Scholarly article on topic '‘Stabilisering’ van tussentaal?'

‘Stabilisering’ van tussentaal? Academic research paper on "Languages and literature"

0
0
Share paper
Academic journal
Taal en tongval
OECD Field of science
Keywords
{""}

Academic research paper on topic "‘Stabilisering’ van tussentaal?"

TAAL EN TONGVAL

www.taalentongval.eu

Uitgave: Amsterdam University Press

'Stabilisering' van tussentaal?

Het taalrepertorium in de Westhoek als casus

Anne-Sophie Ghyselen

TET 67 (1): 43-95

DOI: 10.5117/TET2015.1.GHYS

Abstract1

'Stabilisation' of tussentaal? The language repertoire in the Westhoek as test case

In several European language areas, processes of dialect levelling and dialect loss have led to an increasing use of varieties intermediate between dialects and standard language (Auer2005). In Flanders, these intermediate varieties -mostly referred to as tussentaal - are also penetrating contexts in which Standard Dutch used to be the norm (Grondelaers en Van Hout 2011a). While increasingly more empirical studies focus on this functional elaboration of tussentaal, a number of issues continue to be highly controversial. One of these is the so-called 'stabilisation' of tussentaal, viz. whether one clearly delineated tussentaal variety is emerging. Whereas Taeldeman (2008) claims that one 'stable' tussentaal is emerging in Flanders, Plevoets (2008) and Geeraerts (2010) contradict this claim by arguing that there is too much heterogeneity in the Flemish tussentaal usage. The present study aims at shedding more light on this issue by mapping the structure of the language repertoire in the peripheral region of West-Flanders, where several of the so-called 'stable tussentaal features' do not occur in the local dialect. The language use of two generations of highly educated women is studied in five settings to explore whether a stable tussentaal variety can be identified, a variety being defined as a bundle of language features characterized by linguistic cohesion, idiovarietal elements, clear pragmatic functions and emic category status. Correspondence and cluster analyses of 28 phonological and morpho-syntactic variables in 5 speech settings show that in leper, a 'stable' tussentaal variety can hardly be distinguished. On the contrary, in the linguistic space between dialect and 'strict' Standard Dutch (VRT-Nederlands), not one, but three clusters of correlated language features can be detected:

VOL.67,NO. 1,2015 43

'cleaned up dialect', 'standard language with an accent' and Ypres' supraregional language use'. The latter cluster seems to match Taeldeman's (2008) description of a stable tussentaal variety and hints at an incipient homogeneisation of tussentaal in West-Flanders, but the large idiolectal heterogeneity in the usage of the cluster and the lack of emic category status problematizes variety claims.

Keywords: tussentaal, dialect, standard language, Flanders, stabilisation, homogenisation, variety, prototype, perception, correspondence analysis, cluster analysis

1 Inleiding

In verschillende Europese taalgemeenschappen hebben processen van di-alectverlies en dialectnivellering geleid tot een toenemend gebruik van intermediate taalvarieteiten tussen dialect en standaardtaal (Auer 2005). In Vlaanderen zouden dergelijke intermediaire taalvormen, beter bekend als tussentaal, ook steeds meer gebruikt worden in contexten waar vroeger standaardtaal gesproken werd (cfr. Plevoets 2008). Die functionele elabo-ratie van tussentaal is het onderwerp van een toenemend aantal empirische studies (zie bvb. Plevoets 2008, Gabel 2010, Taeldeman 2008), al blij-ven een aantal aspecten voor controverse zorgen. Eén daarvan is de zoge-heten 'stabilisering van tussentaal, i.e. de vraag of er zich in Vlaanderen één afgebakende tussentaal aan het vormen is. Terwijl lang aangenomen werd dat tussentaal niet op basis van noodzakelijke en voldoende voor-waarden te definieren valt (De Caluwe 2009) en dat het intermediaire taal-gebruik varieert van regio tot regio, van situatie tot situatie en zelfs van persoon tot persoon (Willemyns 2005:31), zijn er recent verschillende on-derzoekers die 'stabiele' kenmerken onderscheiden in Vlaamse tussentaal (zie bvb. Rys en Taeldeman 2007, Taeldeman 2008, De Decker en Vande-kerckhove 2012). Die kenmerken, zoals de ke-diminutieven en het ge-pro-nomen, zouden in het tussentaalgebruik van bijna iedere Vlaming voorko-men. Rys en Taeldeman (2007) en Taeldeman (2008) zijn er dan ook van overtuigd dat er zich in Vlaanderen één tussentaal aan het vormen is, die bestaat uit (1) standaardtalige elementen, (2) dia- en regiolectische kenmerken en (3) nieuwe, typisch tussentalige elementen (zoals terug in de betekenis van opnieuw). Die conclusie is echter voor discussie vatbaar, aangezien studies van Plevoets (2008) en Geeraerts (2010) aantoonden dat het tussentaalgebruik in Vlaanderen gekenmerkt wordt door een hoge graad van heterogeniteit. In dit onderzoek wordt een voorzichtige poging

44 VOL.67,NO. 1,2015

ondernomen om de complexiteit van het Vlaamse taalrepertorium te be-schrijven en eventuele structuren erin te ontwaren. Daartoe worden 28 taalvariabelen onderzocht in het gesproken taalgebruik van tien hoogop-geleide vrouwen uit Ieper, een perifere dialectvaste regio in het zuidwesten van West-Vlaanderen die verschillende van de zogeheten stabiele tussen-taalkenmerken niet kent in het lokale dialect. Een kwantitatieve analyse van de geselecteerde variabelen in verschillende situaties maakt het moge-lijk een beeld te schetsen van het Ieperse taalrepertorium en zo ook na te gaan of er een 'stabiele' tussentaalvariëteit onderscheiden kan worden. In wat volgt, gaan we eerst uitgebreider in op de begrippen stabilisering en variëteit, die in deze bijdrage een centrale rol spelen. Daarna bespreken we in paragraaf 3 verschillende Vlaamse taalveranderingsprocessen, aangezien de potentiële stabilisering van tussentaal onlosmakelijk verbonden is met verschillende van die processen. In paragraaf 4 wordt de methodologie van dit onderzoek beschreven, om in onderdelen 5 en 6 de resultaten te intro-duceren en te linken aan de bestaande theorievorming.

2 Over stabilisering, homogenisering en variëteiten

In Vlaanderen bestaat momenteel geen consensus over de vraag of tussentaal al dan niet als een 'stabiele' variëteit gezien kan worden. Een groot deel van die discussie is terminologisch van aard, waarbij de uiteenlopende visies op het al dan niet stabiele karakter van tussentaal au fond uiteenlopende visies zijn op de begrippen 'stabilisering' en 'variëteit'.

De term 'stabilisering' vinden we vooral in het werk van Taeldeman (2008) en de daarop voortbouwende studies (cfr. De Decker en Vande-kerckhove 2012), die er een toenemende homogenisering in het taalgebruik mee bedoelen (De Decker en Vandekerckhove 2012:129). Van tussentaal-stabilisering kan in die betekenis worden gesproken als we kunnen aantonen dat de idiolectische, geografische of sociale variatie in het tussen-taalgebruik aan het afnemen is. Verwarrend is echter dat het begrip 'sta-biel' in de literatuur ook in een ietwat andere betekenis wordt gebruikt, namelijk om aan te geven dat een taal niet verandert door de tijd heen (zie bvb. ook Taeldeman zelf in Taeldeman 2009). In dat opzicht is de term stabilisering enigszins ongelukkig gekozen, aangezien stabilisering in de homogeniseringsbetekenis allerminst een gebrek aan verandering impli-ceert of aangeeft dat er zich een onveranderlijke variëteit ontwikkelt. In wat volgt, wordt daarom de minder misleidende term homogenisering ge-bruikt.

GHYSELEN 45

Wanneer is er voldoende homogenisering om van een variëteit te spreken? Het begrip 'variëteit' zit in de variatielinguïstiek als belangrijk theoretisch concept verankerd, maar kent verschillende invullingen. Volgens de onder-tussen klassieke theorie van de Saussure (gepubliceerd in 1974) zijn varië-teiten homogene, duidelijk afgebakende langues, i.e. systemen van taalvor-men die als aparte entiteiten beschreven kunnen worden. Dat idee vinden we tot op vandaag in het taalkundige onderzoek weerspiegeld - bijvoor-beeld in beschrijvingen van het 'dialect van plaats x' en in prescriptieve standaardtaalwerken - maar het is niet vrij gebleven van kritiek. Vooral in usage-based benaderingen van taal is de vraag gerezen hoe er in de hetero-geniteit van de dagelijkse spraak homogene systemen onderscheiden kunnen worden zonder in 'mere analyst's play' (Willemyns 1985) te vervallen. Is het idee van een homogeen subsysteem denkbeeldig? Kunnen er strikte grenzen getrokken worden tussen bijvoorbeeld twee dialecten of tussen dialect en tussentaal? Die vraagstukken zijn op zich oud - ouder dan de Saussures theorie - maar met de toegenomen Europese onderzoeksinte-resse voor intermediaire taalvormen brandend actueel. Een vrij radicaal standpunt neemt Paris al in 1888 in wanneer hij zich distantieert van het variëteitenidee (cfr. Geeraerts 2010):

Il n'y a réellement pas de dialectes; il n'y a que des traits linguistiques qui entrent respectivement dans des combinaisons diverses, de telle sorte que le parler d'un endroit contiendra un certain nombre de traits qui lui seront communs, par example, avec le parler de chacun des quatre endroits les plus voisins, et un nombre de traits qui différeront du parler de chacun d'eux. (Paris 1888:163).

Zijn overtuiging leeft ook in recenter werk van o.a. Davies (2012) en Jorgensen (2008), die varieteiten als theoretische constructen zien. Niet iedereen gaat echter akkoord met die visie. In andere kritische beschouwingen op Saussures langue-idee wordt het varieteitenbegrip niet meteen overboord gegooid, maar veeleer ruimer ingevuld, met idiolectische en diachrone heterogeniteit als a-priori kenmerken (zie bvb. Schmidt 2005). In de concrete toepassing van dat nieuwe varieteitenbegrip kunnen twee types benaderingen onderscheiden worden. Een eerste type, de productiegerichte benaderingen, definieren varieteiten hoofdzakelijk op basis van linguistische criteria, zoals linguistische cohesie, intersprekervariatie en pragmatische factoren (cfr. Berruto 2010, Geeraerts 2010, Kristiansen 2008). Berutto (2010) bijvoorbeeld ziet een varieteit als een set varianten die samen voor-komen en correleren met socio-situatieve factoren. Het probleem van de begrenzing van varieteiten wordt in deze benaderingen uit de weg gegaan

46 VOL.67,NO. 1,2015

door van een cognitief geïnspireerde 'prototypestructuur' (Geeraerts 2010, Kristiansen 2008, Pickl 2013) of van 'concentration areas' (Berruto 1989) uit te gaan: een variëteit wordt niet gezien als een afgebakend systeem, maar wel als een concentratiegebied dat zonder abrupte overgangen overloopt in andere concentratiegebieden. Sommige taaluitingen zijn daarbij 'meer typisch' of 'betere voorbeelden' van een specifieke variëteit dan andere (Kristiansen 2008). Een mooie vergelijking vinden we bij Wells (1982:301):

Some people deny that RP exists. This seems to me like denying that the colour red exists. We may have difficulty in circumscribing it, in deciding whether particular shades verging on pink or orange count as 'red', 'near-red', or 'non-red' [...]. Similarly we may hesitate about a particular person's speech which might or might not be 'RP' or Near-RP'; we may prefer to call it 'BBC English', 'southern British Standard', 'General British', 'a la-di-la accent' or even 'Standard English', and define it more narrowly or more widely than I have done, but anyone who has grown up in England knows it when he hears a typical instance ofit.

In een tweede type benaderingen, die we perceptueel-linguïstisch zouden kunnen noemen, wordt het probleem van systeemgrenzen op een andere manier opgelost. Ook Schmidt (2005) en Lenz (2010) zien variëteiten als heterogene bundels taalkenmerken gekenmerkt door sterke linguïstische cohesie en goed afgebakende pragmatische functies, maar zij menen dat het wél mogelijk is die bundels taalkenmerken met grenzen af te bakenen. Meer concreet moeten volgens hen de percepties en de cognitie van spre-kers in rekening gebracht worden bij de begrenzing van variëteiten. Wan-neer een spreker een bundel taalkenmerken (1) als een afgebakende variëteit ervaart (cfr. Auer 1986 over 'emic category status') en (2) wanneer in de talige competentie van die spreker ook cognitieve grenzen merkbaar zijn, dan kan volgens hen van een variëteit gewaagd worden. Cognitieve grenzen zouden zich uiten in hypervormen, vermijdingsstrategieën en sancties (Lenz 2004). Hypervormen bijvoorbeeld, i.e. benaderingen van dialect en standaardtaal die respectievelijk van de dialectnorm (hyperdialectismen) en de standaardtaalnorm (hypercorrecties) afwijken, zouden tonen hoe sprekers die niet in dialect of standaardtaal opgevoed zijn, falen om de systeemgrens van respectievelijk het dialect of de standaardtaal te over-schrijden (Lenz 2004). Als een bundel taalkenmerken gekenmerkt wordt door linguïstische cohesie, maar niet door perceptuele en cognitieve grenzen, dan is er volgens hen geen sprake van een variëteit, maar veeleer van een Sprechlage binnen een ruimere variëteit. Die Sprechlagen zijn op zich goed vergelijkbaar met de boven besproken prototypes, maar met dat ver-

GHYSELEN 47

schil (1) dat een Sprechlage niet als apart systeem ervaren wordt door de talige leek, terwijl dat bij prototypes wel het geval kan zijn en (2) dat Sprechlagen bij Schmidt (2005) en Lenz (2010) als subniveaus binnen een variëteit gezien worden, terwijl prototypes in de cognitieve theorie zelf-standige eenheden vormen.

De perceptueel-cognitieve benadering van Schmidt (2005) en Lenz (2010) is theoretisch aantrekkelijk, aangezien de combinatie van linguïsti-sche en perceptueel-cognitieve criteria het mogelijk maakt variëteiten ge-detailleerd te beschrijven zonder in het puur abstract-theoretische te blij-ven steken. In de praktijk blijken sommige aspecten van hun definitie echter moeilijk werkbaar, vooral het idee dat hypervormen als indices van systeemgrenzen kunnen dienen. Hoewel hypervormen linguistisch ui-terst interessant zijn, is het m.i. niet aangewezen ze als criterium voor structuurgrenzen te hanteren. Eerst en vooral zorgt de schaarsheid van hypervormen2 ervoor dat het doorgaans moeilijk is op basis van die enkele vormen systeemgrenzen overtuigend bloot te leggen. Ten tweede hoeft een gebrek aan hypervormen ook niet automatisch een gebrek aan systeem-grenzen te impliceren. Hypervormen komen immers tot stand wanneer sprekers met onvoldoende beheersing van een specifieke doelvariëteit die doelvariëteit toch trachten te realiseren. Wanneer in de onderzoekspopu-latie echter alle sprekers competent zijn in de beoogde doelvariëteiten, worden er geen hypervormen gerealiseerd, en dat hoeft niet noodzakelijk op een afwezigheid van systeemgrenzen te wijzen. Tot slot schuilt er in het criterium van de hypervormen ook een zekere circulariteit. Om hypervormen te bestuderen/eliciteren, worden contexten gecreëerd waarin sprekers een bepaalde doelvariëteit trachten te realiseren. Daarvoor wordt traditio-neel met testsettings gewerkt (bvb. standaardtaaltest of dialecttest), waar-bij sprekers 'verplicht' worden een bepaalde doelvariëteit te realiseren. Voor zowel de opzet van de test als de interpretatie van de geëliciteerde data moet echter in de perceptie van zowel de taalgebruiker als de taal-kundige onderzoeker een duidelijk afgebakend concept bestaan van de doelvariëteit. Immers, een informant kan pas opgedragen worden een be-paalde taalvorm (zoals 'het lokale dialect') te realiseren als die taalvorm ook bestaat in de perceptie van die taalgebruiker; een gerealiseerde taal-variant kan door de taalkundige pas als hypervorm of 'niet-normatieve benadering' bestempeld worden, wanneer die taalkundige ook een zeker normsysteem voor ogen heeft. Net daar schuilt de moeilijkheid: om aan te tonen dat er een systeemgrens bestaat, wordt bestudeerd of sprekers hy-pervormen realiseren, maar taalvarianten kunnen pas als hypervorm be-stempeld worden, als we er op voorhand al vanuit gaan dat er een systeem

48 VOL.67,NO. 1,2015

is dat 'overtreden' kan worden. Om die reden gaan we in deze studie niet nader in op hypervormen.

In dit onderzoek wordt het begrip 'variëteit' net als bij Schmidt (2005) en Lenz (2010) gedefinieerd op basis van linguïstische en perceptueel-cog-nitieve criteria, aangezien we met die combinatie tot een variëteitencon-cept kunnen komen dat het puur analytische (de linguïstische 'Spielerei') overstijgt. Een variëteit zien we als een bundel taalkenmerken gekenmerkt door:

1. linguïstische cohesie (cfr. o.a. Berruto 2010, Geeraerts 2010, Schmidt 2005),

2. minimum één 'idiovariëtair element', i.e. een talig element dat enkel die bundel taalkenmerken typeert (cfr. Schmidt 2005, Berruto 2010),

3. duidelijk afgebakende pragmatische functies (Lenz 2010, Berruto 2010) en

4. emische categoriestatus (Schmidt 2005).

Het tweede criterium is optionee!: idiovariëtaire elementen wijzen vaak op variëteitenstructuur (cfr. Schmidt 2005, Berruto 2010), maar de afwezigheid van dergelijke kenmerken impliceert niet noodzakelijk dat het taalgebruik in kwestie geen variëteit vormt. Op basis van het vierde criterium worden variëteiten onderscheiden van Sprechlagen: beide zijn bundels taalkenmerken met linguïstische cohesie en pragmatische functies, maar terwijl variëteiten door de taalgebruiker als aparte, afgebakende systemen gepercipi-eerd worden, is dat bij prototypes niet het geval.

Om het boven beschreven variëteitenbegrip te operationaliseren in con-creet onderzoek, is een combinatie van kwantitatieve met kwalitatieve methodes noodzakelijk. Elk van de vooropgestelde criteria vraagt immers om een specifieke aanpak. Het criterium van linguïstische cohesie wordt bijvoorbeeld best statistisch onderzocht. In deze studie voeren we corres-pondentie- en clusteranalyses uit om de covariantie tussen taalkenmerken en de idiolectische variatie in het taalgebruik te onderzoeken (zie paragraaf 4.3.). Op die manier wordt nagegaan of er bundels taalkenmerken zijn die door alle informanten op een gelijkaardige manier worden gebruikt. Idiovariëtaire elementen (criterium 2) bestuderen we in eerste instantie kwantitatief door te onderzoeken of er taalkenmerken zijn die in slechts één bundel taalkenmerken voorkomen. We gaan echter ook na of er metadata te vinden zijn over kenmerken die voor de taalgebruikers typerend zijn voor een specifieke vorm van taalgebruik. Om het derde criterium, nl. dat van pragmatische functies te bestuderen, moet eerst nagegaan worden in welke situaties een spreker de relevante bundel taalkenmerken gebruikt.

GHYSELEN 49

Dat doen we kwantitatief door per spreker de correlatie te onderzoeken tussen de verschillende taalkenmerken en de situationele parameters. Vervolgens proberen we ook na te gaan waarom een spreker in een bepaalde situatie een bepaald type taal gebruikt. Hier kan een kwalitatieve aanpak zijn vruchten afwerpen: aan de hand van een sociolinguïstisch interview gaan we na of een spreker er zich van bewust is dat hij/zij een bepaalde taalvorm hanteert in een specifieke situatie en als dat zo is, welke redenen hij/zij daarvoor geeft. Een kwalitatieve aanpak hanteren we ook om de emische categoriestatus van de gedetecteerde bundels taalkenmerken te onderzoeken (criterium 4). Op basis van de sociolinguïstische interviews wordt nagegaan of de bestudeerde sprekers de verschillende bundels taalkenmerken ook als aparte systemen percipiëren. Voor een gedetailleerde beschrijving van de gehanteerde methodologie verwijzen we naar para-graaf 4.

3 Taalverandering in Vlaanderen

Taalhomogenisering wordt traditioneel als een belangrijke component van standaardisering beschouwd (zie bvb. Haugen 1966). Het debat over de eventuele homogenisering van tussentaal kan daarom niet los gezien worden van meer algemene, overkoepelende taalveranderingsprocessen. Meer specifiek hangt het debat nauw samen met de vraag of er zich in Vlaanderen nieuwe taalstandaarden aan het ontwikkelen zijn.

Het idee dat de taalnormen in Vlaanderen aan verandering onderhevig zijn (cfr. Grondelaers en Van Hout 2011a), heeft als voedingsbodem de observatie dat er in het taalgebied steeds meer intermediaire taalvormen gesproken worden (cfr. inleiding). Dat toenemende tussentaalgebruik is gedeeltelijk het resultaat van dialectverlies (Ghyselen en Van Keymeulen 2014), maar ook de standaardtaal zou aan domein inboeten ten voordele van tussentaal. Plevoets (2008) kwam bij zijn corpusonderzoek bijvoorbeeld tot de conclusie dat sprekers geboren in de jaren 70 en 80 in het algemeen sneller naar intermediaire vormen grijpen dan sprekers geboren in de jaren 50 en 60. Die laatste zouden in formele settings vaker standaardtaal spreken. Delarue (2013) stelt in dezelfde lijn vast dat enkel een aantal leerkrachten ouder dan 50 jaar in hun lessen exclusief standaardtaal spreken; jongere leerkrachten gebruiken veel vaker niet-standaardtalige taalvarianten. Dergelijke vormen van 'standaardtaalverlies' betreffen vooral de gesproken standaardtaal. Zoals ook beklemtoond wordt door Gron-

VOL. 67, NO. 1,2015

delaers en Van Hout (2011^9) en Vandekerckhove (2005), is de geschreven standaard in Vlaanderen immers vrij stabiel.

Het domeinverlies van de standaardtaal ten voordele van tussentaal wijst volgens verschillende taalkundigen op veranderende taalstandaarden in Vlaanderen (zie bvb. De Caluwe 2006, Grondelaers en Van Hout 2011b). Over de precieze aard van die veranderingen bestaat echter weinig duide-lijkheid; meerdere mogelijke scenario's worden in de literatuur naar voren geschoven. Een eerste mogelijk scenario is er een van informele standaar-disering van tussentaal3, waarbij tussentaal zich standaardiseert tot een nieuwe gesproken standaard voor alle Vlamingen. In dat scenario verwachten we taalstructureel een homogenisering van tussentaal, aangezien dat een van de processen bij standaardisering is (cfr. Auer en Spiekermann 2011). Attitudineel of ideologisch kunnen we in dit scenario verwachten dat Vlamingen steeds meer 'tussentalige' kenmerken, zoals ge-pronomina of ke-diminutieven als (spreek)standaardtalig ervaren en dat ze steeds meer prestige toekennen aan tussentaal, ten koste van de huidige stan-daardtaalnorm (cfr. Auer en Spiekermann 2011).

Een tweede mogelijkheid is het 'dubbelenormscenario', waarbij het stan-daardtaalideaal overeind blijft, maar de huidige gesproken standaardtaal-norm verruimd wordt met een extra norm. De huidige standaardtaal blijft in dit scenario bestaan als norm voor formele situaties (en als schrijftaal), maar krijgt er met tussentaal een norm voor informele communicatie bij (Taeldeman 2008)4. Taalstructureel kunnen we bij dit scenario net als bij het eerste een homogenisering van tussentaal verwachten, aangezien ook hier sprake is van standaardisering van tussentaal, maar we verwachten eveneens dat het Algemeen Nederlands functioneel blijft. Op attitudineel gebied kunnen we verwachten dat de huidige standaardtaal haar presti-geassociaties behoudt en dat tussentaal steeds meer sociaal positieve attributen krijgt toegeschreven. Een dergelijk attitudepatroon troffen Grondelaers en Speelman (2013) aan in een evaluatie-experiment bij 135 Vlamingen. De onderzoekers stelden namelijk vast dat hun proefpersonen taal-stimuli met niet-standaardtalige lexemen als minder prestigieus, maar wel als dynamischer ervaren dan equivalente stimuli zonder dergelijke lexemen. In het uitgevoerde experiment werden 'full-fledged Tussentaal' (Grondelaers en Speelman 2013:187) en VRT-Nederlands echter uitgesloten; verder onderzoek met meer spontaan gesproken stimulusfragmenten is dan ook nodig om het geobserveerde attitudepatroon te bevestigen. Be-langrijk om op te merken is dat een dubbelenormscenario en informele standaardisering met elkaar gepaard kunnen gaan. Immers, de verschillende sprekers van een specifieke taalgemeenschap kunnen er verschil-

GHYSELEN 51

lende attitudes op nahouden, waarbij voor de ene spreker tussentaal bijvoorbeeld als enige prestigenorm fungeert, terwijl een andere in zijn nor-mensysteem ook aan de huidige standaardtaal nog een belangrijke plaats toekent.

Een derde scenario is er tot slot één van destandaardisering, dat voor-spelt dat het standaardideaal in steeds meer situaties terrein zal verliezen en dat in die situaties dus steeds meer taalvariatie getolereerd zal worden. In dit scenario, waarbij sprake is van een zogenoemde 'laatmoderne nor-meloosheid'5, is een reductie van interne tussentaalvariatie minder waar-schijnlijk. Op attitudineel vlak kunnen we verwachten dat prestigeattributen of dynamiekgeoriënteerde percepties minder eenduidig zullen worden. Ook hier is dus zowel attitudineel als taalstructureel onderzoek nodig om de waarschijnlijkheid van het scenario te bepalen. In dit artikel presente-ren we de resultaten van een hoofdzakelijk taalstructureel onderzoek naar de interne tussentaalvariatie in de Westhoek; op die manier hopen we een bijdrage te leveren aan het onderzoek naar (de)standaardiseringsprocessen in Vlaanderen.

4 Methodologie

Om na te gaan of er in Vlaanderen sprake is van tussentaalhomogenisering, werd een correlationeel sociolinguïstisch onderzoek opgezet: in een corpus van multisituationele spraak werden 28 linguïstische variabelen bestu-deerd in hun correlatie met sociale factoren zoals leeftijd en situatie. Deze productiedata werden aangevuld met perceptuele data uit socioling-uïstische diepte-interviews, die meer inzicht kunnen bieden in de percep-tueel-cognitieve status van eventuele variantenclusters.

4.l Een correlationeel sociolinguïstische aanpak

De studie van taalvarianten in hun samenhang met allerhande sociale parameters staat in de literatuur bekend als kwantitatief sociolinguïstisch, correlationeel sociolinguïstisch, kwantitatief variatielinguïstisch of simpelweg als het Laboviaanse paradigma (Nekvapil 2000:33). Het paradigma laat toe op een wetenschappelijke manier eventuele structuren te kwanti-ficeren in de heterogeniteit van spontane spraak en die ook te verklaren aan de hand van factoren zoals situatie en leeftijd (cfr. Poplack 1993). Door te focussen op verschillende situaties kunnen we bovendien inzicht krijgen in het talige bereik van individuele sprekers en hun 'style-shifting'-gedrag, i.e. de manier waarop een spreker in zijn talige ruimte beweegt. We gaan er

immers vanuit dat de verschillende situaties verschillende spreekstijlen zullen veroorzaken. Door op leeftijd te focussen, kunnen we ten slotte ook mogelijke apparent time veranderingen6 blootleggen, wat ons toelaat taalverandering in kaart te brengen terwijl die zich nog aan het voltrekken is. Dat zijn meteen ook de grote merites van de correlationeel sociolinguïstische aanpak en de redenen waarom die frequent toegepast wordt in het variatielinguïstische onderzoek.

Ondanks de besproken merites zijn de 'first wave variation studies' (Eckert 2012) niet vrij gebleven van kritiek. Naast het dominante Labovi-aanse paradigma is een meer interactionele vorm van sociolinguïstiek tot ontwikkeling gekomen (cfr. Nekvapil 2000), die verschillende aspecten van de correlationele aanpak op de korrel neemt:

1. Een eerste punt van kritiek is de relatief 'beperkte' blik van de correlationele sociolinguïst. Immers, in kwantitatieve variatielinguïstische benaderingen focust de onderzoeker op een beperkt aantal linguistische en sociale fenomenen (cfr. Nekvapil 2000:35), waarbij sociale factoren de blootgelegde linguïstische patronen moeten verklaren. Op die manier, zo merkt Eckert (1997) op, worden steeds dezelfde categorieën en sociale betekenissen getest, en blijven eventuele andere linguïstische patronen of verklarende factoren buiten beeld.

2. Een tweede punt van kritiek betreft de manier waarop sociale en situ-ationele parameters in het empirische onderzoek geoperationaliseerd worden. Sprekers zouden te veel als bundels van demografische kenmerken behandeld worden (Schilling-Estes 2002), waardoor wordt voorbijgegaan aan de 'situation-specific social identity of the actual speaker' (Nekvapil 2000:34). De sociale categorieën van de wetenschap-per zouden daarenboven niet (altijd) overeenstemmen met de sociale percepties en het sociale bewustzijn van de sprekers zelf (Dittmar 2010:143) en op die manier over weinig verklarende kracht beschikken. Tot slot wordt vaak ook de invulling van het begrip 'stijl' bekritiseerd. Labov (1972:208) gaat ervan uit dat 'styles can be ranged along a single dimension, measured by the amount of attention paid to speech'. Een talige situatie wordt volgens hem dus gedetermineerd door de mate van zelf-monitoring, i.e. de mate waarin sprekers aandacht besteden aan hun taalgebruik, en dat bepaalt ook het onderscheid tussen infor-meel en formeel. Dat model is volgens velen, zoals ook Schilling-Estes (2002:382), te eenzijdig. Zij merkt terecht op dat er ook spreekstijlen zijn die simpelweg niet passen in een continuüm dat puur gebaseerd is op een onderscheid formeel-informeel.

GHYSELEN

3. Een derde en laatste discussiepunt betreft de validiteit van de apparent-time techniek. Daarbij wordt vooral de hoeksteen van de methode in vraag gesteld, namelijk het idee dat het taalgebruik van een individu na een kritische leeftijd niet meer verandert. Het idiolect zou niet zo invariabel zijn als vaak wordt gesteld, maar integendeel vatbaar zijn voor lifespan change (Sankoff 2006), zoals age grading, late adoptions en re-gressieverschijnselen7 (Boberg 2004, Hoppenbrouwers 1990). Uit veelvul-dig recent onderzoek is echter gebleken dat dergelijke lifespan change vooral op lexicaal gebied voorkomt en zelden de resultaten van apparent-time onderzoek vertekent (cfr. Sankoff en Blondeau 2007, Boberg 2004).

In dit onderzoek gaan we uit van een correlationele benadering, maar zijn we bovenstaande terechte punten van kritiek steeds indachtig. Meer speci-fiek proberen we aan de hand van sociolinguïstische interviews aandacht te besteden aan de sociale percepties en intenties van de sprekers (zie ook de invulling van het variëteitenbegrip). Bovendien werden in dit onderzoek ook vooral descriptieve statistische methodes gehanteerd (cfr. sectie 4.3.), die niet alleen toelaten om door de onderzoeker geformuleerde hypotheses te testen ('top-down'), maar ook 'bottom-up' generalisaties moge-lijk maken. Ten slotte vertrekken we bij de selectie van de situaties niet vanuit de eenzijdige en moeilijk te definiëren parameter [±formaliteit], maar wel vanuit de parameters 'bekendheid met de gesprekspartner' en 'regionale herkomst van de gesprekspartner'. Die laatste parameter wordt in het huidige correlationele onderzoek zelden toegepast - formaliteits-graden en regionaliteitsgraden worden vaak over dezelfde kam geschoren - terwijl hij voor de taalgebruiker belangrijk blijkt (cfr. Gabel 2010). De gekozen combinatie van parameters neemt niet weg dat de bestudeerde situaties onderling heterogeen zijn en in aantal vrij beperkt. In de ideale wereld beschikken we over corpora waarin over heel Vlaanderen indivi-duele sprekers gedurende lange tijd gevolgd worden in een breed gamma aan situaties. Momenteel is een dergelijk corpus echter niet voorhanden; voor dit onderzoek werd dan ook een nieuwe dataverzameling aangelegd waarin om redenen van haalbaarheid maar een beperkt aantal sprekers gevolgd werd in een beperkt aantal situaties.

4.2 Corpus

In deze studie wordt het taalgebruik onderzocht van tien hoogopgeleide Ieperse vrouwen uit twee leeftijdscategorieën (vijf geboren tussen 1981 en 1986 en vijf geboren tussen 1955 en 1961). Alle sprekers hebben minimaal

tot hun 18e levensjaar in de regio Ieper8 gewoond; bovendien is minimum een van hun ouders in dezelfde regio opgegroeid. De informanten mochten ondertussen wel al verhuisd zijn naar een andere stad of regio, aangezien een dergelijke mobiliteit tussentaalonderzoek interessant maakt.

De regio Ieper werd geselecteerd als onderzoeksregio omdat het Ieperse dialect verschillende van de zogeheten stabiele tussentaalkenmerken, zoals de ke-diminutieven en het ge-pronomen, niet kent. Als we die kenmerken in het Ieperse tussentaalgebruik aantreffen, dan is dat een duide-lijk teken van interregionale tussentaalhomogenisering. Dat maakt de regio uiterst interessant voor tussentaalonderzoek. Ieper is echter ook een vrij dialectvaste regio, waar voor vele sprekers nog steeds dialect en niet tussentaal de moedertaal is (cfr. Ghyselen en Van Keymeulen 2014). Het valt dan ook te verwachten dat een eventuele tussentaalhomogenisering pas later zal optreden in Ieper dan in andere regio's waar het dialectverlies al verder gevorderd is en waar tussentaal vaker gesproken wordt. Als we in dit Ieperse onderzoek dus tekenen van tussentaalhomogenisering vinden, dan kan aangenomen worden dat die ook elders in Vlaanderen te vinden zijn, hoogstwaarschijnlijk in sterkere mate.

Wat het sociale profiel van de sprekers betreft, werd geopteerd voor hoogopgeleide informanten met een universitair diploma, aangezien we o.a. wilden focussen op supraregionaal taalgebruik en een hogere opleiding doorgaans gepaard gaat met mobiliteit en meer supraregionale contacten, zeker in West-Vlaanderen: in West-Vlaanderen kan men geen universitaire opleiding afronden zonder de provincie te verlaten. Er werd voor vrouwen gekozen omdat die in de literatuur traditioneel bekendstaan als de voor-trekkers van taalverandering (cfr. Chambers en Trudgill 1998 over rol van vrouwen in het algemeen, en Plevoets 2009 over tussentaal in Vlaanderen), wat interessante perspectieven biedt bij een onderzoek naar tussentaalhomogenisering. Wat opleiding en beroep betreft, werden enkel Ieperlin-gen geselecteerd die geen talige opleiding of beroep hebben (geen taal- of letterkundigen, logopedisten, vertalers of tolken); we wilden immers op het taalgebruik van de talige leek focussen. De twee leeftijdsgroepen ten slotte representeren jonge werkende volwassenen enerzijds en hun ouders an-derzijds, die opgevoed zijn in de tijd van de ABN-acties (cfr. Van Hoof en Vandekerckhove 2013). Door met twee leeftijdscategorieën te werken, hoopten we eventuele apparent time veranderingen te kunnen opsporen (cfr. paragraaf 4.1.). Er werd bewust voor gekozen om geen jongere informanten in het onderzoek op te nemen; age grading wilden we namelijk in de mate van het mogelijke vermijden.

Tussen mei 2012 en april 2013 maakten de tien boven beschreven vrou-

GHYSELEN 55

wen opnames in twee situaties: tijdens een gesprek met een vriend(in) uit Ieper en tijdens een gesprek met een vriend(in) uit een ander dialectgebied (Oost-Vlaanderen, Brabant of Limburg). Die gesprekken laten ons toe het Ieperse taalgebruik in regionale en supraregionale informele settings te onderzoeken. De informanten werden op de hoogte gesteld van het doel van het onderzoek en werden gevraagd te spreken zoals ze normaal met hun respectievelijke gesprekspartners zouden spreken. Uiteraard schuilt hier het gevaar van de 'observer's paradox' (Labov 1972:209); de informanten weten immers dat ze geobserveerd worden en dat zou het taalgedrag kunnen beïnvloeden. Dit probleem trachtten we enigszins te ontwijken door als onderzoeker niet aanwezig te zijn bij de opnames en door telkens de eerste vijf minuten van de gesprekken niet te analyseren, in de verwach-ting dat de zelf-monitoring van de informanten na verloop van tijd groten-deels zou wegvallen. Wanneer de informele opnames achter de rug waren, werd bij elk van de vrouwen een interview afgenomen (30 à 45 minuten) door een niet-West-VIaamse interviewer, die polste naar de visie van de Ieperse vrouwen op hun eigen taalgebruik en op taalvariatie in het alge-meen. Op die manier kon het supraregionaIe taaIgebruik in een formeIere setting onderzocht worden en werden ook de nodige metadata verzameId om het informeIe taaImateriaaI te interpreteren. Tot sIot maakten de informanten ook nog omzetoefeningen, waarbij ze eerst standaardtaaIzin-nen te horen kregen die ze in het IokaIe traditioneIe diaIect moesten om-zetten ('zoals dat door de oudste Ieperlingen wordt gesproken'), om daarna zinnen uit het Ieperse dialect in standaardtaal om te zetten ('zoals je die tijdens het journaal hoort'). Met die oefeningen wilden we nagaan of spre-kers die in respectieveIijk de informeIe regionaIe en de formeIe supraregionale situatie geen dialect of standaardtaal spreken dat doen omdat ze dat niet wiIIen, dan weI omdat ze dat niet kunnen. De data die verkregen worden bij deze omzetoefeningen zijn uiteraard van een heel andere aard dan de spontane spraakdata (cfr. Lenz 2003:57-62); daar zal rekening mee gehouden worden wanneer we de taalrepertoria van de informanten in kaart brengen.

De verzameIde opnames werden door de auteur van dit artikeI ortho-grafisch getranscribeerd met het programma Praat (Boersma en Weenink 2011)9 volgens een licht vereenvoudigde versie van het protocol van het Corpus Gesproken Nederlands (Goedertier en Goddijn 2000). Annotatie bleef hierbij beperkt; enkel morfo-syntactische afwijkingen werden gemar-keerd en vernederlandst. Met het softwarepakket EXMARaLDA (Schmidt en Wörner 2009) werd een doorzoekbaar corpus opgebouwd. Zo verkregen we een geannoteerd corpus van zo'n vijftien uur spontane spraak.

56 VOL.67,NO. 1,2015

4.3 Variabelenanalyses

Het opgebouwde corpus werd geanalyseerd aan de hand van variabelenanalyses: voor 28 fonologische en morfosyntactische variabelen werd nage-gaan wanneer de sprekers welke variant gebruiken. Lexicon werd om re-denen van haalbaarheid buiten beschouwing gelaten. Dan nog bleef de lijst aan mogelijk te analyseren dialectkenmerken (opgesteld op basis van SAND 2005, 2008, FAND 1998, 2000, 2005 en MAND 2005, 2009) echter (te) lang. Zes criteria werden gehanteerd om de uiteindelijke variabelen te selecteren:

1. De kenmerken moesten voldoende frequent in het corpus voorkomen;

2. De verschillende varianten van de variabelen moesten vrij makkelijk zonder akoestische analyses te onderscheiden zijn. Voor deze studie beoordeelde immers één onderzoeker alle varianten. Om te vermijden dat bijvoorbeeld de regionale achtergrond van die onderzoeker de ca-tegorisatie te veel zou beïnvloeden (cfr. Coussé et al. 2004), werden variabelen geselecteerd waarbij er een vrij grote structurele afstand is tussen de verschillende varianten en waarbij de categorisatie dus minder makkelijk door idiosyncratische percepties vertekend kan wor-den10;

3. Het moest mogelijk zijn om objectief (dus zonder eigen dialectintuï-ties) te bepalen in welke contexten niet-standaardtalige varianten kon-den optreden;

4. De niet-standaardtalige varianten van de geselecteerde kenmerken moesten onderling variëren in regionale verspreiding;

5. Die kenmerken waarover in de literatuur debat bestaat, moesten een plaats krijgen in de variabelenselectie;

6. De geselecteerde kenmerken moesten onderling variëren in taaldomein (syntaxis, fonologie en morfologie).

De variabelen die op basis van die criteria gekozen werden, worden opge-lijst in tabel 1, waar ook de geattesteerde varianten worden weergegeven. Aangezien het ons te ver zou leiden om voor elk van de 28 variabelen alle varianten in detail te bespreken, verwijzen we voor gedetailleerde informa-tie naar SAND (2005, 2008), FAND (1998, 2000, 2005) en MAND (2005, 2009). In De Vogelaer (2008) is meer informatie te vinden over subjectver-dubbeling, in Cornips en De Vogelaer (2009) over genusmarkering en in De Vogelaer en Vandenberghe (2006) over onbepaalde voornaamwoorden en bijwoorden.

GHYSELEN

Tabel 1 Overzicht variabelen en geattesteerde varianten (geordend volgens taaldomein en regionale verspreiding variant 111)

Taaldomein Regio var.1 Variabele Geattesteerde varianten ('variantencode', frequentie)12

Fonologie Beperkter dan Realisatie AN prefigaal ge in Variant 1: wegval beginconsonant ('edaan', n=107)

West-Vlaanderen participia [œ]daan, [sjdaan

Variant 2: Beginconsonant gerealiseerd ('gedaan', n=969)

[ys]daan

Representatie van AN [sx] in Variant 1: [fx) ('sjch', n=122)

anlaut Uxotls]

Variant 2: [sx) ('sch', n=155)

[sxo:l]

West-Vlaanderen Representatie van AN [cJ] Variant 1: korte monoftong ('min', n=978)

(niet voor r, voor hiaat of in [min]

auslaut) Variant 2: lange monoftong of diftong13 ('mijn', n=1183)

[men], m[E.']n

Realisatie van AN [œ.y] Variant 1: korte monoftong ('hus', n=370)

(afgeleid van wgm. û) [hys]

Variant 2: lange monoftong ('hùùs', n=340)

[hœ.s]

Variant 3: diftong ('huis', n=227)14

[hœ.ys]

Representatie van AN [o.u] Variant 1: korte monoftong ('koed', n=116)

voor [t] of [d] [stut]

Variant 2: lange monoftong ('kood', n=44)

[sto:t]

Variant 3: diftong ('koud', n=95)

[sto.ut]

Representatie scherplange [o:] Variant 1: diftong ('grooët', n=87)

voor dentaal [yrust]

Variant 2: lange monoftong ('groot', n=135)

[yro:t]

West- en Oost-Vl. Representatie AN [y] Variant 1: laryngalisering ('h', n=4533)

[h]oed [h]edaan

Variant 2: realisatie als [y] ('g', n=1109)

[y]oed [y]edaan

Niet-suffigale eind-sjwa Variant 1: met eind-sjwa ('bedde', n=105)

vrouwe

Variant 2: zonder eind-sjwa ('bed', n=168)

Representatie zachtlange [o:] Variant 1: gepalataliseerde vorm ('zeun', n=95)

[z0ns]

Variant 2: [o:] ('zoon', n=115)

[zo:n]

Ruimerdan Representatie van AN initieel Variant 1: h-deletie ('hdel', n=1462)

West- en [h]15 oeveel

Oost-Vlaanderen Variant 2: realisatie h ('gnhdel', n=259)

hoeveel

t -deletie in niet of in dat + C Variant 1: t-deletie ('niedaC', n=3608) je moet da nie doen. Variant 2: realisatie eindmedeklinker ('nietdatC', n=262) je moet dat niet doen.

Niet in regio leper t -deletie in dat + V Variant 1: t-deletie ('daV', n=104)

Ik kom da ook tegen.

Variant 2: realisatie eindmedeklinker16 ('datV', n=879) Ik kom dat ook tegen

VOL.67,NO. 1,2015

Taaldomein Regio var.1 Variabele Geattesteerde varianten ('variantencode', frequentie)12

Morfo- Beperkter dan Verbuiging van het mannelijk Variant 1: e ('e', n=426)

syntaxis West-Vlaanderen onbepaald lidwoord e vent

Variant 2: ne ('ne', n=120)

ne vent

Variant 3: een ('een', n=109)

een vent

Werkwoordsvorm presens 1e Variant 1: infinitiefvorm17 ('ikmaken', n=628)

persoon enkelvoud (in zinnen Ik spelen

zonder inversie) Variant 2: stam +e ('ikmake', n=93)

Ik spele

Variant 3: stam ('ikmaak', n=1038)

Ik speel

Vorm van AN ons/onze Variant 1: (nW(n)uze ('(n)us', n=77)

(n)us kind, (n)uze moeder

Variant 2: ons/onze ('ons1', n=145)

ons kind, onze moeder

West-Vlaanderen Representatie van AN hij- Variant 1: ne/e ('hijl(n)e', n=82)

zwakke vorm voor ww Ne komt ook.

Variant 2: ie ('hpe', n=36)

le komt ook.

Variant 3: je ('hijlje', n=92)

Je komt ook.

Variant 3: hjn'hijV, n=103)

Hj komt ook.

Representatie van AN hij - Variant 1: 'n/ne ('hij2n', n=111)

vorm na voegwoord of werk- Komt 'n ook?

woord Variant 2: em ('hij2em', n=39)

Komt em ook?

Variant 2: ie ('hij2ie', n=91)

Komtie ook?

Variant 3: Af ('hij2', n=56)

Komt hjook?

Onbepaald voornaamwoorden/ Variant 1: etwien, etwat/etwuk, etwaarschen ('etw', n=113)

bijwoorden van persoon, zaak Is er etwat?

en plaats Variant 2: iemand, iets, ergens ('ergie', n=246)

Is er iets?

West- en Oost- Subjectverdubbeling 3 enk Variant 1: subjectverdubbeling ('sub31 ', n=80)

Vlaanderen m/v, 1 mv, 3 mv in inversie- A me wider komen... Komt 'n em ook? A ze zider ook komen...

zinnen en bijzinnen, met een Variant 2: geen verdubbeling ('gnsub31', n=204)

vol subject18 Als wj komen... Komt hjook? Alszjkomt.... Alszj komen

Hulpwerkwoord in perfectum Variant 1: hebben ('hebben', n=27)

van de hoofdwerkwoorden Ik heb ziek geweest.

zijn/tegenkomen/viillen Variant 2: zijn ('zijn', n=113)

Ik ben ziek geweest

Ruimer dan Subjectverdubbeling 2enk/mv Variant 1: subjectverdubbeling ('sub12', n=275)

West- en en 1enk in inversiezinnen en Morgen kom ekik ook.... da je gider morgen komen

Oost-Vlaanderen bijzinnen, met een vol sub- Variant 2: geen subjectverdubbeling ('gnsub12', n=412)

ject18 Morgen kom ik ook. Dat jujlie morgen komen.

Representatie van AN ver- Variant 1: voorzetsel voor19 (W, n=99)

plichte om +te- infinitief Dat kost veel voor te wassen.

Variant 2: voorzetsel om ('om', n=109)

Dat kost veel om te wassen.

Expletief dat na voegwoorden Variant 1: met expletief dat ('exdat', n=312)

wie, wat, waar, hoe, wanneer Ik weet niet wie dat er komt

en of Variant 2: zonder expletief dat ('gnexdat', n=47)

Ik weet niet wie er komt.

GHYSELEN 59

Taaldomein Regio var.1 Variabele

Geattesteerde varianten ('variantencode', frequentie)

Niet in regio leper Doffe subjectsvormen van per-soonlijk voornaamwoord tweede persoon enkelvoud

Variant 1: ge/de ('ge', n=304) Ge komt. Komde ook? Variant 2: je ('je', n=1138) Je komt. Kom je ook?

Variant 1: ke-diminutief ('kedim', n=55) bloempke/bloemeke

Variant 2: je-diminutief20 ('jedim', n=169) Bloempje

Variant 1: dubbele negatie ('dneg', n=3)

Ik ga dat nooit nie doen.

Variant 2: enkele negatie ('eneg', n=103)

Ik ga dat nooit doen.

Variant 1: geen flexie ('ons2', n=18)

ons moeder

Variant 2: wel flexie ('onze2', n=37) onze moeder

Diminutieven bij substantieven waarvan stam niet eindigt op -t

Negatie in zinnen met nooit, niemand, nergens

Flexie van bezittelijk voor-naamwoord ons voor een vrouwelijk enkelvoudig sub-stantief, mannelijk enkel-

voudig substantief dat op een

familieverband wijst of voor substantief in het meervoud

Om na te gaan hoe de onderzochte taalvarianten zich onderling verhouden en wat de relatie is met de onafhankelijke variabelen leeftijd en situatie, werd een profielgebaseerde correspondentieanalyse (cfr. Plevoets 2008, De Sutter, Delaere en Plevoets 2012) gecombineerd met een clusteranalyse.

Profielgebaseerde correspondentieanalyse onderzoekt de correspon-denties of associaties tussen rijen en kolommen van een frequentietabel en probeert die op een bevattelijke manier samen te vatten (Costa et al. 2013:1). De techniek is vergelijkbaar met Principal Components Analysis, maar terwijl die laatste zich toespitst op 'real-valued numbers' (Baayen 2008:128-129), focust correspondentieanalyse op percentages. Als eerste stap worden bij correspondentieanalyse twee matrices met afstanden berekend21, een voor de afstanden tussen de kolommen (bvb. de associa-tie tussen de situatie dialecttest en de situatie interview voor de 64 onderzochte taalvarianten) en een voor de afstanden tussen de rijen (bvb. de associatie tussen het ke-diminutief en het ge-pronomen voor de verschil-lende situaties en leeftijden). De tweede stap in de correspondentie-analyse is om de berekende afstanden zo getrouw mogelijk weer te geven in een tweedimensionele plot. Daartoe worden de oorspronkelijk multidimensionale matrices gereduceerd tot tweedimensionale matrices. Dat gebeurt met singular value decomposition, een techniek die de dimen-sionaliteit van data reduceert met behoud van zo veel mogelijk relevante informatie. De afstanden uit de twee gereduceerde matrices worden vervolgens samen weergegeven in een biplot, waarin de afstand tussen twee datapunten een indicatie vormt van de associatie tussen die twee punten: varianten die ver van elkaar geplot worden, vertonen een lage graad van

associatie; bij taalvarianten die dicht bij elkaar staan, is de associatie hoog. Van belang in een correspondentieplot zijn dus vooral de afstanden tussen de verschillende datapunten en de manier waarop die clusteren; de x-as en de y-as zelf hebben geen vooraf bepaalde interpretatie (cfr. Geeraerts 2010).

In deze studie werd een profielgebaseerde variant van correspondentieanalyse gebruikt. Profielgebaseerde correspondentieanalyse verschilt van klassieke correspondentieanalyse doordat de taalvarianten niet als autonome datapunten worden behandeld, maar als subniveaus van een varia-bele. In ons geval werden de masculien definiete lidwoorden ne, e en een bijvoorbeeld behandeld als subniveaus van de variabele een, en niet als drie autonome variabelen. Voor meer informatie over (de voordelen van) deze profielgebaseerde benadering, verwijzen we naar De Sutter, Delaere en Plevoets (2012). Een ander aspect waarin de gehanteerde corresponden-tie-analyse verschilt van klassiekere varianten is dat er ook aan hypothese-testing werd gedaan; de techniek was dus niet puur descriptief. Meer spe-cifiek werden betrouwbaarheidsellipsen getekend op basis van bootstrapping (voor meer informatie, zie Reiczigel 1996, Plevoets 2013). Die ellipsen dienen op dezelfde manier geïnterpreteerd te worden als traditionele be-trouwbaarheidsintervallen (cfr. Plevoets 2013): als de ellipsen van twee categorieën (bvb. twee leeftijdsgroepen) niet overlappen, dan is de afstand tussen die twee significant; zijn er wel overlappingen, dan is er geen bewijs van statistische significantie.

Correspondentie-analyse is nauw gerelateerd met clusteranalyse, een statistische techniek die clusters zoekt in multivariate data, waarbij kenmerken in één cluster onderling heel gelijkaardig gedrag vertonen en kenmerken uit verschillende clusters sterk verschillen (Gries 2009:337). Zoals Lebart en Mirkin (1993) opmerken, is het clusterproces (kenmerken groe-peren door co-variatie te meten) heel anders dan dat van correspondentie-analyse (kenmerken projecteren op een tweedimensionale ruimte), maar kunnen de resultaten vrij vergelijkbaar zijn: beide methodes zijn descriptieve technieken die variabelen groeperen op basis van onderlinge correspondenties. In dit onderzoek werd correspondentie-analyse als basistechniek gehanteerd, aangezien die methode een stap verder gaat dan clusteranalyse: terwijl clusteranalyse toont welke varianten met elk-aar correleren, kan correspondentie-analyse ook verklaren hoe deze varianten correleren door ook hoofdeffecten zoals leeftijd en situatie weer te geven. Daarenboven is er - naar mijn weten althans - momenteel nog geen profielgebaseerde variant van clusteranalyse beschikbaar, terwijl die profielgebaseerde methode al meermaals zijn nut bewezen heeft in on-

GHYSELEN 61

derzoek naar varieteitenstructuur (cfr. o.a. Speelman, Grondelaers en Ge-eraerts 2003). Clusteranalyse heeft echter ook verschillende voordelen die correspondentie-analyse niet heeft. Lebart en Mirkin (1993:15) merken bij-voorbeeld op dat de resultaten van clusteranalyse makkelijker objectief te beschrijven zijn dan die van correspondentie-analyse. Bovendien worden in een correspondentieplot doorgaans om redenen van haalbaarheid slechts twee dimensies geplot, terwijl een clusterdendrogram een veel groter aantal dimensies in rekening kan brengen. Daarom kan het nuttig zijn de twee technieken te combineren (cfr. Costa et al. 2013). In deze studie werd de output van de correspondentie-analyse als input gebruikt voor de clusteranalyses. Daarbij wordt aan de hand van een screeplot eerst nagegaan hoeveel dimensies van de correspondentie-analyse idealiter be-houden blijven na de singular value decomposition. Slechts twee dimensies kunnen in een correspondentieplot weergegeven worden, maar een meer-dimensionele dataset kan wel als input dienen voor de clusteranalyse. Door de resultaten van de clusteranalyse, i.e. het dendrogram, naast die van de correspondentie-analyse, i.e. de correspondentieplot, te leggen, krijgen we een volledig beeld waarbij we enerzijds door de clusteranalyse voldoende variatie in rekening brengen en een mathematische opsplitsing in clusters verkrijgen en anderzijds aan de hand van de correspondentie-plot ook inzicht krijgen in het effect van de onafhankelijke parameters 'leeftijd', 'situatie' en 'spreker'. Bij de clusteranalyse werd de Ward-me-thode (of 'minimum variance method') gehanteerd om de onderzochte taalkenmerken te clusteren. Die techniek genereert clusters met zo weinig mogelijk variantie binnen elke cluster (Gries 2009:317, Janssens et al. 2008).

5 Resultaten

5.1 Het Ieperse taalrepertorium

Tabel 2 geeft voor elk van de onderzochte taalvariabelen weer hoe vaak de verschillende varianten gerealiseerd werden in de vijf onderzoekssi-tuaties, namelijk (1) de dialecttest, (2) de gesprekken met vrienden uit het eigen dialectgebied, (3) de gesprekken met vrienden uit een ander dia-lectgebied, (4) de sociolinguïstische interviews en (5) de standaardtaal-test. Hoge percentages voor een variant geven aan dat de sprekers bijna altijd voor die variant opteren in de specifieke situatie, en niet voor andere equivalente varianten. Een visuele weergave van de gegevens is te vinden in figuur l, een correspondentieplot van alle geattesteerde taal-

Varianten, met daarbij ook de hoofdeffecten voor leeftijd en situatie22. Varianten die dicht bij elkaar geplot worden, vertonen een vergelijkbaar gedrag; is de afstand tussen Varianten groot, dan zijn die slechts zwak gecorreleerd. De twee geplotte dimensies in figuur 1 verklaren samen 59.57% van de oorspronkelijke variantie, wat een vrij laag percentage is; doorgaans wordt immers gestreefd naar een totaal verklaarde variantie van 70 à 80% (cfr. Di Franco en Marradi 2013:83-84). Wanneer we alle dimensies bestuderen, dan blijkt een analyse met vier dimensies voor onze data ideaal. Met vier dimensies wordt immers 73.86% van de totale variantie verklaard en wanneer we de eigenvalues voor de verschillende dimensies weergeven in een screeplot, is er bij de vierde dimensies een 'elleboog' te vinden (cfr. Baayen 2008:130, Di Franco en Marradi 2013:8384). Een dergelijke elleboog geeft aan dat de dimensies die na de vierde dimensie volgen, over weinig verklarende kracht beschikken. Helaas kun-nen meer dan twee dimensies moeilijk bevattelijk gevisualiseerd worden op papier, waardoor we ons bij de correspondentieplots tevreden moeten stellen met twee dimensies. Wel zullen vier dimensies als input dienen voor de clusteranalyses.

In de biplot zien we een duidelijk horizontaal continuüm van dialect-varianten aan de linkerzijde (zie bvb. 'sjch', de realisatie van AN [sx] als [)x] en het bezittelijk voornaamwoord '(n)us') naar standaardtaalvarianten aan de rechterzijde (zie bvb. 'een', het lidwoord een voor mannelijke enkelvou-dige substantieven en 'gnexdat', de afwezigheid van het expletief dat). In de rechterbovenhoek clusteren verschillende niet-standaardtalige, niet-di-alectische varianten samen, zoals de ke-diminutieven ('ke-dim'), het gepronomen ('ge') en de doffe vorm em als persoonlijk voornaamwoord 3 enkelvoud na voegwoorden of bij inversie ('vw:ww+hij-m').

GHYSELEN 63

Tabel 2 Frequentie Varianten per situatie23

Variabele Variant Dialecttest Vriend eigen regio Vriend andere regio Interview Standaard-taaltest

% n % N % n % n % N

Fonologie Realisatie AN prefigaal ge in participia wegval [y] 29 56 23 359 2 362 0 240 0 59

[y] gerealiseerd 71 77 98 100 100

Representatie van AN [sx] in anlaut [ix] 91 110 23 86 0 79

[sx] 9 77 100

Representatie van AN [c.i] (niet voor r, voor hiaat of in auslaut) [1] 100 72 95 680 35 716 2 607 0 86

[£:] of [E.l 0 5 65 98 100

Realisatie van AN [œ.y] (afgeleid van wgm. û) [y] 100 21 93 323 16 273 0 295 4 25

[œ.] 0 0 43 72 36

[œ.y] 0 6 41 27 60

Representatie van AN [o.u] voor [t] of [d] [u] 100 22 99 81 19 74 0 51 0 27

[o:] 0 0 20 43 26

[3.1] 0 1 61 57 74

Representatie scherplange [o:] voor dentaal [us] 78 9 70 99 15 74 0 28 0 11

[o:] 22 30 85 100 100

Representatie AN [y] [h] 82 129 96 2086 81 1960 58 1412 62 55

M 18 4 19 42 38

Niet-suffigale eind-sjwa met sjwa 86 21 94 89 3 89 0 64 0 10

zonder sjwa 14 6 97 100 100

Representatie zachtlange [o:] [0] 100 20 97 65 21 57 0 48 0 20

[o:] 0 3 79 100 100

Representatie van AN initieel 'h' in een selectie van woorden h-deletie 97 87 98 705 88 560 63 291 14 78

[h] gerealiseerd 3 2 12 37 86

t-deletie in niet of in dat + C t-deletie 100 81 99 1259 99 1447 83 1010 8 73

realisatie eindmedeklinker 0 1 1 17 92

t-deletie in dat + V t-deletie 5 328 15 342 11 308

realisatie eindmedeklinker 95 84 89

Morfologie Verbuiging van het mannelijk onbepaald lidwoord e 86 22 88 289 52 234 31 89 9 21

ne 0 9 35 12 0

een 14 3 12 56 90

Werkwoordsvorm presens 1e persoon enkelvoud (in zinnen zonder inversie) Infinitiefvorm 84 56 90 565 13 539 1 543 0 56

Stam+e 9 4 10 2 0

Stam 7 6 77 97 100

Representatie van AN ons/onze us/uze/nus/nuze 100 8 97 49 23 89 0 69 0 9

ons/onze 0 2 76 100 100

Representatie van AN hij -zwakke vorm voor ww ne/e 58 30 48 103 11 81 0 22 0 41

je 18 48 39 9 0

hij 3 1 49 91 100

Representatie van AN hij - vorm na voegwoord of werkwoord 'n/ne 54 22 69 125 12 106 0 24 0 20

'm 0 0 34 12 0

ie 45 30 39 8 0

hij 0 1 15 79 100

Onbepaald voornaamwoorden/bijwoorden van persoon, zaak en plaats etwien, etwat/etwuk, etwaaischen 80 116 19 106 0 137

iemand, iets, eigens 19 81 100

Subjectverdubbeling 3 enk m/v, 1 mv, 3 mv in inversiezinnen en bijzinnen, met een vol subject verdubbeling 54 11 70 77 22 86 1 95 0 30

geen verdubbeling 45 30 78 99 100

Hulpwerkwoord in perfectum van de hoofdwerkwoorden zijn/tegenkomen/vallen hebben 4 25 51 35 22 36 0 15 0 29

zijn 96 49 78 100 100

VOL. 67, NO. 1,2015

Subjectverdubbeling 2enk/mv en 1enk in inversiezinnen en bijzinnen, met een vol subject verdubbeling 94 145 67 170 67 359 0 10

geen verdubbeling 6 33 33 100

Representatie van AN verplichte om + te- infinitief voor 89 70 40 77 4 47 0 9

om 11 60 96 100

Expletief dat na voegwoorden wie, wat, waar, hoe, wanneer en of met expletief dat 100 12 99 113 98 131 62 93 20 10

zonder expletief dat 0 1 2 38 80

Doffe vormen van persoonlijk voornaamwoord tweede persoon enkelvoud ge 0 13 6 579 31 561 34 279 0 10

je 100 94 69 66 100

Diminutieven bij substantieven waarvan stam niet eindigt op -t Ae-diminutief 0 13 8 100 62 73 13 15 0 23

je-diminutief 100 92 38 87 100

Negatie in zinnen met 'nooit', 'niemand', 'nergens' dubbele negatie 3 34 2 52 5 20

enkele negatie 97 98 95

Flexie van bezittelijk voornaamwoord ons voor een vrouwelijk enkelvoudig substantief, mannelijk enkelvoudig substantief dat op een familieverband wijst of voor substantief in het meervoud geen flexie 12 8 43 30 23 17

wel flexie 88 57 77

Figuur 1 Correspondentieplot met leeftijd, situatie en informant als hoofdeffecten

GHYSELEN

Wanneer we kijken naar de associaties tussen de taalvarianten enerzijds en de onafhankelijke variabele situatie anderzijds, zien we in tabel 2 bij de dialecttest en de regionale vriendengesprekken voor bijna alle variabelen hoge percentages varianten die endogeen zijn in het Ieperse dialect. In de biplot vertalen die hoge percentages zich in een sterke correlatie (kleine afstand) tussen de dialecttest ('dia') en de regionale vriendengesprekken ('reg) enerzijds en de dialectvarianten links in de biplot anderzijds. Op-vallend is dat het taalgebruik in de dialecttest amper verschilt van dat in de regionale vriendengesprekken (cfr. kleine afstand tussen 'dia' en 'reg' in figuur 1). Er zijn wel tekenen van dialectverlies (zie bvb. het lage percentage bij de dialectische wegval van [y] in het prefigale ge in tabel 2), maar die zijn beperkt: bij het merendeel van de onderzochte variabelen blijkt de dialectvariant heel vitaal. Het Ieperse regionale taalgebruik is dus vrij dia-lectisch, althans wanneer gefocust wordt op de geselecteerde fonologische en morfosyntactische variabelen.

Voor de standaardtaaltest ('st' in figuur 1) krijgen we - in de lijn van de verwachtingen - net het omgekeerde plaatje. Daar vinden we voor bijna alle varianten hoge percentages voor de standaardtaalvarianten. Slechts drie variabelen vertonen in de standaardtaaltest een aanzienlijk percentage niet-standaardtalige varianten, namelijk de representatie van AN [y], AN [o.u] en AN [ш.у]. Voor de representatie van AN [y] vinden we in de standaardtaaltest een hoog percentage dialectvarianten; in de testsetting blijken de informanten dus niet in staat hun [y]-laryngalisering te onder-drukken. Dat is op zich geen verrassend resultaat, aangezien de [y]-laryn-galisering sinds jaar en dag bekend staat als een sjibbolet voor de West-Vlaming (cfr. Devos en Vandekerckhove 2005:41). Wat wel verrassend is, is het hoge percentage aan lange monoftongen [o:] en [ш:] in woorden waar-in we in de standaardtaal [o.u] en [ш.у] verwachten. Die lange monoftongen komen in die context24 immers niet voor in het Ieperse dialect, en ook niet in de standaardtaal. Mogelijk worden de lange monoftongen, die in die context wel endogeen zijn in o.a. veel Oost-Vlaamse dialecten, door de informanten als standaardtalig gepercipieerd en daarom ook geproduceerd in de standaardtaaltest. Wanneer we de realisatie van AN [y], [o.u] en [ш.у] buiten beschouwing laten, blijken de Ieperse sprekers wel goed in staat om standaardtaal te spreken wanneer hun dat gevraagd wordt.

De standaardtaalcompetentie van de bestudeerde Ieperse sprekers wordt niet ten volle benut tijdens de interviews. Dat blijkt in figuur 1 uit de vrij grote (en significante)25 afstand tussen de standaardtaaltest en de interviews ('int'). In de interviewsetting vinden we in verhouding namelijk minder standaardtaalvarianten dan in de standaardtaaltest, al zijn het er

66 VOL.67,NO. 1,2015

wel meer dan in de regionale vriendengesprekken. In de interviews vinden we bijvoorbeeld meer h-deleties, t-deleties, expletief dat, ge-pronomina en ke-diminutieven dan in de standaardtaaltests. De realisatie van [h] ('gnhdel'), de afwezigheid van het expletief dat ('gnexdat') en de realisatie van eindmedeklinkers in niet en dat ('nietdatC') vertonen in figuur 1 dan ook sterke associaties met de standaardtaaltest. Hierbij speelt wellicht dat de informanten tijdens het interview zowel op vorm als op inhoud moes-ten focussen, terwijl in de standaardtaaltest alle aandacht naar de vorm van de taaluiting kon gaan. Mogelijk is bovendien dat de sprekers zich ongemakkelijk voelen bij de strakke VRT-standaardtaalnorm (cfr. Geera-erts 2001 over de zondagsepakmentaliteit) en dus in het spontanere interview, waarin hun geen enkele variëteit werd opgelegd, uitgaan van een iets lossere taalnorm.

De Ieperse sprekers lijken in de interviewsetting toch naar een 'betere' of 'gekuistere' vorm van taalgebruik te streven, zo blijkt wanneer we het taalgebruik in de interviews vergelijken met de andere supraregionale ge-sprekken uit dit onderzoek, i.e. de gesprekken met een vriend(in) uit een andere regio. In de supraregionale vriendengesprekken vinden we name-lijk voor bijna alle variabelen lagere percentages standaardtaalvarianten dan in het interview. In figuur 1 zijn de supraregionale vriendengesprekken ('sup') dan ook tussen de regionale vriendengesprekken en de interviews in geplot. Meer specifiek wordt in de supraregionale vriendengesprekken voor sommige variabelen meestal de standaardtaalvariant gerealiseerd (zie bvb. de onbepaalde voornaamwoorden of het AN [sx] in anlaut), terwijl voor andere variabelen doorgaans voor de dialectvariant wordt geop-teerd (zie bvb. h-deletie, subjectverdubbeling 2enk/mv en 1 enk). Het taal-gebruik in de supraregionale vriendengesprekken wordt echter niet enkel gekenmerkt door de combinatie van standaardtaalvarianten en dialectvarianten; in die gesprekken vinden we namelijk ook de hoogste frequenties varianten die volgens de bestaande dialectbeschrijvingen (zie bvb. SAND 2005, 2008, FAND 1998, 2000, 2005 en MAND 2005, 2009) niet endogeen zijn in het Ieperse dialect en die doorgaans ook niet als standaardtaal be-schouwd worden, zoals ke-diminutieven, ge-pronomina, ne-lidwoorden en de doffe vorm hem als subjectsvorm bij inversie of in bijzinnen. Die kenmerken zijn in figuur 1 in de rechterbovenhoek te vinden en zijn in sterke mate gecorreleerd met de supraregionale vriendengesprekken, en in mindere mate ook met de interviewsetting.

Op basis van de resultaten in tabel 2 en figuur 1 kunnen we concluderen dat het taalrepertorium van de Ieperse informanten vanuit productieper-spectief een mooi voorbeeld vormt van wat Auer (2005) een diaglossisch

GHYSELEN 67

taalrepertorium noemt, i.e. een taalrepertorium gekenmerkt door dialect, standaardtaal en een continuüm aan intermediaire vormen. Volgens o.a. Willemyns (1985) zijn echter ook de sprekerintenties belangrijk om een taalrepertorium als diaglossisch te kunnen bestempelen: enkel wanneer sprekers ook bewust de intentie hebben om een niet-dialectische, niet-standaardtalige taalvorm te realiseren, kan volgens hem van een conti-nuüm gesproken worden. Op die sprekerintenties gaan we in het volgende onderdeel uitgebreider in.

5.2 Eén tussentaalvariëteit?

Uit het bovenstaande blijkt dat het Ieperse taalrepertorium op een ge-meenschapsniveau en vanuit productieperspectief diaglossisch van aard is26, met tussen dialect en standaardtaal in ook intermediair taalgebruik. In dit onderdeel gaan we na in welke mate dat intermediaire taalgebruik een afgebakende variëteit vormt, i.e. een taalsysteem met sterke interne linguistische cohesie, minimum één 'idiovariëtair element', duidelijk af-gebakende pragmatische functies en emische categoriestatus (zie para-graaf 2).

5.2.1 Linguistische cohesie

Linguistische cohesie bestuderen we in dit onderzoek statistisch, door cor-respondenties te onderzoeken tussen taalvarianten onderling en met de onafhankelijke parameters spreker, leeftijd en situatie (cfr. paragrafen 2 en 4.3.). Op die manier gaan we na of er in het Ieperse taalrepertorium afge-bakende clusters taalkenmerken te vinden zijn die een vergelijkbaar gedrag vertonen dan wel of het veeleer om een continuüm gaat, waarin groepen kenmerken naadloos in elkaar overlopen. Wanneer we de corres-pondentieplot in figuur 1 nader bestuderen, zijn er wel degelijk clusters taalkenmerken te ontwaren. Hierboven merkten we bijvoorbeeld al op dat er links in de biplot een cluster dialectkenmerken te vinden is, terwijl aan de rechterkant van de grafiek vooral standaardtaalkenmerken samen-clusteren. Om die clustervorming verder te onderzoeken, werden de eerste vier dimensies van de correspondentie-analyse als input gehanteerd voor een clusteranalyse (cfr. paragraaf 4.3. en 5.1). Het dendrogram verkregen na de clusteranalyse is weergegeven in figuur 2.

VOL.67,NO. 1,2015

Figuur 2 Dendrogram verkregen na clusteranalyse

GHYSELEN

Figuur 2 toont een duidelijk onderscheid tussen een groep dialectkenmer-ken enerzijds (cluster 1 in figuur 2) en alle andere kenmerken anderzijds (cluster 2 in figuur 2). Dat onderscheid is ook duidelijk te zien in de cor-respondentieplot (zie figuur 3 voor de correspondentieplot met cluster-markeringen), waarin enkel aan de linkerkant een duidelijke groep kenmerken onderscheiden kan worden. Binnen de dialectische cluster is de linguistische cohesie vrij groot, wat blijkt uit de kleine afstanden tussen de datapunten in zowel figuren 227 als 3. Die kenmerken worden door de onderzochte sprekers dus op een gelijkaardige manier gebruikt. De niet-dialectische ruimte daarentegen is intern heterogeen en blijkt uit verschil-lende subclusters te bestaan. Die clusters zijn wel niet zo duidelijk afgeba-kend als de dialectische cluster, maar zijn niettemin te onderscheiden. Het grootste onderscheid in de niet-dialectische ruimte is er één tussen cluster 2a enerzijds en clusters 2b, 2c en 2d anderzijds (zie figuur 2). Cluster 2a bestaat voornamelijk uit dialectkenmerken, zoals het onbepaald lidwoord e ('een-e') en h-deletie ('hdel'), maar bevat ook enkele standaardtaalken-merken, zoals zijn als hulpwerkwoord in het perfectum van zijn, tegenko-men en vallen ('zijn'), en enkele kenmerken die endogeen zijn in zowel het Ieperse dialect als in de standaardtaal, zoals de je-diminutieven ('jedim') en je als persoonlijk voornaamwoord ('je'). Cluster 2b bevat enkel standaard-taalkenmerken, zoals de realisatie van t in het woord niet ('nietdatC') of het gebrek aan een expletief dat ('gnexdat'). Cluster 2c bevat daarentegen ex-clusief kenmerken die exogeen zijn in zowel het Ieperse dialect als de standaardtaal (zie bvb. 'ge', het persoonlijk voornaamwoord 2 enkelvoud of 'kedim', de ke-diminutieven). Dergelijke kenmerken treffen we ook aan in cluster 2d (zie bvb. 'kood' en 'hùùs', i.e. respectievelijk de lange monof-tongen [o:] en [œ.] in woorden als koud en huis), al vinden we in die cluster vooral standaardtaalkenmerken, zoals het voorzetsel om ter inleiding van een beknopte bijzin ('om') en het bezittelijk voornaamwoord ons ('onsi'). Bij clusters 2c en 2d kan gediscussieerd worden over de mate waarin ze als aparte clusters geanalyseerd moeten worden dan wel samen één heterogene cluster vormen. In wat volgt, analyseren we de twee clusters apart, aangezien cluster 2c verschillende kenmerken bevat die volgens Taelde-man (2008) deel uitmaken van de zich stabiliserende tussentaal in Vlaan-deren en het dan ook interessant is het gedrag van die varianten apart te analyseren. We zijn echter wel indachtig dat de clusters dicht bij elkaar aanleunen.

VOL. 67, NO. 1,2015

Figuur 3 Correspondentieplot met clustermarkeringen

5.2.2 Pragmatische functies

Om na te gaan of de beschreven clusters een duidelijk afgebakende pragmatische functie hebben, wordt per spreker de correlatie bestudeerd tus-sen de clusters en de verschillende situaties28. In welke situatie gebruiken de sprekers welke cluster? De resultaten van die correspondentie-analyse worden aangevuld met kwalitatieve interviewdata, die ons verder inzicht kunnen bieden in de beweegredenen van de sprekers (cfr. paragraaf 4.1.).

Cluster 1 wordt door alle sprekers op dezelfde manier gebruikt. De cluster, die we als dialectisch kunnen omschrijven, correleert namelijk bij alle sprekers duidelijk met zowel de dialecttest als de regionale vrienden-gesprekken. De bundel dialectkenmerken fungeert als een regionale infor-maliteitsmarkeerder, zo blijkt ook uit de kwalitatieve data. In de interviews geven de sprekers immers aan dat ze altijd dialect spreken met streekge-noten en dat ze het dialect associëren met gezelligheid en vertrouwdheid (cfr. fragmenten 1-3).

GHYSELEN 71

Fragment 1 - spreker wvlb4:

en nu zit ik zo lang in West-Vlaanderen en gebruik ik weer veel meer dat West-Vlaams [...]ja West-Vlaams onder West-Vlamingen dan wordt het dan weer zo gezellig é.

Fragment 2 - spreker wvla5:

Dialect?Enkel hier thuis. In de streek. [... ] uh ma dialect is iets... ja. da ik spreek me mensen da ik ken. Die... die... uhm. Ja. Beetje. Ja uit dezelfde streek komen. Uhm iets bekends. Zo voelt et aan voor mij.

Fragment 3 - spreker wvla1:

[wanneer dialect?] hoh bijvoorbeeld in de apotheek tegen patiënten omdatze niet op hun gemak zouden zijn als je AN spreekt. En bij een dokter is dat bijvoorbeeld ook zo vind ik. Om de afstand een beetje uh te verkl... ja.

Bij bovenstaande citaten kan de vraag gesteld worden of Ieperse sprekers een talig onderscheid maken tussen formele en informele regionale spreek-situaties. Wordt in formele regionale spreeksituaties ook dialect gesproken en fungeert dialect dus meer algemeen als 'regionaliteitsmarkeerder'? Op die vraag kan dit onderzoek geen antwoord bieden - formelere regionale gesprekken werden niet bestudeerd - maar de kwestie vormt alvast voer voor verder onderzoek.

Cluster 2b vertoont bij alle sprekers sterke associaties met de standaard-taaltest. Die cluster bestaat voornamelijk uit standaardtaalkenmerken die enkel in de standaardtaaltest, en niet in de interviewsetting worden ge-realiseerd. Aangezien er weinig afwijkingen van de gecodificeerde stan-daardtaalnorm in te vinden zijn, kunnen we hier van VRT-Nederlands spreken. Op basis van citaten zoals die in fragment 4 en de sterke associatie met de niet-spontane standaardtaaltest, zouden we kunnen stellen dat de varianten kenmerkend zijn voor een hoofdzakelijk virtuele standaardtaal-norm, die met de media wordt geassocieerd en die de sprekers in de prak-tijk nooit volledig realiseren. We mogen echter niet uitsluiten dat er andere, hier niet onderzochte spreeksituaties zijn waarin de sprekers hun standaardtaalcompetentie wel volledig benutten. Zowel spreker wvla4 (fragment 5) als spreker wvla2 (fragment 6) noemen bijvoorbeeld presen-taties als één van de weinige spreeksituaties waarin ze trachten 'echt echt standaardtaal' te spreken. Mogelijk fungeert cluster 2b dus als een 'profes-sionaliteitsmarkeerder', die enkel in professionele en minder interactieve spreeksettings zoals presentaties wordt gerealiseerd. Ook hier moet verder onderzoek met meer spreeksituaties verheldering brengen.

72 VOL.67,NO. 1,2015

Fragment 4 - spreker wvlaß:

Der zijn mensen die perfect Algemeen Nederlands kunnen ma da's nie de normale uh dus ik vind da we... iedereen eeft... é w'ebben echt onze plaatselijke dialecten. En iedereen probeert dan Algemeen Nederlands te spreken ma vo mij is da altijd een tussentaal en... en vin ik nie dat er Algemeen Nederlands... ok misschien Martine Tanghe die op't journaal presenteert dat die Algemeen Nederlands spreekt daar kan ik mee z.... ma da vin ik nie dat dagesproken wordt in... in... in België op straat.

Fragment 5 - spreker wvla4:

[Wat is standaardtaal?] gewoon uh da je nie kunt afleiden... als iemand aan het spreken is... da je niet kunt afleiden van die is oorspronkelijk van daar of van daar. als je da kunt en... en je kunt op geen enkel punt betrappen van mm daar is er een platte a of gelijk wat. da vind ik mooi Algemeen Nederlands. [met wie spreekje dat?] uhm. standaardtaal echt... echt standaardtaalgoh. als ik een t... een... een lezing moetgeven. mijn project moet voorstellen dan ga ikjam... trachten mij zo weinig mogelijk te laten gaan in een of andere uh uh plattere vorm van uhm.. dus tegenover een publiek.

Fragment 6 - spreker wvla2:

'k denk de enige momenten waarin da'k probeer om Algemeen Nederlands te spreken 't zijn zeer beperkt tot zo ne keer een presentatie moeten geven of... of ja zo'n dingen ma echt heel weinig. Hoh zo van die ojficiële dingen. Ma 't moe al wree officieel zijn voor da'k echt... ja ma 'k weet da'k 't ook nie echt honderd procent beheers.

Cluster 2a, die we met de woorden van de sprekers 'gekuist dialect' kunnen noemen, komt niet in het persoonlijke taalrepertorium van alle sprekers voor: bij maar vier sprekers zijn er associaties met de bundel taalvarianten te vinden. Bij die sprekers vertoont de cluster een sterke correspondentie met de supraregionale vriendengesprekken. Het gekuiste dialect lijkt zo vooral begrijpbare communicatie in supraregionale informele contexten als pragmatische functie te hebben, wat één van de informanten ook ex-pliciet aangeeft tijdens de interviews (zie fragment 7). Uit de interviews blijkt bovendien dat de sprekers van het gekuiste dialect in de supraregionale vriendengesprekken niet de bedoeling hadden om standaardtaal te spreken; ze wilden hun dialect enkel wat 'kuisen' voor de begrijpbaarheid. Die observatie toont dat het taalrepertorium van de sprekers in kwestie ook vanuit perceptieperspectief diaglossisch is: de sprekers hebben niet

enkel de intentie om ofwel standaardtaal ofwel dialect te spreken, maar realiseren soms ook bewust iets tussen beide.

Fragment 7 - Spreker wvla2:

uh en met mijn collega uhgoh zowa... nu tussentaalkunje da waarschijnlijk nog niet noemen. Watgekuister. Gekuister dialect dan toch ook. [... ] nee dus met iemand die niet uw dialect spreekt... dan doe 'k weleen beetje mijn best maar niet uh... nietja. 'kweet dat dat nog nie s... geen standaardtaal en denkzelf nog geen tussentaal is ook niet. [waarom spreekje dan zo?] goh. Ja. Voor de verstaanbaar-heid uh spreek ik me mensen die niet van West-Vlaanderen zijn zo wat gekuister. zeker geen standaardtaal of... 'k weet niet wat dat de definities van tussentaal zijn ma 'k denk ook niet dat dat al tussentaal is.

Cluster 2c, met enkel niet-dialectische, niet-standaartalige taalkenmerken, behoort eveneens tot het taalrepertorium van maar enkele sprekers. Die cluster vertoont namelijk enkel sterke associaties met sprekers wvla3, wvla4 en wvlb5. Andere sprekers gebruiken wel af en toe een kenmerk uit die cluster, maar zelden consequent. Bij twee van de drie genoemde spre-kers, wvla3 en wvlb5, is er een sterke associatie met zowel de supraregionale vriendengesprekken als de interviews. Dat impliceert dat de cluster voor die sprekers fungeert als algemene supraregionale omgangstaal, on-geacht de bekendheid met de gesprekspartner. Interessant is dat de kenmerken uit de cluster nooit gerealiseerd werden door de interviewer, wat toont dat sprekers wvlaß en wvlb5 de vormen ook spontaan realiseren wanneer hun gesprekspartner dat niet doet. Bij spreker wvla4 vertoont de cluster vooral sterke associaties met het supraregionale vriendengesprek, minder met het interview. Mogelijk produceerde zij de niet-dialectische, niet-standaardtalige varianten hoofdzakelijk bij wijze van accommodatie aan het taalgebruik van haar gesprekspartner, die de vormen eveneens realiseerde.

Cluster 2d, die bij de meeste sprekers (behalve bovenvermelde wvlaß en wvlb5) sterk correleert met de interviewsetting, lijkt overeen te stemmen met wat verschillende sprekers 'standaardtaal met een accent' of 'de ver-platterde vorm van AN' noemen, een taalgebruik dat de sprekers realiseren in een poging tot standaardtaal (cfr. fragmenten 8 eng).

Fragment 8 - spreker wvla1:

[Welk soort taalgebruik spreek je in dit interview?] je beseft wel dat 't niet volledig AN is maar ge probeert wel.

VOL. 67, NO. 1,2015

Fragment 9 - spreker wvlb4:

[Welk soort taalgebruik spreekje in dit interview?] mijn zo best mogelijk Nederlands denk ik. [noem je het standaardtaal?] ja. wel wetende dat et niet is zoals iemand die echt mooi Nederlands spreekt è.

Deze cluster heeft een dubbele functie: er is enerzijds een groep sprekers die de geïntendeerde vorm van standaardtaal exclusief reserveert voor formelere contexten, met onbekenden of in professionele contexten (cfr. fragment 6); anderzijds is er ook een groep die aangeeft geïntendeerde standaardtaal te spreken in alle situaties die niet regionaal zijn (cfr. fragment 10).

Fragment 10 - spreker wvlai:

[wanneer spreek je standaardtaal?] Ja als je met niet-West-Vlamingen spreekt of als 't ja. Zuiver professioneel als je ergens naartoe belt of. Allé. Als 't nie m... me mensen is da je kent.

Die kwalitatieve data stroken met de resultaten van de correspondentie-analyse: cluster 2d toont bij de meeste sprekers (behalve wvla3 en wvlb5) een sterke associatie met de interviewsetting, maar slechts bij drie sprekers ook met de supraregionale vriendengesprekken. Zoals hierboven al werd opgemerkt, verlaten de andere zeven sprekers zich in de supraregionale vriendengesprekken ofwel op een meer dialectisch ofwel een meer exo-geen gekleurd taalgebruik (cluster 2a of 2c). Wellicht hangt veel hier ook af van de gesprekspartner in kwestie. Wanneer de vriend(in) uit een andere regio bijvoorbeeld vertrouwd is met het West-Vlaamse dialect, zal een spreker mogelijk sneller een gekuiste vorm van dialect spreken dan wan-neer de gesprekspartner het West-Vlaams minder goed begrijpt. Wanneer de gesprekspartner zelf een heel regionaal gekleurde taal hanteert, kiest een spreker misschien sneller voor een exogeen gekleurde taalvariant.

Concluderend kunnen we stellen dat enkel clusters 1 (dialect) en 2b (VRT-Nederlands) duidelijke pragmatische functies hebben: het dialect dient als regionale informaliteitsmarkeerder en het VRT-Nederlands als professionaliteitsmarkeerder. De clusters tussen die twee polen in hebben op zich ook pragmatische functies (o.a. begrijpbare communicatie in al dan niet formele supraregionale contexten), maar er zijn heel wat indivi-duele verschillen in hoe die clusters ingezet worden; de verschillende clusters overlappen dan ook functioneel.

GHYSELEN

5.2.3 Idiovariëtaire elementen

Een derde kwestie die we in dit onderdeel willen aankaarten, is de mate waarin de onderscheiden clusters gekenmerkt worden door idiovariëtaire elementen, i.e. taalkenmerken die enkel in de besproken variëteit voorko-men. Idiovariëtaire taalvarianten bestuderen we in eerste instantie kwantita-tief door te onderzoeken of er taalkenmerken zijn die in slechts één bundel taalkenmerken voorkomen. Zoals in paragraaf 2 al werd vermeld, gaan we echter ook na of er metadata te vinden zijn over kenmerken die de sprekers als typerend voor een bepaalde taalvorm beschouwen. In de interviews werd dan wel niet expliciet naar typerende taalkenmerken gevraagd, maar soms vermeldden de sprekers ze toch spontaan ter illustratie van hun antwoorden.

Cluster 1, het Ieperse dialect, kent heel wat idiovariëtaire elementen. Die cluster vertoont bij alle sprekers sterke associaties met de dialecttest en de regionale vriendengesprekken, en het is dan ook makkelijk in tabel 2 op zoek te gaan naar varianten die enkel in die situaties voorkomen. Het gaat o.a. om de infinitiefvorm als werkwoordsvorm presens 1 enkelvoud, (n)us i.p.v. ons, 'n ipv hij na voegwoord of werkwoord, de [)x]-variant, [u] in bijvoorbeeld koud en zout, de lexemen etwien, etwuk, etwat, etwaschen enne/e als preverbaal persoonlijk voornaamwoord in de derde persoon mannelijk enkelvoud. Al die varianten worden heel frequent gebruikt in de regionale gesprekken, maar amper in de supraregionale gesprekken en interviews (nooit meer dan in respectievelijk 23% en 1% van de gevallen). In de metadata zijn over geen enkele van de onderzochte varianten uit-spraken te vinden. De sprekers geven in meer algemene termen aan dat ze woordenschat en in mindere mate ook accent als typerend ervaren voor dialect (cfr. fragment 11), maar geven zelden concrete voorbeelden. Morfo-syntactische kenmerken kwamen nooit ter sprake (cfr. Lybaert 2014).

Fragment 11 - spreker wvla3:

[wat is dialect?] echt de plaatselijke taal met et plaatselijke accent en de plaat-selijkew... allé dewoorden ook die... die echt toch duidelijk verschillen van... van de standaardwoorden.

In cluster 2b, het VRT-Nederlands, vinden we als idiovariëtaire elementen de realisatie van initieel [h], de realisatie van t in niet en dat, een afwezig-heid van subjectverdubbeling 2 enk/mv en lenk en van expletief dat. Die varianten werden enkel in de standaardtaaltest frequent gerealiseerd. De realisatie van eindmedeklinkers blijken verschillende sprekers zelf ook bewust te associëren met standaardtaal. Twee sprekers, wlvb3 en wvla5, stel-den bijvoorbeeld tijdens het interview dat ze steeds proberen eindklanken

76 VOL.67,NO. 1,2015

te reaIiseren wanneer ze pogen standaardtaaI te spreken. Wv^ acht ook de 'correcte' uitspraak van de [у] beIangrijk bij standaardtaaI. Een andere spreker, wv^, geeft aan dat er bij standaardtaaI gesproken moet worden zoaIs er geschreven wordt, wat meteen ook impIiceert dat intiëIe [h]'s en eindmedekIinkers uitgesproken moeten worden.

In cIuster 2a, het gekuiste diaIect, zijn moeiIijk idiovariëtaire kenmerken te vinden. De kenmerken uit die cIuster komen in verschiIIende spreekset-tings voor (cfr. tabeI 2) en Iijken dus een weinig idiovariëtair karakter te hebben. TaaIvarianten zoaIs expIetief dat en t-deIetie zijn immers ook te horen in de regionaIe vriendengesprekken en de interviews. Wanneer spre-kers het in de interviews over gekuist diaIect hebben, komen eveneens geen idiovariëtaire kenmerken aan bod. Ze vermeIden enkeI dat ze hun diaIect wat 'opkuisen' om het begrijpbaar te maken voor de gesprekspartner.

Ook cIuster 2d, de 'standaardtaaI met een accent', kent weinig idiovariëtaire eIementen. De taaIvarianten uit die cIuster zijn ook in andere situaties, zoaIs de standaardtaaItest, frequent te horen. Idiovariëtaire varianten vin-den we weI in cIuster 2c, het 'supraregionaIe Iepers'. Daarin komen verschiI-Iende kenmerken voor die hoofdzakeIijk in de supraregionaIe informeIe setting en in mindere mate ook in de interviews gebruikt worden, zoaIs het ke-diminutief, het ne-Iidwoord, de vorm ons bij vrouweIijke, manneIijke, of meervoudige substantieven en 'm aIs persoonIijk voornaamwoord з enk na voegwoord of werkwoord. Die kenmerken zorgen ervoor dat de intermediaire cIuster 2c duideIijk te onderscheiden is van zoweI diaIect, standaardtaaI, aIs de andere intermediaire cIusters. OpvaIIend is dat geen enkeIe van de idiovariëtaire kenmerken uit cIuster 2c aan bod komt in de Ieperse metadata; de informanten geven enkeI aan een 'poging tot standaardtaaI' te produ-ceren. Die vaststeIIing zou erop kunnen wijzen dat de sprekers zich er niet van bewust zijn dat vormen aIs bloemke en ge moet niet-standaardtaIig zijn. Dat de taaIvarianten echter niet voorkomen in de standaardtaaItest, spreekt die hypothese tegen. WeIIicht gaat het om vormen die de sprekers vrij onbewust hanteren in hun 'supraregionaIe Iepers'.

5.2.4 Emische categoriestatus

Tot sIot moeten we ook de vraag steIIen of er in de verzameIde data bewijs te vinden is voor emische categoriestatus voor de verschiIIende onder-scheiden cIusters. Percipiëren de sprekers van dit onderzoek de cIusters aIs aparte systemen? Om die vraag te beantwoorden, bestuderen we de metadata in de socioIinguïstische interviews. Uit fragmenten 12 en 1з bIijkt het antwoord aIvast affirmatief voor cIusters 1 en 2b, die we hierboven aI beschreven aIs diaIectisch en standaardtaIig:

GHYSELEN 77

Fragment 12 - spreker wvlb4:

West-Vlaams is eigenlijk een aparte taal. [... ] mijn moedertaal. En dat uh Nederlands een aangeleerde taal is.

Fragment 13 - spreker wvlb5:

En da was voor mij ook raar om uhm iemand te leren kennen waar... waartegen da ge eigenlijk ABN moest spreken. Omda ge vertrouwelijke dingen altijd in't dialect doet en dan moest ek ik eigenlijk precies vertalen naar't ABN. [... ]. Lijk iemand die me... me ne Fransman verkering eeft. Die Frans moet spreken. [... ] da's toch altijd een omschakeling. Ge denkt toch anders. want ABN is eigenlijk precies een andere taal é? Dus ge denkt anders.

Voor de clusters tussen dialect en standaardtaal in, is de vraag of de bun-dels taalvarianten emische categoriestatus hebben, iets moeilijker te be-antwoorden. Wanneer de sprekers gevraagd wordt het taalrepertorium in Vlaanderen en daarbij ook hun eigen taalgebruik te beschrijven, zijn er maar twee sprekers die een puur bipolair, diglossisch dialect-standaard-taalbeeld schetsen. Alle andere sprekers lijken er zich bewust van te zijn dat er tussen het 'echte dialect' en 'de echte standaardtaal' ook andere taalvormen te vinden zijn (cfr. fragmenten 4 en 7). Drie sprekers vermeld-den bijvoorbeeld een 'goed gekuiste vorm van dialect', niet (?) toevallig drie van de vier sprekers die in hun productie zelf sterke associaties met de cluster vertonen. Behalve de twee sprekers met een diglossisch beeld van het Vlaamse taalrepertorium, tonen alle sprekers zich bewust van 'standaardtaal met een accent', die verschillende labels krijgt: 'poging tot AN' (wvla1 en wvla2), 'tussentaal' (wvla3) of 'tussentaaltje' (wvla5), een 'verplatterde vorm van AN' (wvla4), 'mijn AN' of 'AN tussen haakjes' (wvlb1), 'ABN met hier en daar West-Vlaamse klanken' (wvlb3) en 'geen zuiver AN' (wvlb5). Geen enkele spreker beschrijft echter een vorm van taalgebruik die met het 'supraregionale lepers' lijkt overeen te komen. Hierboven vermeldden we immers al dat er over de typische kenmerken van het supraregionale lepers geen metadata te vinden zijn; de sprekers van die cluster bestempelen het taalgebruik in kwestie steevast als geïnten-deerde standaardtaal. Ter conclusie kunnen we stellen dat zowel dialect, VRT-Nederlands als standaardtaal met een accent over een duidelijke emi-sche categoriestatus beschikken. Die status is er in mindere mate ook voor het gekuiste dialect - de percepties hiervan zijn sterk productieafhankelijk - maar is er helemaal niet voor het supraregionale lepers.

VOL. 67, NO. 1,2015

5.2.5 Conclusie

Wanneer we alle bovenstaande resultaten samenbrengen (cfr. tabel 3), dan valt er moeilijk één tussentaalvariëteit te ontwaren. In de linguistische ruimte tussen dialect en standaardtaal vonden we integendeel niet één, maar drie clusters van gecorreleerde taalkenmerken, die we labelden als 'gekuist dialect', 'supraregionaal lepers' en 'standaardtaal met een accent'. Het 'suprare-gionaal Iepers' lijkt te beantwoorden aan Taeldemans stabiliserende tussen-taal (Taeldeman 2008), met als typerende kenmerken o.a. ke-diminutieven, ge-pronomina en ne-lidwoorden. De cluster kan in Ieper echter moeilijk als een zelfstandige variëteit gezien worden; de grote idiolectische heterogeniteit in het gebruik van het supraregionaal Iepers en de afwezigheid van emische categoriestatus problematiseren variëteitenclaims. Een studie van de interviewdata toont dat de sprekers zowel het supraregionale lepers als de standaardtaal met een accent categoriseren als 'een poging tot AN', 'een verplat-terde vorm van AN', 'mijn AN' of 'AN tussen haakjes'. Geen enkele spreker van het supraregionale lepers beschrijft zijn taalgebruik als een aparte taalvarië-teit of vermeldt één van de typerende kenmerken wanneer gevraagd wordt hun 'poging tot AN' te beschrijven. Dat toont aan dat het supraregionale lepers en de standaardtaal met een accent veeleer Sprechlagen zijn binnen een ruimere variëteit die we als geïntendeerde standaardtaal kunnen labellen. Dergelijke Sprechlagen verschillen van variëteiten zoals dialect en VRT-Nederlands doordat hun systeem minder duidelijk vast ligt, de interspreker-variatie groter is en ze geen emische categoriestatus hebben. Mogelijk zijn er nog meer Sprechlagen in het Ieperse taalgebruik te ontwaren - verder onder-zoek met meer situaties is noodzakelijk om die bloot te leggen - maar de aanwezigheid van een laag 'supraregionaal lepers' verklaart alvast waarom tussentaal 'in haar essentie herkenbaar én beschrijfbaar' is (Taeldeman 2008:46) en tegelijk ook een grote graad van variatie vertoont (Plevoets 2008).

Over de status van het gekuiste dialect kan gediscussieerd worden. De bundel vertoont een vrij hoge graad van linguistische cohesie, en heeft duidelijke pragmatische functies (begrijpbare communicatie in supraregionale informele settings), maar hij wordt slechts door een beperkte groep sprekers uit dit onderzoek gerealiseerd en het zijn ook alleen die sprekers die de vorm van taalgebruik als apart systeem beschrijven. Het gekuiste dialect vertoont dus duidelijke variëteiteneigenschappen, maar is minder herkenbaar als variëteit dan bijvoorbeeld het dialect en het VRT-Nederlands. De data tonen zo dat het begrip 'variëteit' geen zwart-witnotie is: doordat verschillende van de gehanteerde variëteitencriteria niet binair, maar veelal gradueel zijn (zie bvb. het criterium van de linguistische cohesie), kunnen we niet anders dan ook het begrip 'variëteit' gradueel te benaderen.

GHYSELEN 79

Tabel 3 Samenvatting varieteiteneigenschappen gedetecteerde clusters

Dialect Niet-dialect

Gekuist dialect Supraregionaal Iepers Standaardtaal met een accent VRT-Nederlands

Linguistische +++ ++ + + ++

cohesie

Pragmatische JA Overlapping met Overlapping met Overlapping met JA

functies andere clusters andere clusters andere clusters

Idiovarietaire JA NEE JA NEE JA

elementen

Emische cate- +++ ++ - ++ +++

goriestatus

Bij bovenstaande structuurbeschrijving moet beklemtoond worden dat ze regionaal en sociaal gedetermineerd is: ze geldt voor het Ieperse (en bij uitbreiding ook het Westhoekse') taalrepertorium van hoogopgeleide vrouwen, maar niet voor het taalrepertorium elders in Vlaanderen of voor alle West-Vlaamse sociale groepen. Het is goed denkbaar dat er in andere regio's in Vlaanderen wel een duidelijk afgebakende intermediaire varieteit te vinden, maar in het perifere Ieper is dat alvast niet het geval.

6 Discussie

6.1 Structuur anno 2013 versus 1982

In het Ieperse taalrepertorium is er een duidelijk onderscheid tussen het dialectische taalgebruik enerzijds en het niet-dialectische taalgebruik an-derzijds. Binnen de vrij heterogene niet-dialectische ruimte kunnen boven-dien vier subclusters onderscheiden worden, die vrij naadloos in elkaar overlopen: het VRT-Nederlands, het gekuist Iepers, supraregionaal Iepers en de standaardtaal met een accent29. Het VRT-Nederlands kan met z'n emische categoriestatus, afgebakende pragmatische functies en idiovarie-taire elementen duidelijk als varieteit beschouwd worden; ook het gekuiste dialect vertoont verschillende varieteitenkenmerken. De andere clusters vormen veeleer lagen binnen een ruimere varieteit, namelijk geinten-deerde standaardtaal. De data tonen zo dat een continuümmodel en een varieteitenmodel elkaar niet uitsluiten, maar ook gecombineerd kunnen worden om tot een adequate beschrijving van taalrepertoria te komen. De vraag rijst in welke mate de beschreven structuur nieuw is. Zijn het

VOL. 67, NO. 1,2015

gekuiste Iepers, het supraregionale Iepers of de standaardtaal met een accent recente fenomenen of bestaan ze al meerdere decennia?

In de literatuur van het vorige decennium wordt het taalrepertorium in West-Vlaanderen doorgaans als diglossisch, veeleer dan als diaglossisch beschreven. Zo heeft De Caluwe (2009) het over het 'bipolaire model' dat West-Vlaamse jongeren hanteren: ze spreken ofwel dialect of regiolect, ofwel standaardtaal. Dat idee vinden we ook bij Willemyns (2007:272) die het West-Vlaamse dialectgebied beschrijft als 'a diglossic community where a more or less standardized variety (H) is used in a restricted range of situations in which the dialect (L) is not deemed appropriate'. Op basis van de stellingen van De Caluwe (2009) en Willemyns (2007) zouden we kunnen vermoeden dat de intermediaire varianten tussen dialect en stan-daardtaal in West-Vlaanderen recente ontwikkelingen zijn. Dat is echter allerminst het geval. Al in 1985 geeft Willemyns aan dat hij het West-Vlaamse taalrepertorium als diglossisch typeert enkel en alleen omdat de West-Vlaamse sprekers volgens hem slechts twee taalvormen willen reali-seren: ofwel [+dialect] ofwel [-dialect] (Willemyns 1985:194-195). Hij bena-drukt daarbij wel dat het effectief gerealiseerde taalgebruik een continuüm vormt dat zich uitstrekt van dialect tot standaardtaal30, en hij deelt dat continuüm vrij intuïtief op in vijf groepen31 (Willemyns 1982):

1. Dialect

2. Getranslitereerd dialect

3. Regionale omgangstaal

4. Belgisch Beschaafd

5. Algemeen Nederlands

Dialect is aldus Willemyns (1982:81-82) de alomtegenwoordige code, die iedereen van 'af en toe' tot 'bijna uitsluitend' spreekt. Getranslitereerd dialect wijkt van dat dialect af in slechts enkele klanken en soms ook eens woorden. Het is de taal van wie zich supraregionaal verstaanbaar wil maken, maar daar door een gebrek aan standaardtaalcompetentie niet in slaagt. Die variëteit wordt volgens Willemyns enkel gesproken door oude-ren en sprekers met een bijzonder lage opleidingsgraad. De regionale om-gangstaal, daarentegen, zou door sprekers van alle sociale klassen gebruikt worden. Die omgangstaal bouwt net als het getranslitereerd dialect voort op de structuur van het plaatselijke dialect, maar met dat verschil dat meer dialectkenmerken door algemenere varianten worden vervangen. Op die manier zou de regionale omgangstaal veel efficiënter zijn voor supraregionale communicatie. Het Belgisch Beschaafd en het Algemeen Nederlands bevinden zich aan de andere kant van het talenspectrum. Het Algemeen

GHYSELEN 81

Nederlands is voor Willemyns (1982:84-85) het noordelijk getinte 'BRT-Ne-derlands, [...] het in Vlaanderen gesproken Nederlands met de minste dialectinterferentie, met het geringste aantal Belgicismen en zo meer'. Die variëteit is de officiële voertaal van het land, de taal van o.a. het onderwijs, bestuur en culturele aangelegenheden. Wie in de laatstvermelde situaties geen Algemeen Nederlands spreekt, doet dat volgens Willemyns (1982:8485) niet vanuit een bewuste beslissing, maar veeleer omdat hij of zij de variant onvoldoende beheerst. Een dergelijke gebrekkige standaardtaalbe-heersing resulteert vaak in Belgisch Beschaafd (zie ook Goossens 1970), een algemeen gesproken taalvorm gekenmerkt door dialectinterferentie, Bra-bantismen, gallicismen, 'verouderde boekentaal met een ietwat hoogdra-vende ambtenarenstijl' en archaïsmen (Willemyns 1982:83-84).

Het model van Willemyns (1982) toont verschillende raakpunten met het structuurmodel van dit onderzoek. Ook Willemyns onderscheidt immers twee variëteiten, dialect en standaardtaal, met daartussenin een con-tinuüm aan niet duidelijk af te bakenen taalvormen. De invulling van de begrippen dialect en 'standaardtaal' lijkt daarbij grotendeels dezelfde als in 1982, al kan van de VRT-standaardtaal worden verondersteld dat de norm over de jaren heen een duidelijker 'Belgisch' karakter gekregen heeft dan in de jaren 80 (cfr. De Caluwe 2000:54). Er zijn echter ook onmiskenbare verschillen tussen Willemyns' (1982) repertoirestructuur en die van dit on-derzoek, verschillen die m.i. op veranderingen in het West-Vlaamse taal-landschap wijzen:

1. Getranslitereerd dialect troffen wij in dit onderzoek niet aan. Dat kan deels met de onderzoekspopulatie te maken hebben - dit onderzoek focuste niet op laagopgeleiden noch op sprekers van hoge leeftijd -maar hoogstwaarschijnlijk is met de toegenomen scholingsgraad, mobi-liteit en invloed van supraregionale media de laatste decennia het ge-bruik van getranslitereerd dialect in heel Vlaanderen danig afgenomen.

2. Wat Willemyns (1982) regionale omgangstaal noemt, lijkt structureel grotendeels overeen te stemmen met wat we hierboven gekuist dialect genoemd hebben. Ook bij ons gekuiste dialect fungeert de dialectstruc-tuur immers als een matrix die met verschillende standaardtalige elementen doorspekt wordt. Functioneel is er echter een groot verschil tussen de regionale omgangstaal van Willemyns (1982) en ons gekuist dialect: de sprekers van dit onderzoek realiseren gekuist dialect niet in een poging om standaardtaal te spreken; ze willen zich enkel begrijp-baarder maken in informele supraregionale contexten (cfr. fragment 7). Dat zorgt ervoor dat het Ieperse taalrepertorium anno 2015 ook in de optiek van Willemyns (1982) niet als diglossisch gezien kan worden:

82 VOL.67,NO. 1,2015

verschillende sprekers hebben niet enkel de intentie om ofwel dialect ofwel standaardtaal te spreken, maar realiseren ook vaak bewust iets tussen de twee in.

3. Het Belgisch Beschaafd lijkt functioneel op de beschreven 'standaard-taal met een accent' - ook die laatste variant vormt doorgaans een geïntendeerde standaardtaal - maar valt er structureel moeilijker mee te vergelijken. Net als bij het Belgisch Beschaafd vinden we in de 'stan-daardtaal met een accent' wel dialectinterferentie (zie bvb. t-deleties of expletief dat), maar van een 'verouderde boekentaal met een ietwat hoogdravende ambtenarenstijl' en archaïsmen (Willemyns 1982:83-84) is niet echt sprake. Dat betekent niet dat de gesproken boekentaal waar Willemyns (1982) en Goossens (1970) het over hebben in West-Vlaan-deren nergens meer voorkomt, alleen dat ze door onze hoogopgeleide, relatief jonge populatie niet meer gesproken wordt, althans niet in de hier onderzochte situaties.

4. In Ieper troffen we ook een cluster niet-standaardtalige, niet-dialecti-sche varianten aan, die door sommige sprekers (niet door alle) in vooral de supraregionale vriendengesprekken, maar soms ook de interviews worden gebruikt. Die varianten zijn m.i. van heel andere aard dan de brabantismen die het Belgisch Beschaafd zouden kenmerken, aange-zien de meeste niet uit gebrekkige standaardtaalbeheersing gereali-seerd worden. Varianten zoals de ke-diminutieven werden immers in de standaardtaaltest niet gerealiseerd, wat erop wijst dat de informanten zich ervan bewust zijn dat die vormen niet-standaardtalig zijn.

We kunnen concluderen dat de ruwe structuur van het West-Vlaamse taal-repertorium relatief stabiel gebleven is. Net zoals in de jaren 80 (en vroe-ger) is er nu immers taalstructureel nog steeds sprake van een continuüm dat begrensd wordt door het dialect en het VRT-Nederlands, de enige echt duidelijk definieerbare 'variëteiten', met daartussenin een spectrum aan intermediaire taalvormen. De componenten tussen beide polen zijn echter gevoelig anders dan vroeger, zowel taalstructureel, functioneel als percep-tueel. Waar het intermediaire taalgebruik vroeger volgens Willemyns (1982) vooral het resultaat was van 'niet beter kunnen', is het bij verschil-lende sprekers nu ook het resultaat van 'niet beter willen'. Die observatie toont aan dat het Ieperse taalrepertorium op het gebied van sprekerinten-ties aan het evolueren is van een diglossie (waarin sprekers ofwel dialect ofwel standaardtaal trachten te spreken) naar een diaglossie (met ook intenties om bewust iets tussen dialect en standaardtaal in te spreken).

GHYSELEN

6.2 Homogenisering

Anno 2013 valt er in Ieper moeilijk een 'stabiele' intermediaire variëteit af te bakenen; de drie clusters tussen standaardtaal en dialect worden gekenmerkt door een aanzienlijke idiolectische heterogeniteit en worden ook niet door alle taalgebruikers als aparte systemen (h)erkend. Wat niet is, kan echter uiteraard nog komen. Vinden we in onze data aanwijzingen voor een zich ontwikkelende homogenisering? De aanwezigheid van cluster 2c, de bundel niet-standaardtalige, niet-dialectische kenmerken, in het Ieperse taalreperto-rium wijst sowieso al op een homogenisering van het tussentaalgebruik in Vlaanderen. De geobserveerde niet-dialectische, niet-standaardtalige kenmerken zorgen er immers voor dat cluster 2c duidelijk herkenbaar wordt als een niet-standaardtalige en niet-dialectische spreeklaag (cfr. paragraaf 5.2.3. over het idiovariëtaire karakter van de kenmerken) en dat het taalgebruik van de Ieperse sprekers meer begint te lijken op dat van sprekers uit andere regio's. Dat niet alle sprekers die kenmerken gebruiken, kan erop wijzen dat het homogeniseringsproces in Ieper nog in een vroeg stadium zit. Extra be-wijs voor die hypothese vinden we in figuur 4, waarin te zien is dat de jongere sprekersgroep ('25-35j') zowel in de supraregionale vriendengesprekken als in de interviewsetting lichtjes sterkere correlaties vertoont met de kenmerken uit cluster 2c dan de oudere sprekersgroep (50-65).

De nodige voorzichtigheid is echter aangewezen. De leeftijdsverschillen zijn immers miniem en mogen bijgevolg niet overgeïnterpreteerd worden. Bovendien is in alle situaties de onderlinge variatie tussen de jongere Ieperse sprekers even groot als die tussen de oudere sprekers32, wat dan weer tegen een homogenisering-in-ontwikkeling pleit. Tot slot is ook een per-ceptuele verandering nodig voor de onderscheiden prototypes zich tot variëteiten kunnen ontwikkelen. De informanten toonden zich er in dit onderzoek al bewust van dat er één of meerdere taalvormen bestaan tussen standaardtaal en dialect, maar bleken zich weinig bewust van het 'supraregionaal Iepers'. Mogelijk zal daar in de toekomst verandering in komen; hier kunnen verschillende factoren een rol bij spelen, zoals een doorgezet dialectverlies (zie Ghyselen en Van Keymeulen 2014), meer (po-sitieve) aandacht voor intermediaire taalvormen op school en in de media (zie De Schryver 2012 voor de huidige status quo) en een toenemende supraregionale mobiliteit. De tekenen van een beginnende taalhomoge-nisering in Ieper impliceren wel dat het homogeniseringsproces in regio's met een verdergevorderd dialectverlies wellicht al verder ontwikkeld is (cfr. paragraaf 4.2.). Een replica van de hier besproken studie in andere dialectgebieden moet hier verheldering over brengen.

VOL. 67, NO. 1,2015

Figuur 4 Correspondentieplot met interactie-effecten leeftijd en situatie

6.3 Informele standaardisering, dubbele norm, destandaardisering

De eventuele homogenisering van tussentaal kan niet los gezien worden van overkoepelende taalveranderingsprocessen zoals (de)standaardisering, informele standaardisering en de ontwikkeling van een dubbele norm (cfr. paragraaf 3). Tussentaalhomogenisering kan immers op een informele standaardisering van tussentaal en dus een verlies van de huidige gespro-ken standaardtaalnorm wijzen, maar ook op de ontwikkeling van een dub-bele norm, waarbij de bestaande norm verruimd wordt met een extra norm voor informele communicatie. Zoals in paragraaf 3 al benadrukt werd, kunnen dergelijke processen niet omvattend beschreven worden op basis van het hier gepresenteerde onderzoek; standaardisering is immers zo veel meer dan structurele homogenisering. Wel vormen een aantal ob-servaties uit dit onderzoek interessante impulsen voor verder onderzoek.

Taalstructureel vonden we in de verzamelde productiedata geen apparent-time bewijs voor een homogenisering van tussentaal onder de Ieperse

GHYSELEN 85

jongeren, maar wel een iets grotere voorkeur bij de jongere sprekers voor [-dia, -st]-varianten zoals ke-diminutieven en ge-pronomina. In de vorige paragraaf formuleerden we de voorzichtige hypothese dat dat leeftijdsef-fect op een interregionale homogenisering kan wijzen. Een dergelijke ho-mogenisering pleit tegen een scenario van destandaardisering; het lijkt immers niet zo dat er steeds meer taalvariatie getolereerd wordt (cfr. paragraaf 3). Uit de interviews bleek dat de informanten de [-dia, -st]-varianten vrij onbewust realiseren in een poging tot standaardtaal. Het taalgebruik met [-dia, -st]-kenmerken werd door de sprekers immers steevast als geïn-tendeerde standaardtaal gelabeld, en geen enkele informant vermeldde de varianten wanneer hen gevraagd werd in welk opzicht hun geïntendeerde standaardtaal afweek van de VRT-norm. De onderzochte Ieperlingen con-cipiëren de cluster met [-dia, -st]-vormen dus allerminst als een apart [-st]-systeem, wat kan wijzen op een informele standaardisering van tussentaal. Het is echter onduidelijk welke attitudes de sprekers erop nahouden tegen-over de [-dia, -st]-vormen, wat het moeilijk maakt te bepalen of tussentaal zich via informele standaardisering ontwikkelt tot dé nieuwe prestigenorm, dan wel of er sprake is van een dubbelenormscenario waarbij tus-sentaal als best dynamism norm fungeert. De informanten geven in de interviews wel aan dat het VRT-Nederlands voor hen een belangrijke, na te streven norm is (cfr. fragment 14) - het VRT-Nederlands geniet in Ieper dus nog steeds van een duidelijk 'overt prestige' (Labov 1966) - maar over eventuele dubbele normen of de potentiële 'best dynamism' status (Gron-delaers en Speelman 2013) van het geobserveerde supraregionale Iepers kunnen we in dit onderzoek moeilijk uitspraken doen. We stelden immers vast dat het 'surparegionaal Iepers' geen emische categorie vormde voor de sprekers; met een kwalitatief interview was het dan ook moeilijk te polsen naar de attitudes van sprekers tegenover die taalvorm.

Fragment 14 - spreker wvlb1:

[kan een regionaal accent op tv?] nee datvind ik niet. Ikvinddat da... zelfs op r... op uh regionale tv. Datze daar moeten op letten. 'k vinddat dat toch wel altijd nog een stuk... vooral in didactische programma's dat dat toch een voorbeeld-functie moet hebben. Allé dat is mijn idee. Vind ik standaardtaal toch wel uh... als ze't daar niet meer doen. Op de duur. Want uiteindelijk naar... naar onderwijs naar lezen naar praten. Als mensen moeten solliciteren. Als ze ergens in een... in een job zitten. Moeten ze toch deftig kunnen praten.

Verder, experimenteel (?) onderzoek naar eventuele meer verborgen vormen van prestige zijn noodzakelijk om hier uitspraken over te doen, maar

86 VOL.67,NO. 1,2015

op grond van onze productie- en perceptiedata lijkt een scenario van informele standaardisering of het dubbelenormscenario alvast waarschijn-lijker dan destandaardisering.

7 Besluit

Aan het begin van dit artikel werd de vraag vooropgesteld of er in de West-Vlaamse periferie een tussentaalvariëteit onderscheiden kan worden, i.e. een bundel taalkenmerken gekenmerkt door sterke interne linguïstische cohesie, 'idiovariëtaire' elementen, duidelijk afgebakende pragmatische functies en emische categoriestatus. Die vraag is relevant, zo beargumen-teerden we in paragraaf 3, omdat homogenisering van tussentaal op ver-anderende taalstandaarden in Vlaanderen kan wijzen. Een correlationeel-sociolinguïstisch onderzoek werd opgezet om de vooropgestelde onder-zoeksvraag te beantwoorden. Meer specifiek werden tien Ieperse hoogop-geleide vrouwen geobserveerd in vijf spreeksituaties: een dialecttest, een standaardtaaltest, een interview, een gesprek met een vriend(in) uit de eigen regio en een gesprek met een vriend(in) uit een andere regio.

Een analyse van 28 taalvariabelen toont aan dat het taalrepertorium in Ieper structureel diaglossisch is, met een continuüm dat zich uitstrekt van hoofdzakelijk dialectisch naar een taalvorm die dicht aanleunt bij de VRT-norm. Daartussenin vinden we intermediaire vormen, die o.a. gekenmerkt worden door een aantal niet-standaardtalige, niet-dialectische varianten zoals ke-diminutieven en ne-lidwoorden. Om de interne structuur van het taalrepertorium te bestuderen, werden correspondentie- en clusteranaly-ses uitgevoerd, waarbij de correlaties tussen de taalvarianten en de situ-atie- en leeftijdsparameters in een biplot en dendrogram werden weerge-geven. De correspondentie- en clusteranalyses tonen aan dat het grootste onderscheid in het Ieperse taalrepertorium er één is tussen dialect en niet-dialect. Het dialect vormt daarbij een vrij homogene cluster, die door alle sprekers zowel in de dialecttest als de regionale vriendengesprekken aan-gesproken werd. Binnen de heterogene niet-dialectische ruimte konden vier subclusters onderscheiden worden, namelijk het VRT-Nederlands, het gekuist Iepers, supraregionaal Iepers en de standaardtaal met een accent. Van die clusters kan enkel het VRT-Nederlands en in mindere mate ook het gekuiste dialect als variëteit beschouwd worden; de 'standaardtaal met een accent' en het supraregionaal Iepers vormen veeleer Sprechlagen binnen een ruimere variëteit die we geïntendeerde standaardtaal noemden. Moge-lijk zijn er nog meer lagen te onderscheiden in het Ieperse taalgebruik,

GHYSELEN 87

maar meer onderzoek met meer spreeksituaties is nodig om die te detec-teren.

De supraregionaal Ieperse laag wordt gekenmerkt door een aantal 'idi-ovariëtaire' kenmerken, die ervoor zorgen dat het prototype in zijn essentie 'herkenbaar én beschrijfbaar' is (cfr. Taeldeman 2008). Jongeren bleken met die idiovariëtaire varianten iets sterkere associaties te vertonen dan de oudere informanten, wat op een homogeniserende trend in het Vlaamse taallandschap kan wijzen. Een dergelijke homogenisering kan, op haar beurt, wijzen op een informele standaardisering van tussentaal, maar ook op de ontwikkeling van een dubbele norm in Vlaanderen, waarbij de hui-dige standaardtaal als 'best prestige norm' fungeert en tussentaal als 'best dynamism language'. Die hypotheses dienen onderworpen te worden aan diepgaand attitudineel en perceptueel onderzoek vooraleer we eenduidige besluiten kunnen trekken. Ook moet beklemtoond worden dat de in dit artikel beschreven structuur beperkt is tot Ieper; in andere regio's met een verdergevorderd dialectverlies is de repertoriumstructuur wellicht gevoelig anders, met mogelijk wél al een duidelijk af te bakenen tussentaalvariëteit. Er is dus nog werk aan de sociolinguïstische winkel, maar ik hoop dat ik met dit artikel alvast heb kunnen aantonen dat de structuur van taalreper-toria onderzocht en beschreven kan worden zonder in 'mere analyst's play' (Willemyns 1985) te vervallen.

1. Mijn oprechte dank gaat uit naar twee anonieme reviewers en mijn doctoraatsbegelei-dingscommissie voor hun nuttige commentaren bij een eerdere versie van dit artikel.

2. Cfr. Rys (2007) die vaststelde dat kinderen die het dialect 'secundair verwerven bij een woordlijstoefening maar in 8% van de 13.824 bestudeerde tokens hyperdialectismen realiseren. Dat is op zich een aanzienlijk percentage, maar verwacht kan worden dat het percentage bij dialectsprekers en in spontanere spreeksettings veel lager ligt.

3. Dit scenario leunt heel dicht aan bij wat Coupland en Kristiansen (2011) demotisering noemen, de ontwikkeling waarbij de standaardtaalideologie overeind blijft, maar de invulling van het concept standaardtaal verandert.

4. Een dergelijk fenomeen, met een dubbele gesproken norm, observeert Kristiansen (2001) ook in Denemarken.

5. Cfr. Theissen (2005:131) over "postmoderne sociolinguïsten die geen norm meer wensen te kennen, maar slechts variëteiten."

6. Synchrone taalverschillen tussen generaties die diachroon geïnterpreteerd worden.

7. Met age grading wordt bedoeld dat het taalgebruik van een individu verandert tijdens zijn levensloop, zonder dat daarbij sprake is van taalverandering op gemeenschaps-niveau. Dergelijke age gradingveranderingen zouden vaak tijdens of vlak na de adoles-centie gebeuren. Late adoptions zijn taalvarianten die sprekers na hun adolescentie

VOL. 67, NO. 1,2015

verwerven, terwijl met regressieverschijnselen wordt bedoeld dat sprekers bepaalde taal-vormen uit hun jeugd opnieuw hanteren op oudere leeftijd.

8. Ieper wordt hier in ruime zin begrepen als de stad Ieper met de omliggende deelgemeenten Zillebeke, Hollebeke, Voormezele, Dikkebus, Vlamertinge, Brielen, Elver-dinge, Zuidschote, Boezinge en Sint-Jan. Ook de buurgemeente Langemark werd in het onderzoeksgebied opgenomen.

9. Van de informele vriendengesprekken werd telkens een half uur getranscribeerd. Het interview en de dialect- en standaardtaaltesten werden volledig getranscribeerd.

10. Voor sommige variabelen, bvb. de representatie AN [y], is het echter nog steeds goed denkbaar dat individuele beoordelaars verschillen in hun percepties. Daarom werden voor alle fonologische variabelen een deel van de tokens door een tweede taalkundige uit een andere regio gecontroleerd. De aldus verkregen interrater agreements waren voor de hier gepresenteerde variabelen behoorlijk (significante Cohen's kappa telkens tussen 0.65 en 0.96, zie ook Carletta 1996), wat op een aanzienlijke overeenstemming in de ratings en dus ook op een betrouwbare classificatie wijst.

11. Hierbij werden SAND (2005, 2008), FAND (1998, 2000, 2005) en MAND (2005, 2009) als bronnen gebruikt.

12. Deze variantencodes worden in grafieken gebruikt.

13. Bij deze variabele maken we geen onderscheid tussen de lange monoftong [ë:] en de diftong [Ë.i], evenmin als tussen verschillende openingsgraden bij de diftongen. Zonder akoestische analyses zijn de verschillende varianten immers moeilijk objectief te onderscheiden, zo bleek bij de berekening van interrater agreements (cfr. voetnoot 10).

14. Bij deze variabele en ook bij de representatie van AN [o.u] bleek het onderscheid tussen een lange monoftong en diftong wel te maken zonder akoestische analyses; verschillen in openingsgraad bij de diftongen waren echter ook bij deze variabelen moeilijk objec-tief te maken.

15. Dit fenomeen werd onderzocht in een selectie van woorden, die gebaseerd is op De Wulf (2003) en De Decker en Vandekerkchove (2012): haar, had, halen, half, hard, hebben, helemaal, hier, hoe, hoeveel, hoop, hou, huis, hun, haak, haan, haas, haast, hand, haring, hart, haver, heer, heks, helft, hemd, hemel, hengst, hoek, hoed, hof, hol, hond, honger, hoofd, hooi, hoop, hoorn, half, hard, heet, hol, hoof, halen, hangen, helpen, horen, hier.

16. We maken geen onderscheid tussen de varianten da[t] en da[d], aangezien dat onder-scheid zonder extra akoestische analyses vaak moeilijk te maken is.

17. Deze infinitiefvorm is wijdverbreid in Vlaanderen in een klein aantal monosyllabische werkwoorden (o.a. doen en gaan), maar het voorkomen van de vorm in bijna alle werkwoorden vinden we slechts in een beperkt deel van West-Vlaanderen.

18. In dergelijke zinnen is in het dialect verdubbeling met een dof pronomen verplicht (cfr. De Vogelaer 2008:326).

19. Over het al dan niet endogene karakter van voor + te-infinitief in het Ieperse dialect kan gediscussieerd worden. Zie Ryckeboer (1983) voor meer info.

20. We maken enkel het ruwe onderscheid tussen je-suffixen enerzijds en ke-suffixen an-derzijds. Met de allormorfie binnen het je-suffix houden we geen rekening omdat dat de berekening van afstandsmaten bemoeilijkt: sommige van de je-suffixen in het Ieperse dialect vallen namelijk samen met de standaardtalige je-suffixen (bloemetje), terwijl andere een andere allomorf hebben (boeksje versus boekje).

21. Aangezien het om een frequentietabel gaat, worden de afstanden berekend volgens de chi-kwadraatmetriek.

22. De hoofdeffecten voor de variabele 'spreker1 werden om redenen van overzichtelijkheid

GHYSELEN 89

niet geplot. De variabele werd echter wel in de analyses opgenomen; de geplotte leef-tijdseffecten zijn dus gecontroleerd voor de variabele 'spreker\

23. Wanneer er in een bepaalde situatie geen 5 tokens gevonden werden, wordt die situatie niet geanalyseerd. Door afronding is het totaal percentage soms 99 of 101% ipv 100%.

24. In andere contexten komen de varianten wel voor in het Ieperse dialect (cfr. Bille 2009), zie bvb. [b:ta] 'laat' en [faktœr] 'postbode'.

25. In de biplot is er geen overlapping tussen de confidentie-ellipsen van 'int' en 'sttest', wat betekent dat er een significant verschil tussen beide is.

26. Zie Ghyselen (to appear) voor een bespreking van verschillende visies op het begrip 'diaglossie'.

27. In een clusterdendrogram biedt de y-as een indicatie van de afstand tussen twee punten. Bijvoorbeeld: als twee clusters of datapunten samensmelten op 'hoogte' x, dan betekent dat dat de afstand tussen die clusters of datapunten x is.

28. Hiertoe werd per spreker een correspondentieplot gegenereerd met de verschillende situatie-effecten. Om redenen van beknoptheid worden de tien plots hier niet weerge-geven, maar enkel beschreven. De plots kunnen online geraadpleegd worden via http:// en.aup.nl/nl/tijdschriften/source-material-taal-en-tongval.html.

29. Cfr. Plevoets' (2008:175) observatie dat "het Journaalnederlands enhet Soapvlaams (...) een naadloze overgang [vertonen] van en naar elkaar".

30. Zie ook Van Coetsem (1957:21) die stelt dat "[d]e taalvorm van de Vlaamse 'beschaafd-sprekers' [zich] beweegt (...) tussen een soort van gezuiverd dialekt en, in enkele ge-vallen, een zogoed als zuiver Noordnederlands".

31. Die indeling acht hij "hoogst arbitrair en persoonlijk" - duidelijke intermediaire varië-teiten kunnen volgens hem immers niet geïsoleerd worden - maar toch noodzakelijk. Immers, "[v]an de linguist mag en moet worden verwacht dat hij, in zijn beschrijving van de taalsituatie, (...) zijn toehoorders niet confronteert met vijf miljoen particuliere systeempjes, maar integendeel met een zinvolle ordening van al die systeempjes in een overzichtelijke matrix van codes, waarin hij zich voorneemt de rol, de functie, de begrenzing, de gebruiks- en communicatiemogelijkheden en de sociale aanvaardbaar-heid te beschrijven" (Willemyns 1982:80).

32. De vijf correspondentieplots met de interacties tussen sprekers en situaties worden hier niet weergegeven om redenen van beknoptheid. De plots kunnen online geraadpleegd worden via http://en.aup.nl/nl/tijdschriften/source-material-taal-en-tongval.html. Sprekers uit de leeftijdsgroep 25-35 jaar zijn te herkennen aan de letter 'a' in de spre-kerscode (bvb. wvla1); sprekers uit de categorie 50-65 jaar hebben de letter 'b' in hun sprekerscode (bvb. wvlb1).

Bibliografie

Auer, Peter, 'Konversationelle Standard/Dialekt-Kontinua (Code-Shifting)', Deutsche Sprache, 14 (1986), 97-124.

Auer, Peter, 'Europe's sociolinguistic unity, or: A typology of European dialect/standard constellations'. In: N. Delbecque, J. Van Der Auwera & D. Geeraerts (reds.) Perspectives on variation. Berlin/New York: Mouton De Gruyter, 2005, pp. 7-42. Auer, Peter en Helmut Spiekermann, 'Demotisation of the standard variety or destandardisation? The changing status of German in late modernity (with special reference to south-western

90 VOL.67,NO. 1,2015

Germany)'. In: Tore Kristiansen & Nikolas Coupland (reds.) Standard Languages and Language Standards in a Changing Europe. Oslo: Novus Forlag, 2011, pp. 161-176.

Baayen, R.H., Analyzing Linguistic Data. A Practical Introduction to Statistics using R. Cambridge: Cambridge University Press, 2008.

Berruto, Gaetano, 'On the Typology of Linguistic Repertoires'. In: U. Ammon (red.) Status and Function of Languages and Language Varieties. Berlin/New York: Walter De Gruyter, 1989, pp.

552-569.

Berruto, Gaetano, 'Identifying dimensions of linguistic variation in a language space'. In: Peter Auer & Jürgen Erich Schmidt (reds.) Language and Space, Part I: Theories and Methods. An International Handbook of Linguistic Variation. Berlin/New York: Walter de Gruyter, 2010, pp. 226-241.

Bille, Nele 2009. Je zi gi van Iper, eni?! Een klank- en vormleer van het Iepers dialect. Katholieke Universiteit Leuven: masterscriptie.

Boberg, Charles, 'Real and apparent time in language change: late adoption of changes in Montreal English', American Speech, 79 (2004), 250-269.

Author, Praat: doing phonetics by computer. 5.2.46 (2011).

Carletta, Jean, 'Assessing agreement on classification tasks: the kappa statistic', Journal Computational Linguistics, 22 (1996), 249-254.

Chambers, J.K. en Peter Trudgill, Dialectology. Second edition. Cambridge: Cambridge University Press, 1998.

Cornips, Leonie en Gunther De Vogelaer, 'Variatie en verandering in het Nederlandse genus', Taal en Tongval, 22 (2009), 1-12.

Costa, Patricio Soares, Nadine Correia Santos, Pedro Cunha, Jorge Cotter en Nuno Sousa, 'The Use of Multiple Correspondence Analysis to Explore Associations between Categories of Qualitative Variables in Healthy Ageing', Journal of Aging Research, 2013 (2013), 1-12.

Coupland, Nikolas en Tore Kristiansen, 'SLICE: Critical perspectives on language (de)standardisa-tion'. In: Tore Kristiansen & Nikolas Coupland (reds.) Standard Languages and Language Standards in a Changing Europe. Oslo: Novus Press, 2011, pp. 11-35.

Coussé, Evie, Steven Gillis, Hanne Kloots en Marc Swerts, 'The influence of the labeller's regional background on phonetic transcriptions: Implications for the evaluation of spoken language resources'. In: M. Lino, X. Xavier, F. Ferreira, R. Costa & R. Silva (reds.) Proceedings of the Fourth International Conference on Language Resources and Evaluation. Paris: ELRA, 2004,

pp. 1447-1450.

Davies, Winifred, 'Myths we live and speak by. Ways of imagining and managing language and languages'. In: Matthias Hüning, Ulrike Vogl & O. Moliner (reds.) Standard Languages and Multilingualism in European History. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins, 2012, pp. 4570.

De Caluwe, Johan, Belgisch Nederlands versus Nederlands Nederlands. Bundel wetenschappelijke nascholing. Gent: Academia Press, 2000.

De Caluwe, Johan, 'Tussentaal als natuurlijke omgangstaal in Vlaanderen'. In: Johan De Caluwe & Magda Devos (reds.) Structuren in talige variatie in Vlaanderen. Gent: Academia Press, 2006,

pp. 19-34.

De Caluwe, Johan, 'Tussentaal wordt omgangstaal in Vlaanderen', Nederlandse Taalkunde, 14 (2009), 8-28.

De Decker, Benny en Reinhild Vandekerckhove, 'Stabilizing features in substandard Flemish: The chat language of Flemish teenagers as a test case', Zeitschriftfür Dialektologie und Linguistik, LXXIX (2012).

De Saussure, Ferdinand, Cours de linguistique générale. Edition critique par Rudolf Engler. Wiesbaden: Harrassowitz, 1974.

De Schryver, Johan, 'Het einde van de tussentaal en de Vlaamse standaardtaaldiscussie'. In: Kevin Absilis, Jürgen Jaspers & Sarah Van Hoof (reds.) De manke usurpator: over verkavelings-vlaams. Gent: Academia Press, 2012, pp. 141-165.

De Sutter, Gert, Isabelle Delaere en Koen Plevoets, 'Lexical lectometry in corpus-based translation studies: combining profile-based correspondence analysis and logistic regression modeling'. In: Michael P. Oakes & Ji Meng (reds.) Quantitative methods in corpus-based translation studies : a practical guide to descriptive translation research. Amsterdam: John Benjamins Publishing, 2012, pp. 325-345.

De Vogelaer, Gunther, De Nederlandse en Friese subjectsmarkeerders: geografie, typologie en diachronie. Gent: Koninklijke academie voor Nederlandse taal- en letterkunde, 2008.

De Vogelaer, Gunther en Roxane Vandenberghe, 'Iemand of entwie, ergens of ieveranst. Een taal-typologisch perspectief op onbepaalde voornaamwoorden en bijwoorden in de Zuid-Neder-landse dialecten'. In: Johan De Caluwe & Magda Devos (reds.) Structuren in talige variatie in Vlaanderen. Gent: Academia Press, 2006, pp. 91-113.

Delarue, Steven, ''Teachers' Dutch in Flanders: the last guardians of the standard?'. In: Stefan Grondelaers & Tore Kristiansen (reds.) Language (De)standardisation in Late Modern Europe: Experimental Studies. Oslo: Novus Forlag, 2013, pp. 193-226.

Devos, Magda en Reinhild Vandekerckhove, West-Vlaams. Tielt: Lannoo, 2005.

Di Franco, Giovanni en Alberto Marradi, Factor analysis and principal component analysis. Milano: FrancoAngeli, 2013.

Dittmar, Norbert, 'Correlational sociolinguistics'. In: Jürgen Jaspers, Jan-Ola Östman & Jef Ver-schueren (reds.) Society and Language Use. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins, 2010, pp. 140-151.

Eckert, Penelope, Why ethnography?'. In: Ulla-Britt Kostinas, Anna-Brita Stenstrom & Anna-Malin Karlsson (reds.) Ungdomsspräk i Norden. Stockholm: MINS, 1997, pp. 52-62.

Eckert, Penelope, 'Three Waves of Variation Study: The emergence of meaning in the study of variation', Annual Review of Anthropology, 41 (2012), 87-100.

FAND = Goossens, Jan, Johan Taeldeman & Geert Verleyen (1998: deel I; 2000: deel II + III); De Wulf, Chris, Jan Goossens & Johan Taeldeman (2005: deel IV). Fonologische Atlas van de Nederlandse Dialecten. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde.

Gabel, Heidi, 'Taalaccommodatie in Vlaanderen. Een onderzoek naar het taalgebruik van jongeren binnen de Peer Group en in contact met niet-streekgenoten', Taal & Tongval, 62 (2010), 163-203.

Geeraerts, Dirk, 'Een zondagspak? Het Nederlands in Vlaanderen: gedrag, beleid, attitudes', Ons Erfdeel, 44 (2001), 337-344.

Geeraerts, Dirk, 'Schmidt redux: How systematic is the linguistic system if variation is rampant?'. In: Kasper Boye & Elisabeth Engeberg-Pederson (reds.) Language Usage and Language Structure. Berlin/New York: De Gruyter Mouton, 2010, pp. 237-262.

Ghyselen, Anne-Sophie, 'From diglossia to diaglossia: a West Flemish case-study'. In: Marie-Hélène Côté, Remco Knooihuizen & John Nerbonne (reds.) The Future of Dialects. Berlin: Language Science Press, te verschijnen.

Ghyselen, Anne-Sophie en Jacques Van Keymeulen, 'Dialectcompetentie en functionaliteit van het dialect in Vlaanderen anno 2013', Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 130 (2014), 117-139.

Goedertier, Wim en S. Goddijn. 'Corpus Gesproken Nederlands: Protocol voor Orthografische Transcriptie'. (2000).

Goossens, Jan, ''Belgisch Beschaafd Nederlands' en Brabantse expansie', De Nieuwe Taalgids, Van Haeringennummer (1970), 54-70.

VOL. 67, NO. 1,2015

Gries, Stefan, Statistics for Linguistics with R. A practical introduction. Berlin: Mouton De Gruyter, 2009.

Grondelaers, Stefan en Dirk Speelman, 'Can speaker evaluation return private attitudes towards stigmatised varieties? Evidence from emergent standardisation in Belgian Dutch'. In: Tore Kristiansen & Stefan Grondelaers (reds.) Language (De)standardisation in Late Modern Europe: Experimental Studies. Oslo: Novus Press, 2013, pp. 171-191.

Grondelaers, Stefan en Roeland Van Hout, 'The Standard Language Situation in the Low Countries: Top-Down and Bottom-Up Variations on a Diaglossic Theme.', Journal of Germanic Linguistics, 23 (2011a), 199-243.

Grondelaers, Stefan en Roeland Van Hout, 'The standard language situation in The Netherlands'. In: Tore Kristiansen & Nikolas Coupland (reds.) Standard Languages and Language Standards in a Changing Europe. Oslo: Novus Press, 2011b, pp. 113-118.

Haugen, Einar, 'Dialect, language, nation', American Anthropologist, 68 (1966), 922-935.

Hoppenbrouwers, Cor, Het regiolect. Van dialect tot Algemeen Nederlands. Muiderberg: Coutinho,

Janssens, Wim, Katrien Wijnen, Patrick De Pelsmacker en Patrick Van Kenhove, Marketing Research with SPSS. Harlow: Pearson Education Limited, 2008.

Jorgensen, Jens Normann, 'Polylingual Languaging Around and Among Children and Adolescents', International Journal of Multilingualism, 5 (2008), 161-176.

Kristiansen, Gitte, 'Style-shifting and shifting styles: A socio-cognitive approach to lectal variation'. In: Gitte Kristiansen & René Sirven (reds.) Cognitive Sociolinguistics. Berlin/New York: Mouton de Gruyter, 2008, pp. 45-88.

Kristiansen, Tore, 'Two Standards: One for the Media and One for the School', Language Awareness, 10 (2001), 9-24.

Labov, William, The social stratification of English in New York City. Washingtong D.C.: Center for Applied Linguistics, 1966.

Labov, William, Sociolinguistic Patterns. Oxford: Blackwell, 1972.

Lebart, Ludovic en Boris Mirkin, 'Correspondence analysis and classification'. In: Carlos Maria Cuadras & Calyampudi Radhakrishna Rao (reds.) Multivariate Analysis, Future Directions. Amsterdam: North Holland, 1993, pp. 341-357.

Lenz, Alexandra, Struktur und Dynamik des Substandards. Eine Studie zum Westmiddeldeutschen (Wittlich/Eifel). Stuttgart: Steiner, 2003.

Lenz, Alexandra, 'Hyperforms and variety barriers'. In: Britt-Louise Gunnarson, Lena Bergström, Gerd Eklund, Staffan Fridell, Lise H. Hansen, Angela Karstadt, Bengt Nordberg, Eva Sundgren & Mats Thelander (reds.) Language variation in Europe. Upssala: Upssala Universitet, 2004, pp. 281-293.

Lenz, Alexandra, 'Emergence of varieties through restructuring and reevaluation'. In: Peter Auer &Jürgen Erich Schmidt (reds.) Language and Space. An International Handbook of Linguistic Variation. Berlin/New York: De Gruyter, 2010, pp. 295-315.

Lybaert, Chloé 2014. Het gesproken Nederlands in Vlaanderen. Percepties en attitudes van een spraakmakende generatie. Universiteit Gent: doctoraatsverhandeling.

MAND = De Schutter, Georges, Boudewijn van den Berg, Ton Goeman & Thera De Jong (2005; deel I: Meervoudsvorming bij zelfstandige naamwoorden, vorming van verkleinwoorden, geslacht bij zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord en bezittelijk voornaamwoord); Goeman, Ton, Marc Van Oostendorp, Piet van Reenen, Oele Koornwinder & Boudewijn van den Berg (2009; deel II: comparatief en superlatief, pronomina, werkwoorden presens en preteritum, participia en werkwoordstamalternaties). Morfologische Atlas van de Neder-landse Dialecten. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Nekvapil, Jiri, 'The formation of interpretive sociolinguistics. A synopsis', Sociolinguistica, 14 (2000), 33-36.

Paris, Gaston, 'Les parlers de France. Lecture faite à la réunion des coiétés savantes le 26 mai 1888', Revue des patois gallo-romans, 2 (1888), 161-175.

Pickl, Simon, ^Verdichtungen im sprachgeografischen Kontinuum', Zeitschrift für Dialektologie und Linguistik, LXXX (2013), 1-35.

Plevoets, Koen, Tussen spreek-en standaardtaal. Een corpusgebaseerd onderzoek naar de situatio-nele, regionale en sociale verspreiding van enkele morfosyntactische verschijnselen uit het ge-sproken Belgisch-Nederlands. Katholieke Universiteit Leuven: doctoraatsverhandeling.

Plevoets, Koen. 'Verkavelingsvlaams als de voertaal van de verburgerlijking van Vlaanderen'. Studies van de Belgische Kring voor Linguistiek [Online], 4 (2009).

Plevoets, Koen, 'De status van de Vlaamse tussentaal. Een analyse van enkele socio-economische determinanten', Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 129 (2013), 191-233.

Poplack, Shana, 'Variation theory and language contact'. In: Dennis R. Preston (red.) American dialect research. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins Publishing Co., 1993, pp. 251-286.

Reiczigel, Jeno, 'Bootstrap tests in correspondence analysis', Applied stochastic models and data analysis, 12 (1996), 107-117.

Ryckeboer, Hugo, 'Voor te + infinitief.Verkenning naar de dynamiek van een dialectisme', Taal & Tongval, 35 (1983), 83-89.

Rys, Kathy, Dialect as a Second Language: Linguistic and Non-Linguistic Factors in Secondary Dialect Acquisition by Children and Adolescents. Universiteit Gent: doctoraatsverhandeling.

Rys, Kathy en Johan Taeldeman, 'Fonologische ingrediënten van Vlaamse tussentaal'. In: D. Sandra, R. Rymenans, P. Cuvelier & P. Van Petegem (reds.) Tussen taal, spelling en onderwijs. Essays bij het emeritaat van Frans Daems. Gent: Academia Press, 2007, pp. 1-8.

SAND = Barbiers, Sjef, Hans Bennis, Gunther De Vogelaer, Magda Devos & Margreet van der Ham (2005; deel I: Pronomina, Congruentie en Vooropplaatsing); Barbiers, Sjef, Hans Bennis, Gunther De Vogelaer, Johan Van der Auwera & Margreet van der Ham (2008; deel II: Werk-woordsclusters en negatie). Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Sankoff, Gillian, 'Age: Apparent time and real time'. In: K. Brown (red.) Elsevier Encyclopedia of Language and Linguistics. Second Edition. Amsterdam: Elsevier, 2006, pp. 110-116.

Sankoff,Gillian en Hélène Blondeau, 'Language change across the lifespan: /r/ in Montréal French', Language, 83 (2007), 560-588.

Schilling-Estes, Natalie, 'Investigating Stylistic Variation'. In: Jack Chambers, Peter Trudgill & Natalie Schilling-Estes (reds.) The Handbook of Language Variation and Change. Malden/ Oxford: Blackwell Publishers, 2002, pp. 375-401.

Schmidt, Jürgen Erich, ^Versuch zum Varietätenbegriff. In: Alexandra Lenz & Klaus Mattheier (reds.) Varietäten - Theorie und Empirie. Frankfurt/Main: Peter Lang, 2005, pp. 61-74.

Schmidt, Thomas en Kai Wörner, 'EXMARaLDA - Creating, analysing and sharing spoken language corpora for pragmatic research', Pragmatics, 19 (2009), 565-582.

Speelman, Dirk, Stefan Grondelaers en Dirk Geeraerts, 'Profile-Based Linguistic Uniformity as a Generic Method for Comparing Language Varieties', Computers and the Humanities, 37

(2003), 317-337.

Taeldeman, Johan, 'Zich stabiliserende grammaticale kenmerken in Vlaamse tussentaal', Taal & Tongval, 60 (2008), 26-50.

Taeldeman, Johan, 'Linguistic stability in a language space'. In: Peter Auer & Jurgen Erich Schmidt (reds.) Language and space: an international handbook of linguistic Variation. Ber-lijn: De Gruyter Mouton, 2009, pp. 355-374.

Theissen, Siegried, Welk Nederlands of wat voor Nederlands voor Franstalige studenten?', Han-

VOL. 67, NO. 1,2015

delingen van de Koninklijke Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, LIX (2005), 129-137.

Van Coetsem, Frans, 'De rijksgrens tussen Nederland en België als taalgrens in de algemene taal', Bijdragen en Mededelingen der dialectencommissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, 18 (1957), 16-28. Van Hoof, Sarah en Bram Vandekerckhove, 'Feiten en fictie. Taalvariatie in Vlaamse televisie-reeksen vroeger en nu', Nederlandse Taalkunde, 18 (2013), 35-64.

Vandekerckhove, Reinhild, 'Belgian Dutch versus Netherlandic Dutch: New patterns of divergence? On pronouns of address and diminutives', Multilingua 24 (2005), 379-397.

Wells, John C., Accents of English. Cambridge: Cambridge University Press, 1982.

Willemyns, Roland, 'Taalvarianten en Normbewustzijn', Colloquium Neerlandicum 8. Verslag van het achtste colloquium van docenten in de neerlandistiek aan buitenlandse universiteiten, (1982), 79-96.

Willemyns, Roland, 'Diglossie en taalcontinuüm: twee omstreden begrippen'. In: Roland Willemyns (red.) Brussels Boeket. Liber Discipulorum Adolphe Van Loey. Brussel: Vrije Universiteit Brussel, 1985, pp. 187-229.

Willemyns, Roland, 'Verkavelingsbrabants. Werkt het integratiemodel ook voor tussentalen?', Neerlandica Extra Muros, 43 (2005), 27-40.

Willemyns, Roland, 'De-standardization in the Dutch Language Territory at Large'. In: C. Fandryc & R. Salverda (reds.) Standard, Variation and Language Change in Germanic Languages. Tübingen: Gunter Narr Verlag, 2007, pp. 265-279.

Over de auteur

Anne-Sophie Ghyselen, Universiteit Gent, Vakgroep Taalkunde. E-mail: annesophie.ghyselen@ugent.be

GHYSELEN 95