van corpuson-derzoek hard te maken dat het moderne gesproken Afrikaans een uniek type

2 Mevr. Luijks is in 2001 overleden; de bundel is aan haar nagedachtenis opgedragen. Hans den Besten en Frans Hinskens zorgden voor een geactualiseerde versie van haar artikel.

V2-taal is dat zich niet makkelijk laat inpassen in de bestaande typologieën terzake. De benadering is generatief. Daardoor is waarschijnlijk de zinsnede te verklaren "... Afrikaans, a language whose syntax has not received detailed 333 attention in the literature" (Abstract, blz. 176). Met het werk van iemand als Fritz Ponelis in het achterhoofd kan die uitlating enkel op generatieve syntaxis slaan.

De laatste twee bijdragen zijn het meest bevlogen, in die zin dat ze een beeld proberen te schetsen van hoe het nu verder moet met de taalkundige studie van het Afrikaans. Paul Roberge stelt in Afrikaans and creolization (blz. 209-233) allereerst vast dat het niet zo goed gaat met de historische taalkunde in het algemeen en met de diachrone studie van het Afrikaans in het bijzonder. Afrikaans is volgens hem in elk geval op sociale en linguistische gronden te be-schouwen als een 'contacttaal', die door creolisering tot stand is gekomen, een proces waarbij het belang van talige innovatie wel onderbelicht is gebleven. Roberge (blz. 210-211) onderscheidt twee basisvragen die tot hiertoe nog niet afdoend zijn beantwoord: (a) Wat is de typologische status van Afrikaans als contacttaal?, en (b) Is het mogelijk om het wordingsproces van de 'Neder-landse' spreektaal aan de Kaap te reconstrueren? Hij formuleert en becom-mentarieert in dat verband (blz. 211-219) een theorie aan de hand van twaalf thesen. De bijdrage besluit met een paragraaf met een syntactische analyse vanuit generatief standpunt van de typisch Afrikaanse omarmende negatie nie ... nie (Empiricalsupport, blz. 220-233). Roberge probeert aan de hand van dat voorbeeld aan te tonen dat de vorming van het vroegste Afrikaans (het MIC = Medium for Interethnic Communication) als taalbouw beschouwd kan worden, en niet als een speciaal geval van tweede-taalverwerving met de dominante taal als evidente doeltaal. Daarmee is zijn tweede these geïllustreerd: "Mediums for interethnic communication are in essence what those who created them wanted them to be" (blz. 212).

Roberge is er zeer van overtuigd dat de diachrone studie van het Afrikaans in termen van de creolistiek beschreven moet worden. Die mening wordt ge-deeld door Hans den Besten in Desiderata voor de historische taalkunde van het Afrikaans (blz. 234-252), het artikel waarmee de bundel besluit. Den Besten (blz. 234) stelt vast dat de vraag of Afrikaans "het resultaat is van taalcon-tact - ja, misschien zelfs creolisatie - of van natuurlijke ontwikkeling" eigenlijk al beantwoord is. Er wordt tegenwoordig immers vrij algemeen aangenomen dat het Kaaps Nederlands in een situatie van meervoudig taalcontact taalver-storing (= niet-natuurlijke verandering) heeft ondergaan. Dat gezegd zijnde, blijven er echter nog genoeg vraagstukken over. De Besten somt er op blz. 234 drie op, waaraan hij drie desiderata (blz. 235) verbindt:

1. Kan er een stichtersdialect geïdentificeerd worden? Desideratum: Heropen

de discussie daarover.

2. Is het verantwoord om per verschijnsel uiterst korte periodes aan te nemen voor de omslag van Nederlands naar Afrikaans? Desideratum: Onderzoek

334 de archivale data, Vroeg Afrikaans en Vroeg Modern Afrikaans op het punt

van 'gemengde' periodes, parallelle constructies, enz.

3. Met welke talen stond het Kaapse Afrikaans in contact? Desideratum: Stel aan de hand van de herkomst van de slaven vast, met welke talen (afgezien van het Khoekhoe) het Kaaps Nederlands in contact heeft gestaan.

In de rest van het artikel worden de onderzoeksvragen en de desiderata kort besproken en van voorbeelden voorzien. Op blz. 249 wordt gezegd dat dia-chroon variatie-onderzoek voor het Afrikaans nog maar in de kinderschoenen staat. Het is zeer jammer dat Hans den Besten ons in 2010 is ontvallen. Hij was de beste kenner van het Afrikaans in het Nederlandse taalgebied, en het best geplaatst om het onderzoeksprogramma uit te voeren dat hij met zijn bijdrage heeft uitgetekend.

Jacques Van Keymeulen (Universiteit Gent)

Jarich Hoekstra, Willem Visser & Goffe Jensma (2010). Studies in West Frisian Grammar. Selected papers by Germen J. de Haan (red.). Amsterdam/Philadelphia, John Benjamins (Linguistik Aktuell / Linguistics Today, nr. 161).

Ter gelegenheid van het emeritaat van Germen de Haan als hoogleraar Friese taal- en letterkunde is een bundeling verschenen van een selectie uit zijn Friese artikelen. Weliswaar een jaar na het afscheid in 2009, maar zoals een Friese uitdrukking het al zegt: "better let as net". Het mooie van zo'n verzamelbundel, boven het geijkte liber amicorum, is, dat de jubilaris en vooral zijn werk er-door in de volle aandacht komen. In één klap heb je een beeld van het resultaat van een werkzaam leven. Voor de lezer is het handige van zo'n verzameling dat je nooit weer hoeft te zoeken in her en der verspreide en soms misschien schimmige bronnen. Binnen de frisistiek heb ik zo bijvoorbeeld vaak en met vreugde gebruik gemaakt van de bundels met het werk van Klaas Fokkema (1969) en Dietrich Hofmann (1989). Het enige bezwaar dat je mogelijk tegen een dergelijke bundel zou kunnen hebben, is, dat het om ouwe kost gaat, maar dat is hier ook nog maar ten dele het geval. Dat wil zeggen, alle stukken zijn inderdaad al eerder gepubliceerd, maar de oorspronkelijk niet-Engelse arti-kelen zijn voor deze gelegenheid vertaald, zodat alles nu ook voor een breed publiek beschikbaar is.

Het aantal vertaalde stukken vormt overigens maar een derde van het totaal van achttien opnieuw uitgegeven artikelen. De Haan is altijd een sterk

pleitbezorger geweest van publiceren in het Engels, en dat scheelde hem nu in de hoeveelheid werk, want hij zorgde zelf, op één uitzondering na, voor de vertaling. Van die zes vertaalde artikelen is oorspronkelijk maar één ge- 335 schreven in het Fries; de overige vijf versehenen eerder in het Nederlands. In het boek wordt slechts gerept van "translation", maar dat lijkt de waarheid toch niet helemaal te dekken. Althans, het hoofdstuk 6, "the imperativus-pro-infinitivo", heb ik eens gelegd naast het origineel, dat in 1990 verscheen in themanummer 3 van dit tijdschrift, en dan zie je toch wel kleine verschillen. Om te beginnen in de titel, waarin het adjectief "Friese" verdwenen is. Maar er zijn ook aanvullingen, en die zijn doorgaans verbeteringen. Zo zijn op blad-zijde 142 voorbeeldzinnen toegevoegd, hebben de voorbeelden van gapping op bladzijde 145 een doorstreping gekregen, zag ik op pagina 147 een kleine verduidelijkende toevoeging "a selection of comp" en werd op bladzijde 150 voorbeeldnummer (43a) terecht verbeterd in (43b). Op pagina 143 is nu een noot toegevoegd met de mededeling "see Williams (1978)", maar deze aanvul-ling sterft dan weer meteen in schoonheid, want de bibliografische verwijzing is aan het eind van het boek in de 22 bladzijden tellende afdeling "references" niet terug te vinden.

Uit een afkorting als "comp" is al op te maken dat De Haan dus niet heeft geprobeerd om de stukken aan te passen aan nieuwere theoretische inzichten of conventies. In hun inleiding beweren de drie uitgevers dat slechts één artikel stamt uit de tijd voor 1991, het jaar dat De Haan in Groningen benoemd werd, maar daarmee geven zij er blijk van dat tellen niet hun sterkste punt is. De hoofdstukken 6 en 11 stammen uit 1990, hoofdstuk 16 is van 1988, en de hoofdstukken 7 en 6 nog weer uit de beide jaren daarvoor, zoals trouwens in de "acknowledgements" op de bladzijden 178-179 ook allemaal keurig vermeld staat. Dat die stukken al weer relatief bejaard zijn, merk je naast de hier en daar wat andere terminologie ook aan de argumentatie. Zaken die voor de syntactische gemeenschap indertijd gesneden koek waren, en dus verre-weg impliciet konden blijven, had de lezer van nu eigenlijk wel liever even ge-noemd of uitgelegd gezien. Dat maakt dat men de verkeerde indruk zou kun-nen krijgen dat er hier en daar wat gemakkelijk en snel stappen gezet worden. Onzorgvuldig wordt het ook nooit. De Haan is een preciese en consequente redeneerder, die zaken op een systematische manier uiteen weet te rafelen. Een heel mooi voorbeeld daarvan is hoofdstuk 9, over "the third construction".

Hoewel Friestalig van huis uit, heeft De Haan geen opleiding tot frisist ge-had. Vanuit een medewerkerschap voor syntaxis aan het Utrechtse instituut voor Algemene Taalwetenschap begon hij zich te interesseren voor de syn-taksis van zijn moedertaal. Die syntactische specialisatie heeft duidelijk zijn sporen in de bundel nagelaten: maar liefst acht hoofdstukken bestrijken direct de zinsleer. Daarvan loopt hoofdstuk 3 er een beetje uit, niet alleen omdat het een voor een handboek (Munske 2001) geschreven overzichtsartikel is, maar

ook omdat het het Oudfries tot onderwerp heeft. Met uitzondering van een hoofdstuk over verbogen voegwoorden, als in ... datst komst, '... dat (je) komt', 336 stellen de overige syntactische hoofdstukken het werkwoord centraal. Aan bod komen zaken als de en-plus-imperatief-constructie, werkwoordclusters, de distributie van de twee verschillende infinitiefuitgangen in het Fries (-e en - en) en verplaatsingen van al dan niet finiete werkwoorden. Daarmee komen we wat mij betreft ook bij het hoogtepunt van het boek, in 2001 in het Journal of Comparative Germanic Syntax verschenen onder de prachttitel "more is going upstairs than downstairs". Het gaat over het verschijnsel dat in het Fries in sommige gevallen in ingebedde zinnen de persoonsvorm niet achteraan hoeft te staan, maar ook wel op de tweede positie mag verschijnen. Het stuk paart een minutieuze beschrijving aan een originele analyse, en hoort wat mij betreft zonder meer thuis in de top tien van beste Friese taalkundige artikelen.

Het ligt in een tijd van steeds meer voortschrijdende specialisatie mis-schien niet zo voor de hand, maar De Haan heeft meer pijlen op zijn boog ge-had dan alleen syntaksis. Hij heeft zich bijvoorbeeld ook bezig gehouden met fonologie, in de bundel gerepresenteerd door drie artikelen. Al uit zijn Utrechter tijd dateert een bijdrage over rekking van een genasaleerde vocaal, als in geunst -[ö:n]- 'gunst'. Ten aanzien van syllabische consonanten neemt hij een tegendraads standpunt in door niet uit te gaan van schwa-deletie, maar juist van schwa-epenthese. Niet minder afwijkend was zijn voorstel om de Friese monoftongen niet symmetrisch in te delen in negen korte en negen lange, maar om een aantal fonetisch korte klinkers toch als fonologisch lang te be-schouwen, zulks op fonotactische gronden.

Het Fries staat al heel lang onder invloed van het Nederlands. Nederlandse woorden worden overgenomen, en naar sommigen beweren ook grammaticale regels. In een aantal bijdragen laat De Haan zien dat dat toch anders ligt dan als het oppervlakkig lijkt. Hij opteert voor de mogelijkheid van een interne verandering in het Fries, en wijst op het feit dat Friese kinderen met een zodanig groot Nederlands taalaanbod geconfronteerd worden dat dat mee begint te spelen in de vorming van hun Friese grammatica. De veranderingen zijn daarmee data-georienteerd, en niet ingegeven door het grammaticale sys-teem. De relatief geringe taalkundige afstand tussen het Fries en het Neder-lands speelt daarbij uitdrukkelijk een rol.

Een kenmerk van De Haans werk lijkt me, dat het niet meteen onbekende terreinen exploreert, maar dat het eerder aansluit bij bestaand wetenschap-pelijke debat. De Haan reageert graag op anderen, en hij doet dat soms op een zodanige wijze dat anderen weer reageren op De Haan. Dat geldt misschien nog het minst voor zijn hoofdwerkzaamheid, het onderzoek naar de syntak-sis van het Fries, maar ook dat lijkt geïnspireerd door zijn verzet tegen de op een gegeven moment wijd verbreide opvatting dat de Friese syntaxis niet of nauwelijks af zou wijken van de Nederlandse. Zie hierover vooral De Haan

(1987), dat in de bundel overigens niet opgenomen is. Binnen de syntaxis neemt hij dan weer een minderheidspositie in door voor werkwoordcusters in plaats van een syntactische afleiding een lexicale analyse voor te staan. Toch 337 lijkt De Haan eigenzinniger als hij buiten zijn eigenlijke specialisatie treedt. De inleiders van de bundel waarderen dit positief, door te stellen dat "by his programmatic and provocative style he also inspired many people to reactions and to further investigation of these and other matters". Dat "many" lijkt me gezien de grootte van het vak überhaupt wat overdreven, net zoals je tegen zou kunnen werpen dat bij een wat meer genuanceerde behandeling van de kant van De Haan zulke reacties niet nodig geweest zouden zijn. Zo corrigeer-de Versloot (2004) mijn inziens terecht het door De Haan opgeroepen beeld (hoofdstuk 2) als zou het middeleeuwse Fries onjuist als Oudfries aangeduid worden, omdat het op grond van taalkundige kenmerken aan zou sluiten bij de overige westgermaanse talen in hun "middel"-stadium. En evenzo was het op goede gronden dat Visser (2003) de traditionele symmetrische indeling van de Friese monoftongen bleef verdedigen. De Haan lag toch al vaker met Visser in de clinch. Hoofdstuk 16, over de relatie tussen rekking en nasalisatie, was al een reactie op Visser (1985), maar Visser (1991) bleek bepaald niet overtuigd. Het is overigens opvallend dat hoofdstuk 15, De Haans vernietigende bespre-king van het grote taalsociologische onderzoek van Gorter & Jonkman (1995), wel onweersproken bleef.

Zo geeft deze bundel van alles wat, en biedt daarmee een mooie kennis-making met allerlei aspecten van de Friese taalkunde in brede zin. Voor degenen die zich op de hoogte willen stellen van de eigenheden van de Friese syntaxis is hij zelfs onmisbaar. Nog een opmerking tot besluit. Het is opvallend dat de stroom bijdragen na het jaar 2001 stokt. Dat zal te maken hebben met De Haans benoeming tot decaan. Ik wil er niet aan twijfelen dat dat tot zegen van de Groninger letterenfaculteit geweest is, maar voor een, mondiaal gezien, mini-vakgebiedje als de Friese taalkunde heeft zo'n promotie toch wel serieuze nadelige gevolgen. Men mag hopen dat De Haan, nu hij de handen weer vrij heeft, de inspiratie (en gezondheid!) mag vinden voor een kleine inhaalslag.

Siebren Dyk (Fryske Akademy, Leeuwarden)

Bibliografie

Fokkema, Klaas (1969). Nei wider kimen. Kar üt syn forsprate skriften. Grins, Wol-

ters-Noordhoff.

Gorter, Durk & Reitze J. Jonkman (1995). Taalyn Fryslan op 'e nij besjoen. Ljouwert,

Fryske Akademy.

Haan, Germen de (1987). De syntacticus als frisist. In: Siebren Dyk & Jarich Hoek-

stra (red.). Ta de Fryske syntaksis. Ljouwert, Fryske Akademy.

Hofmann, Dietrich (1989). Gesammelte schriften II: Studien zur Friesischen und Niederdeutschen Philologie. Hamburg, Helmut Buske.

338 Munske, Horst H. et al. (red.) (2001). Handbuch des Friesischen / Handbook of Frisian Studies. Tübingen, Niemeyer.

Versloot, Arjen P. (2004). Why Old Frisian is still quite old. In: Folia Linguistica Historica 25, 253-298.

Visser, Willem (1985). Ta de nasalearring yn it Frysk. In: TydskriftfoarFryske Taal-kunde 1, 33-49 en 69-89.

Visser, Willem (1991). Jitris: nasalearring en rekking. In: Tydskriftfoar Fryske Taal-kunde 6, 28-37.

Visser, Willem (2003). Lange en koarte ienlûden yn it Frysk: in reaksje op De Haan 1999. In: Us Wurk 52, 130-154.

Mathilde Jansen (2010). Language change on the Dutch Frisian Island of Ameland. Linguistic and sociolinguistic findings (Proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam). Utrecht, lot (Dissertation Series 240).

In het proefschrift van Mathilde Jansen worden sociolinguïstische vragen en concepten die naar voren komen uit eerdere studies over dialectverlies in Nederland en Vlaanderen (p. 8) toegepast op de Amelander taalsituatie. Het Amelander dialect wijkt af van veel andere Nederlandse dialecten doordat de druk van het Standaardnederlands juist niet geleid heeft tot dialectverlies op de schaal die beschreven is voor andere dialecten. De zoektocht naar verkla-ringen voor het uitblijven van vergaand dialectverlies is een van de interessante taken waarvoor Jansen zich gesteld ziet.

Het onderzoek richt zich op de grammatica van het Amelands. Er zijn zes fonologische en zes morfologische variabelen geselecteerd, waarbij de hypothese is dat beide niveaus aan dialectnivellering onderhevig zijn. Wat de dialectkenmerken als zodanig betreft, speelt het onderscheid tussen postlexicale en 'gelexicaliseerde' regels een rol. De verwachting is dat gelexicaliseerde regels vatbaarder zullen zijn voor dialectverlies dan postlexicale regels. Een andere hypothese is dat er zich, gezien de specifieke eilandsituatie, dialectnivellering zal voltrekken in de richting van de standaardtaal, maar niet in de richting van de Friese dialecten die op het vasteland gesproken worden. Daar-naast zijn er drie puur sociolinguïstische hypothesen, waarbij verwacht wordt dat attitude, integratie in de lokale gemeenschap en sekse bepalend zijn voor de mate van dialectgebruik.

Nadat in het tweede hoofdstuk de hypothesen naar voren zijn gebracht, volgt in hoofdstuk 3 onder meer een korte bespreking van de geschiedenis en de sociaal-economische toestand van het eiland. Het gaat hier over een onderzoeksgebied met een bijzonder karakter, waardoor we resultaten vin-

den die afwijken van vergelijkbaar onderzoek naar kennis en gebruik van andere Nederlandse en Friese dialecten. In die bijzondere eilandcontext is de beschrijving van de geschiedenis, cultuur, religie, politiek, het onderwijs 339 en gerelateerde aspecten bij uitstek relevant. Hier hadden sommige punten zelfs iets meer uitgewerkt kunnen worden, zoals de religieuze situatie. Het dialect, maar bijvoorbeeld ook de mentaliteit van de inwoners van westelijke dorpen Hollum en Ballum wijkt af van de oostelijke dorpen Nes en Buren, wat gepaard gaat met het feit dat het westen van oudsher protestants is en het oosten katholiek. Jansen (p. 48) zegt daar kort iets over en stelt: "Religion, however, is no longer the cause of the rift between east and west. Other factors, like immigration and tourism, are now causing a split in mentality between both parts of the island." We komen echter niet te weten op welke manier deze stelling onderzocht is. Allicht was het niet bij voorbaat oninteressant geweest de factor religie bij de selectie van de proefpersonen te betrekken. Een ander punt dat slechts heel kort aangeraakt wordt, is de onderwijssituatie. Er is wel een middelbare school op het eiland, maar kinderen ronden doorgaans hun middelbareschoolopleiding af op het vasteland. Raadpleging van de school-gids leert echter dat het per leerling verschilt hoe veel leerjaren er worden doorgebracht op het vasteland. Heeft dit een effect op iemands dialectkennis en -gebruik?

Het vierde hoofdstuk geeft een overzicht van het onderzoeksdesign en de linguïstische variabelen waarmee gewerkt wordt. Jansens studie vertrekt van een sociolinguïstische benadering in de Laboviaanse traditie door taalveran-dering "in apparent-time" te bestuderen. Daarbij worden drie leeftijdsgroe-pen onderscheiden: een jongere generatie met individuen van 15-25 jaar, een middengeneratie van 35-45 jaar en een oudere generatie van sprekers tussen de 55 en de 65 jaar oud. Binnen elke groep werden de informanten gelijkmatig verdeeld over sekse en herkomst op het eiland (west, oost). Tijdens de interviews werd gebruik gemaakt van een sociolinguïstische en een taalkundige vragenlijst.

Jansen kiest ervoor in totaal 60 informanten te selecteren en citeert daarbij Chambers, Trudgill & Schilling-Estes (2002: 29): "[F]ive persons per cell is often adequate, assuming the cells are well-defined in terms of local social categories." Men kan zich afvragen of deze werkwijze met een strikte keuze voor 5 informanten per cel de voorkeur verdient. In hoofdstuk 5 van de studie worden de resultaten gepresenteerd die verband houden met de sociolinguïstische context van het Amelander dialect. Hier is een voorbeeld van zo'n resul-taat (p. 104): "Another remarkable result is that none of the younger eastern female speakers make use of the village labels." Dat wil zeggen dat geen van de vijf vrouwelijke informanten uit de oostelijke dorpen Nes en Buren zich-zelf identificeert als Nessumer of Buremer; deze spreeksters noemen zichzelf Nederlander of Amelander. Zo'n gegeven kan dan vervolgens weer in verband

gebracht worden met de scores voor verschillende linguïstische variabelen. Echter: het gaat dus om een resultaat dat correspondeert met vijf gegevens 340 (nl. vijf antwoorden op de betreffende enquêtevraag; voor elke informant één score). Relevant is ook dat Chambers, Trudgill & Schilling-Estes voordat ze hun vuistregel formuleren eerst opmerken: "How many subjects should fill each cell? The simple answer is: the more the better."

Uit het onderzoek naar de variabelen gerelateerd aan de sociolinguïstische context komt vooral een positieve attitude bij Amelanders over het eigen dialect naar voren. Het dialect scoort vooral goed op begrippen die samenhangen met solidariteit ('mooi', 'gezellig' en 'intiem'), terwijl het Standaardneder-lands hoger scoort op status ('serieus' en 'beschaafd'). Het Fries heeft voor alle waarden (waaronder ook nog 'robuust' en 'modern') "overall negative scores" (p. 107) en scoort telkens lager dan het Amelander dialect, het Standaardne-derlands en zelfs het Duits. Een relevante vraag is dan wel of Amelanders puur negatief denken over het Fries, of dat ze deels eerder een minder uitgesproken houding hebben. Het Fries scoort immers ook laag voor het adjectief 'serieus', wat minder uitgesproken positief is.

In hoofdstuk 6 volgt de presentatie van de resultaten voor alle linguïstische variabelen. De variabelen worden op basis van hun geografische distributie verdeeld in A-, B- en C-variabelen. A-variabelen hebben verschillende varianten voor het westen en het oosten van het eiland. Een voorbeeld is diminutief-vorming, waarbij -ke het regelmatige morfeem in de westelijke variëteit is (zo-als in kopke) en -(t)je in de oostelijke variëteit (zoals in kopje). Bij B-variabelen is er één variant voor beide dialecten van het eiland, die afwijkt van de variant op het vasteland. Een voorbeeld is vocaalalternantie bij /ei/2 (zoals in geit). Terwijl in de meeste dialecten het uitspraakverschil dat gepaard ging met het orthografische verschil tussen <ij> en <ei> verdwenen is, geldt dit niet voor gebieden waarin er geen diftongen zijn voor /ei/1 en /ei/2. Zo heeft zich in het Amelander dialect geen diftongering voltrokken en het uitspraakverschil bleef gehandhaafd. Een woord als klein wordt in het Amelands bijvoorbeeld gerealiseerd als /kle:n/. Bij C-variabelen is er één variant voor de hele regio (dus inclusief Friese dialecten op het vasteland), die afwijkt van varianten in dialecten gesproken in andere delen van het taalgebied. Een voorbeeld zijn de prefixloze voltooide deelwoorden. In de dialecten van een gebied dat bestaat uit Friesland, het noorden van Noord-Holland, de waddeneilanden en Wieringen, Groningen en het noorden van Drenthe ontbreekt het prefix ge- in het voltooid deelwoord, wat leidt tot vormen zoals west voor 'geweest'.

Overigens blijkt uit de beschrijving door Jansen (vgl. bijvoorbeeld p. 126) dat de regels bij de verschillende linguïstische variabelen zeer complex zijn. Soms blijkt het lastig om te bepalen welke van de mogelijke varianten kan gelden als de dialectvariant. Jansen neemt hierbij in eerste instantie het Amelander woordenboek (Oud 1987) als vertrekpunt, maar berekent in de para-

grafen met resultaten soms ook scores voor "nieuwe" dialectvarianten die niet gevonden worden in het woordenboek. Al met al is het een moeilijk aspect in de uitvoering van het onderzoeksdesign hoe (bij voorkeur op voorhand) bepaald kan worden welke varianten gezien kunnen worden als dialectvari-anten.

In het afsluitende zevende hoofdstuk worden conclusies getrokken en de hypothesen geëvalueerd op basis van de onderzoeksresultaten. Jansen con-cludeert dat, ondanks het feit dat het Amelander dialect nog sterk staat, toch zes van de twaalf variabelen onderhevig zijn aan dialectverlies. Het betreft hier zowel morfologische als fonologische variabelen, waarmee Jansen een van haar hypothesen bevestigd ziet. Onder de jongste generatie stelt Jansen vast dat er dialectvarianten verloren gaan, die interessant genoeg in de regel vervangen worden door Nederlandse varianten. Dat Friese invloeden minder sterk vertegenwoordigd zijn is op het eerste gezicht opmerkelijk, omdat Ame-land deel uitmaakt van de provincie Friesland. Een van de verklaringen die Jansen voorstelt is dat het dialectverlies in de jongere generatie in verband gebracht kan worden met het feit dat zij (doorgaans) een aantal jaren voortge-zet onderwijs volgen en eventueel gaan doorstuderen in Leeuwarden. In Leeu-warden wordt echter Stadsfries gesproken, een mengdialect dat vergelijkbaar is met het Amelands. Bovendien zijn Amelanders die studeren in Leeuwarden nog sterk op Ameland georiënteerd. De Friese cultuur en taal maken geen deel uit van hun dagelijkse leven. Zodoende wordt niet de op het eerste gezicht verwachte voedingsbodem voor Friese invloeden gecreëerd.

Een andere hypothese waarop Jansen terugkomt is de verwachting dat gelexicaliseerde kenmerken vatbaarder zijn voor dialectverlies dan postlexicale kenmerken. Een voorbeeld van zo'n gelexicaliseerde regel is de hierboven besproken realisatie van /ei/ zoals in geit met de klank /e:/. Sommige woor-den worden echter bijna altijd met een Standaardnederlandse uitspraak ge-realiseerd, zoals geldt voor bijvoorbeeld heide. Dat is lexicaal bepaald: "Since this variable is no longer productive, as it is based on a sound change which has long been lexicalized, no phonological rule can be assumed to be active, except the word-final constraint" (p. 133). Sprekers zullen dit item per item moeten verwerven. Als voorbeeld van een postlexicale regel noteert Jansen (p. 256): "Het behoud van de <ui> aan de andere kant, wordt veroorzaakt door de productiviteit van de postlexicale regel die eraan ten grondslag ligt". De hypothese dat gelexicaliseerde kenmerken vatbaarder zijn voor dialectverlies dan een postlexicale regel wordt bevestigd "since all these variables are subject to dialect loss" (p. 166). Inderdaad is het voorspelbaar dat er in individuele gevallen gemakkelijker wordt afgeweken van kenmerken die primair van toe-passing zijn op zulke individuele morfemen (met lexicaal bepaalde uitzonde-ringen) dan van kenmerken die een regelmatiger karakter hebben en niet spe-ciaal gelden voor bepaalde morfemen. Deze hypothese heeft naar mijn idee in

vergelijking met andere hypothesen uit het werk van Jansens iets meer een theorie-interne relevantie, maar dat is verder geen bezwaar.

342 Tot slot evalueert Jansen ook haar sociolinguïstische hypothesen. Voor de

aannames dat de integratie in de lokale dialectgemeenschap en attitude een effect hebben op het gebruik van dialectkenmerken kon geen hard (statistisch) bewijs gevonden worden. De studie laat wel zien dat sekse bepalend is voor dialectgebruik. Mannelijke sprekers blijken meer varianten te gebruiken die van origine kenmerkend zijn voor het westelijke dialect en vrouwelijke sprekers gebruiken meer varianten die van oudsher behoren tot het oostelijke dialect. Dit is interessant, omdat juist de westelijke variëteit gezien wordt als het meest authentieke Amelander dialect. Jansen (p. 168) brengt dit in verband met het idee uit eerdere literatuur dat geografische variatie geherinter-preteerd kan worden als sociale variatie.

Dit laatste is een illustratie van de wijze waarop dit proefschrift interessante perspectieven oplevert op de ontwikkelingen die zich voordoen in de bijzondere context van het Amelander dialectlandschap. Er wordt een aan-zienlijke bijdrage geleverd aan het ontwikkelen van een methodologisch en theoretisch kader waarbinnen onderzoek verricht kan worden naar dialect-verandering toegepast in een specifieke geografische context. Daarmee reikt de relevantie van dit werk verder dan de natuurlijke grenzen van Ameland en zijn dialect.

Albert Oosterhof (Thomas More Antwerpen / ки Leuven) Bibliografie

Chambers, Jack, Trudgill, Peter & Schilling-Estes, Natalie (red.) (2002) The handbook of language variation and change. Oxford/Malden: Blackwell. Oud, Anton G. (1987). Woa'deboekfan utAmelands. Ljouwert, Fryske Akademy.

Elma Nap-Kolhoff (2G1G). Second language acquisition in early childhood: a longitudinal multiple case study of Turkish-Dutch children (Tilburg University Dissertation). Utrecht, lot.

In deze uiterst leesbare en goed verzorgde dissertatie beschrijft Elma Nap-Kolhoff de taalkundige ontwikkeling van een zevental Turks-Nederlandse tweetalige kinderen in hun derde en vierde levensjaar. De focus ligt op de ontwikkeling van het Nederlands; in ander werk heeft Nap-Kolhoff aandacht besteed aan het Turks van de kinderen. Het onderzoek is een van de weinige studies die tweetalige taalverwerving onderzoeken in een tweetalige ge-meenschap, waar beide ouders tweetalig zijn en hun eerste taal een minder-heidstaal is. De literatuur is grotendeels gebaseerd op individuele gezinnen

(vaak middle class) waarin één van de ouders een expat is die thuis zijn/haar eigen taal spreekt, waardoor kinderen in zulke gezinnen opgroeien met de zogenaamde one parent one language strategie. Die staat nogal ver af van de dagelijkse praktijk in tweetalige immigrantengemeenschappen. Hoe prominent dergelijke gemeenschappen ook vertegenwoordigd zijn in de literatuur over tweetaligheid in het algemeen (met name als het gaat om codeswitching of structurele taalverandering), over hoe taalverwerving verloopt in zulke ge-meenschappen weten we nog verrassend weinig. Alleen daarom al is de studie van Nap-Kolhoff uiterst nuttig.

Anders dan bij het meeste beschikbare werk over dit onderwerp het geval is, sluit Nap-Kolhoff niet aan bij de formeel-syntactische literatuur over eer-ste- en tweedetaalverwerving, maar bij de internationaal meer en meer gangbare 'usage-based approach', meest geassocieerd met het werk van Michael Tomasello.

De hoofdmoot van de thesis, de analyse van de empirische data, bestaat uit twee delen. Eerst wordt in hoofdstuk 3 een case study gepresenteerd van alle constructies die gebruikt worden door een enkel kind, dat maand voor maand in zijn ontwikkeling wordt gevolgd. Ervan uitgaande dat deze Mehmet representatief is, wordt hiermee een nuttig algemeen beeld gevormd van de ontwikkeling van het Nederlands van deze kinderen. De hoofdstukken 4-6 vormen vervolgens samen het tweede deel: een verzameling analyses van de verwerving van afzonderlijke constructies. Deze constructies zijn, achter-eenvolgens: objectbenoeming, pronominale uitdrukking van bezit, en werk-woordsvervoeging. Ze worden steeds eerst gedetailleerd beschreven en voor-zien van een passende onderzoeksvraag; vervolgens wordt de methodologie nader uitgelegd. De presentatie van de resultaten volgt het patroon dat we kennen van taalverwervingsonderzoek: de frequenties waarmee de bekeken constructies voorkomen per leeftijdsstadium worden gedocumenteerd en te-vens wordt gekeken in hoeverre de gerealiseerde vormen conform de te leren volwassen norm zijn. Eveneens in overeenstemming met de traditie is dat de data van de tweetalige kinderen worden vergeleken met die van een eentalige controlegroep. De vier resultaten-hoofdstukken worden voorafgegaan door een inleidend en een methodologisch hoofdstuk, en gevolgd door een interessant discussie-hoofdstuk.

De drie constructies zijn goed gekozen, ten eerste omdat ze veelvuldig voorkomen in dagelijks taalgebruik en dus genoeg data opleveren; en ten tweede omdat ze interessante onderzoeksvragen uitlokken. Objectbenoeming, in zin-netjes als 'dit is een paard', is interessant om verschillende redenen. Ten eerste zit er met het koppelwerkwoord een element in de constructie dat percep-tueel niet erg saillant is; de vraag is hoe snel kinderen dit element gaan ge-bruiken. Inderdaad verschijnt het koppelwerkwoord pas na verloop van tijd in de talige output van de kinderen. Nap-Kolhoff maakt aannemelijk dat voor de

Turkse kinderen naast de lage mate van perceptuele saillantie ook interferen-tie van het Turks, een taal zonder koppelwerkwoord in dit soort constructies, 344 een rol speelt. Ten tweede kent de constructie de beperking dat het aanwij-zend voornaamwoord altijd dit of dat is, potentieel verwarrend voor de kinderen die net het systeem van pronominale verwijzing aan het leren zijn en in andere constructies deze en die veelvuldig tegenkomen. De Turkse kinderen gebruiken inderdaad veelal deze en die in hun objectbenoemingen, terwijl de Nederlandse kinderen dit alleen in het begin doen. Zo gauw ze het koppel-werkwoord gebruiken, is het aanwijzend voornaamwoord het 'correcte' dit of dat. Ook hier is de gegeven verklaring een mix van input-gerelateerde facto-ren en interferentie uit het Turks. Een derde reden waarom deze constructie het bekijken waard is, niet benadrukt door Nap-Kolhoff, is dat de constructie vooral voorkomt in taal die aan kleine kinderen gericht is. Vanuit een usage-based perspectief zou je dan verwachten dat juist deze constructie veel meer door kinderen zal worden gebruikt dan je zou verwachten als imitatie van de input geen grote rol zou spelen.

De analyse van de possessieven is verrijkt met een additionele vergelijking met volwassen Turkse NT2-leerders. De Turkse kinderen blijken sommige dingen gemeen te hebben met deze leerders en andere kenmerken met een-talige Nederlandse kinderen. Met de volwassenen delen ze vooral de afwe-zigheid van gereduceerde voornaamwoorden (zoals m'n) in hun data; met de eentalige kinderen de late verwerving van 3e persoon en meervoudsvormen. Een lage mate van perceptuele saillantie wordt wederom gesuggereerd als mogelijke verklaring voor de moeite die het kost om gereduceerde vormen te verwerven. Mogelijkerwijs is het probleem van lage saillantie een stuk gro-ter voor tweede-taalverwervers dan voor eentalige kinderen, die het voordeel hebben van een grotere inputfrequentie en ook geen last hebben van een ander taalsysteem dat mogelijk voor interferentie zorgt. De late verwerving van de vormen met de 3e persoon is daarentegen waarschijnlijk typisch een kindertaalfenomeen: kleine kinderen hebben het minder vaak nodig om over andere dingen dan het hier en nu te praten, en zijn bijgevolg nogal gericht op zichzelf en de communicatieve partner. De analyse maakt duidelijk dat het niet correct is om tweetalig opgroeiende kinderen als tweede-taalverwervers te zien: hun verwervingspatronen hebben kenmerken van zowel eerste- als tweedetaalverwerving.

Ook de verwerving van werkwoordsvervoeging wordt behalve met die van eentalige kinderen ook vergeleken met die van een Turkse volwassen NT2-leerder. Over het algemeen verloopt de verwerving bij de tweetalige kinderen op dezelfde manier als bij de eentalige kinderen, behalve dat er veel meer indi-viduele variatie is tussen de kinderen. Wel produceren de Turkse kinderen af en toe afwijkende constructies die ook voorkomen in de data van de volwassen Turkse leerder maar nooit in de data van eentalige Nederlandse kinderen. De

grotere individuele variatie wordt toegeschreven aan de grotere verschillen in de hoeveelheid Nederlandstalige input die de Turkse kinderen krijgen, varië-rend van veel minder tot vrijwel evenveel als eentalige Nederlandse kinderen.

In zekere zin kan het werk gezien worden als de markering van een transi-tie in het onderzoeksveld. Terwijl de methodologie grotendeels het bekende traditionele paradigma van taalverwervingsonderzoek volgt, met gespreide dataverzamelingsmomenten die elkaar met regelmatige intervallen opvolgen, en waarbij de data steeds volgens een vast stramien worden verzameld, geeft Nap-Kolhoff's discussie aan dat de tijd rijp is om een methodologische inhaal-slag te maken die beter recht doet aan de mogelijkheden die een usage-based benadering biedt en de eisen die zij stelt. Dat betekent met name a) dat de regelmatige intervallen soms plaats zouden moeten maken voor intensieve dataverzameling in de korte periode waarin een kind een bepaalde construc-tie aan het verwerven is; en b) de inzet van meer experimentele technieken. Beide methodologische vernieuwingen zijn inmiddels uitgebreid uitgetest in de usage-based literatuur. De auteur moet herhaaldelijk met voelbare spijt vaststellen dat de verzamelde data niet volledig de mogelijkheid bieden om interessante hypothesen te testen. Dat wil echter niet zeggen dat er niks bruik-baars uit het onderzoek komt, integendeel. Conform de zich uitkristalliseren-de standaard in de usage-based benadering, heeft Nap-Kolhoff meer oog dan gebruikelijk in de traditionele literatuur voor zaken als de frequentie van be-paalde patronen in de input en voor de mate waarin constructies perceptueel saillant zijn.

Het proefschrift maakt herhaaldelijk gewag van een tot op heden nogal ondergewaardeerd aspect van input. Terwijl dit begrip meestal geoperatio-naliseerd wordt als taalgebruik gericht aan het kind, is het aannemelijk dat een wellicht even belangrijke rol wordt gespeeld door de eigen output. Als taalcompetentie op een usage-based manier wordt opgebouwd, dan is zowel blootstelling aan de spraak van anderen als monitoring van de eigen spraak-ervaring van belang. Er is waarschijnlijk een wisselwerking tussen deze twee bronnen, zoals al vaker is betoogd (bv in de vorm van een interne monitor die de eigen output vergelijkt met de omgevingstaal), waardoor het voor tweeta-ligen lastiger is om deviante constructies bij te stellen: ze horen de 'correcte' vorm minder vaak, waardoor de verankering van de niet correcte vorm minder aan erosie onderhevig is.

Al met al is het proefschrift van belang voor een ieder die meer wil weten over de mate waarin kinderen die opgroeien in een grote tweetalige gemeen-schap taal verwerven op dezelfde manier als eentalige kinderen, en de mate waarin er sprake is van interferentie van de andere taal. Nap-Kolhoff laat over-tuigend zien dat een simpele tweedeling niet volstaat: Turkse kinderen vertonen kenmerken van eerste- en van tweedetaalverwerving. Maar het spannendste aspect van het boek is dat het inzicht biedt in de overeenkomsten en

verschillen tussen de traditionele manier van taalverwerving onderzoeken en de manier die wellicht het dominante paradigma wordt in de nabije toekomst.

Ad Backus (Universiteit van Tilburg)

Piet van Sterkenburg (2011). Van Woordenlijst tot Woordenboek: Een geschiedenis van woordenboeken van het Nederlands. Schiedam, Scriptum. 392 blz.; illustraties. isbn 9978 90 5594 837 6.

In 1984 publiceerde Piet van Sterkenburg Van Woordenlijst tot Woordenboek: Inleiding in de geschiedenis van woordenboeken van het Nederlands (Leiden, E.J. Brill). Sinds die tijd is er in de wereld van de lexicografie en lexicologie zoveel veranderd, alleen al door de intrede van de computer en de daarmee samenhangende grote databestanden, dat een geheel bewerkte en aangevulde heruitgave op zijn plaats is, of beter gezegd een heel nieuw boek. In vijftien hoofdstukken wordt de geschiedenis en de ontwikkeling van het woordenboek uit de doeken gedaan, te beginnen met het ontstaan ervan, waarbij uitvoerig wordt ingegaan op de vraag wat eerder was, het eentalige of het tweetalige woordenboek, met veel boeiende details over de oudste geschiedenis die begint met de Soemeriërs. In hoofdstuk 2 komt de lexicografie van de Klassieken aan de orde. Hoofdstuk 3 is gewijd aan de Woordenlijsten van de Oudnederlandse periode en 4 aan de lexicografie in de middeleeuwen. De 16de eeuw wordt behandeld in hoofdstuk 5; de 17de, 18de en 19de eeuw zijn ondergebracht in hoofdstuk 6. Met hoofdstuk 7 over de wetenschappelij-ke woordenboeken van het Nederlands begint een nieuwe afdeling; de hierna volgende hoofdstukken zijn gewijd aan verschillende typen van woordenboeken: verklarende of semasiologische, encyclopedische woordenboeken en en-cyclopedieën, synoniemenwoordenboeken of onomasiologische woordenboeken, etymologische woordenboeken, woordenboeken van spreekwoorden en zegswijzen, dialectwoordenboeken, hertaalwoordenboekjes en woordenboe-ken van varianten in de standaardtaal en tenslotte hoofdstuk 15, leeswoor-denboeken. Elk hoofdstuk heeft een eigen bibliografie. Aan het slot van het boek is een bibliografie van uitsluitend algemene werken opgenomen en een register van auteursnamen.

Vergelijkt men die eerste uitgave met het nieuwe boek dan is het niet alleen de omvang, xv + 212 blz. tegenover 392, die afwijkt. Het oude hoofdstuk vin, Instituut voor Nederlandse Lexicografie, dat de geschiedenis en de doelstel-ling van het inl beschreef, is komen te vervallen. Dat Instituut is in de loop der jaren bekend genoeg geworden en zijn geschiedenis is voldoende beschreven. Ook hoofdstuk xii, Nederlandse woordenboeken in de toekomst, verdween, want die toekomst is ondertussen begonnen en voor een deel ook al verleden

tijd. Hoofdstuk 13, Dialectwoordenboeken, beslaat 27 bladzijden; dat waren er slechts 8 in de vroegere uitgave. Deze kwantitatieve uitbreiding laat meteen al zien welk een vlucht ook de dialectlexicografie in de achterliggende kwar- 347 teeuw gemaakt heeft.

Het historische eerste gedeelte vat op buitengewoon heldere wijze jaren van specialistische studie samen en geeft de lezer de mogelijkheid om snel van alles aan de weet te komen met betrekking tot de oudste woordenlijsten en woordenboeken en hun onderlinge samenhang. Hij krijgt op deze manier prachtige achtergrondinformatie over de bronnen van de historische woordenboeken en wie dieper op de stof wil ingaan vindt de belangrijkste literatuur in de bijgevoegde bibliografieën. Het typologische tweede gedeelte laat de rijke verscheidenheid aan Nederlandse woordenboeken zien. De bibliogra-fische en biografische gegevens geven een mooi beeld van het lexicografische bedrijf, vaak bedreven voor de neveninkomsten.

Van Woordenlijst tot Woordenboek is een prachtig boek dat door zijn systematische opbouw en prettig leesbare stijl een helder en gedegen overzicht geeft van woordenboeken van het Nederlands en hun geschiedenis. Het is rijk geïllustreerd, wat begrippen als Kramers, Van Dale en Koenen nu ook eens een gezicht geeft. De typografie is heel overzichtelijk; vooral ook de wijze waarop citaten en toelichtende teksten zijn gemarkeerd, veraangenaamt de lectuur. Een must voor iedereen die geregeld naar een woordenboek grijpt en wel eens iets over de maker(s) wil weten.

Jan Berns