Scholarly article on topic 'Boekbesprekingen'

Boekbesprekingen Academic research paper on "Languages and literature"

0
0
Share paper
Academic journal
Internationale Neerlandistiek
OECD Field of science
Keywords
{""}

Academic research paper on topic "Boekbesprekingen"

Internationale Neerlandistiek www.internationaleneerlandistiek.nl Uitgave: Amsterdam University Press

Boekbesprekingen

J.C.H. Blom & E. Lamberts (red.), Geschiedenis van de Nederlanden. Amsterdam, Prometheus, 2014. ISBN 978 9035 141193. € 49,95

Een klassieker in een nieuw jasje

Emmeline Besamusca

De Geschiedenis van de Nederlanden van J.C.H. Blom en E. Lamberts (of in de Engelstalige versie History of the Low Countries) is in menig opzicht een klassieker en prijkt al jaren op de leeslijst van studenten in binnen- en buitenland. Dit hand-zame overzichtswerk (in vorige edities ruim 400 pagina's) valt niet op door frivo-liteiten of nieuwigheden. De chronologische opbouw mag klassiek heten, evenals de focus op staatkundige ontwikkelingen - een keuze die Blom en Lamberts motiveren onder verwijzing naar de grote historicus Johan Huizinga, die op 2 december 1925 aan J.M. Romein schreef: 'Ik verzucht zo dikwijls: leert het groote publiek de geschiedenis der beschaving toch eigenlijk niet het best uit een goed gebouwde politieke geschiedenis' (p. 12). Het boek bevat acht hoofdstukken. In de eerste twee schetst L.J.R. Milis in ferme lijnen de periode vanaf de Kelten, Romeinen en Germanen tot en met de dertiende eeuw. Deze relatief korte hoofdstukken lijken vooral een opmaat voor het derde hoofdstuk, waarin W.P. Blockmans de vorming van een politieke unie in 'de eeuw van Bourgondie' en 'de eeuw van Habsburg' behandelt, tot en met de opstand in 1568. De gemeenschappelijke aan-loop biedt op dit punt een mogelijk voordeel: in een 'vaderlandse' geschiedenis van Nederland mag de Opstand van 1568 nog wel eens een vooral Nederlandse aangelegenheid lijken, die het fundament legde voor een Nederlandse natie.

Vanaf 1579 scheiden de wegen zich, ook in het boek. Het vierde hoofdstuk door A.Th. van Deursen over de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het vijfde hoofdstuk over de Spaanse en Oostenrijkse Nederlanden van de hand van P. Janssens lopen tot aan 1780. In een nabeschouwing benoemt Janssens, ondanks de in het oog springende verschillen, ook enkele overeenkomsten tussen de Habs-burgse Nederlanden en de Republiek. In de context van deze bundel een relevant en interessant perspectief dat even een nieuw licht kan werpen op zowel Zuid als

Noord. Het zesde hoofdstuk, van de hand van N.C.F. van Sas en J. Roegiers, be-strijkt de periode van 1780 tot 1830. Het valt uiteen in drie gescheiden paragrafen: eerst het noorden, dan het zuiden en tot slot het Verenigd Koninkrijk. De schei-ding tussen Nederland en Belgie vormt de breuklijn met de laatste twee hoofd-stukken: eerst Belgie vanaf 1830 door E. Lamberts, dan Nederland vanaf 1830 door J.C.H. Blom. Zijn aandacht voor katholiek Nederland, dat in andere historische overzichten van Nederland na de Opstand nog wel eens onderbelicht blijft (en in de canon van Nederland vrijwel onzichtbaar is), werd door mijn studenten opge-merkt en gewaardeerd.

Voor de nieuwe editie zijn de beide laatste hoofdstukken uiteraard wat aange-vuld. Blom ziet nog net kans de inhuldiging van Koning Willem Alexander in 2013 te vermelden; Koning Filip ontbreekt bij Lamberts, maar hij heeft een paragraafje Van atlantisme naar eurofederalisme' toegevoegd. De andere hoofdstukken (met uitzondering van het hoofdstuk van de inmiddels overleden A.Th. van Deursen; de tekst van wijlen J. Roegiers werd aangepast door J. Polasky van de University of New Hampshire) zijn 'grondig herwerkt' (p. 11) en aangepast aan de nieuwste stand in het historisch onderzoek. Dat laat zich door de lezer niet nagaan, aange-zien annotaties ontbreken en er hooguit incidenteel in de tekst wordt verwezen naar 'de (wetenschappelijke) literatuur'. Studenten die dat als een gemis ervaren, kunnen echter ruimschoots tevreden gesteld worden met de uitvoerige, geanno-teerde en geheel geactualiseerde bibliografie.

De Geschiedenis van de Nederlanden onderscheidt zich door de keuze van Blom en Lamberts om het huidige Belgie en Nederland 'in eenzelfde historisch verhaal te betrekken' (p. 11). Nu worden, na de te verwachten gemeenschappelijke aan-loop, in vijf van de acht hoofdstukken eigenlijk twee verhalen verteld: de geschiedenis van Nederland (door Nederlandse historici) en de geschiedenis van Belgie (door Vlaamse historici). De gemeenschappelijke geschiedenis lijkt vooral te dienen om de afbakening tussen de hoofdstukken te definieren. De epiloog, waarin de redacteuren zich wijden aan 'Eenheid en Verscheidenheid', kan de redenering echter impliciet duidelijk maken: ondanks alle verscheidenheid, die gescheiden hoofdstukken dicteert, zijn er in de Nederlanden ook voldoende 'gemeenschappelijke kenmerken' en 'gelijksoortige ontwikkelingen' (p. 11) te herkennen om die hoofdstukken vervolgens in een boek bijeen te brengen. Het gemeenschappelijke verhaal krijgt dus vooral contouren in de laatste dertien pagina's van het boek, en de lezer (of een college 'Inleiding in de Geschiedenis van de Lage Landen') zou dan ook wellicht juist daar moeten beginnen.

Niet erg overtuigend vind ik de suggestie van de redacteuren deze bijeenge-voegde geschiedschrijving van de Nederlanden ook als mogelijke 'opstap naar een transnationale, meer Europese geschiedenis' (p. 11) te presenteren. In de gescheiden hoofdstukken worden weinig nationale grenzen overstegen of uitkijkjes ge-

boden naar een bredere internationale context en blijft het perspectief vrijwel uitsluitend in België of in Nederland. De lezer wordt wel geïnformeerd over de diverse consequenties van de Eerste Wereldoorlog voor Nederland, maar niet over de overwegingen van de Europese machten om Nederland ongemoeid te laten.

In een overzichtswerk dat naar 'beperkte omvang' (p. 11) streeft, zullen onver-mijdelijk thema's ontbreken of te kort worden gedaan. Tot spijt van mijn studenten moet de koloniale geschiedenis van beide landen het met een paar bladzijden doen, en komen de kunsten er, naarmate de hoofdstukken vorderen, steeds be-kaaider vanaf. Dat is echter niet de voornaamste reden waarom studenten het boek niet bepaald enthousiast ter hand nemen. Deze vorm van geschiedschrijving is voor hen wat al te zakelijk, te abstract, te afstandelijk. Zinnen als 'De federalise-ring van België deed aanvankelijk geen afbreuk aan het verzuilde, neo-corpora-tieve karakter van het maatschappelijk systeem, dat een erfenis was van de sociale en levensbeschouwelijke pacificatie' (p. 373), spreken niet bepaald tot de verbeel-ding. Ook de vrij spaarzame illustraties, foto's en kaarten in het boek werken zakelijk. Zo luidt het onderschrift bij een foto waarop Amsterdammers te zien zijn die tramrails onttakelen: 'Ontregeling van het openbare leven in Amsterdam tijdens de hongerwinter 1944-1945' (p. 426), en niet bijvoorbeeld: Wanhopige mensen op zoek naar middelen van bestaan'. Bij Blom en Lamberts ontbreken de stemmen uit het verleden, de 'kleine verhalen' die historiografisch al enige jaren aan een opmars bezig zijn. Op de mooie nieuwe omslag wordt die keuze voor politieke geschiedenis boven mentaliteitsgeschiedenis wel veel beter verbeeld door Diego Velasquez' 'De overgave van Breda' (1634/35) dan door het Winterland-schap van Brueghel op de oude cover.

Nu is een overzichtswerk wellicht ook niet bedoeld om met plezier te lezen, maar eerder om in te studeren en na te zoeken. Daar leent het boek zich goed voor. De inhoudsopgave biedt hoofdstuktitels met sleutelbegrippen en jaartallen. De inleidende blokjes tekst, die in de nieuwe editie aan het begin van elk hoofd-stuk zijn toegevoegd, geven heel efficiënt een indruk van de inhoud. Het heldere register (van maar liefst 24 pagina's) geeft korte toelichtingen en biedt ruime mogelijkheden, ook met thematische zoektermen als 'nijverheid en industrie'. De nieuwe vormgeving draagt verder bij aan de zoekvriendelijkheid: grijze pagina's die een nieuw hoofdstuk aankondigen structureren het boek ook in dichtgeslagen toestand; paginanummers, hoofdstuk- en paragraaftitels in de marge van de res-pectievelijk rechter- en linkerpagina's helpen om efficiënt naar de juiste plaats te bladeren; en het mooie, iets grotere lettertype, in combinatie met de kleinere bladspiegel, is beduidend vriendelijker voor de ogen dan die in mijn oude editie (en de circa 100 extra pagina's neem ik graag op de koop toe).

Blom en Lamberts reppen niet over specifieke redenen voor deze geheel nieuwe editie. Maar heeft een dergelijk standaardwerk meer reden nodig dan actua-

liseren? Het is nog altijd de enige handzame, eendelige geschiedenis van de Lage Landen en de auteurs staan nog altijd garant voor kwaliteit. Het uiterlijk van het boek is op vrijwel alle punten opgeknapt: daar was mijn exemplaar uit 1993 hard aan toe. Rest alleen nog de vraag waarom er niet gelijk een e-bookversie kwam: waarom is het mooie, nieuwe jasje weer zo klassiek?

Over de auteur

Emmeline Besamusca is docent Landeskunde van de Lage Landen aan de afdeling Nederlandistik van de Universität Wien en de afdeling Nederlands van de Univer-siteit Utrecht, waar zij ook doceert in de MA-opleiding Interculturele Communi-catie. Samen met Jaap Verheul vormt zij de redactie van Discovering the Dutch. On culture and society of the Netherlands, dat in 2014 in een tweede, geheel herziene en uitgebreide editie is verschenen. emmeline.besamusca@univie.ac.at

Tanja Simons, Ongekend 18e-eeuws Nederlands. Taalvariatie in persoonlijke brieven. LOT Dissertation Series 343, Utrecht, 2013. ISBN 978 9460 931 253. € 38

Een rijke buit aan taalobservaties uit de achttiende eeuw

Evie Coussé

Dit boek is het proefschrift waarmee Tanja Simons in november 2013 promoveerde aan de Universiteit Leiden. Centraal in het werk staat de taal van persoonlijke brieven uit de late achttiende eeuw (de periode 1776-1784). Het gaat meer bepaald om brieven die in beslag genomen werden door de Engelsen bij de kaping van Nederlandse schepen in oorlogstijd (de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog en de Vierde Engelse Oorlog). De gekaapte brieven zijn onlangs digitaal ontsloten binnen het project 'Brieven als Buit' aan de Universiteit Leiden, waar ook de auteur bij betrokken was. De verzamelde collectie persoonlijke brieven is een fasci-nerende bron voor taalkundig onderzoek. Simons wijst er in de inleiding van haar boek op dat onze kennis van het Nederlands uit de achttiende eeuw vooral ge-baseerd is op gedrukt werk geschreven door de mannelijke cultuurelite. Daar zien we een voortschrijdende standaardisering van het Nederlands naar het voorbeeld van de grote schrijvers uit de zeventiende eeuw. De gekaapte brieven daarentegen zijn geschreven door mannen én vrouwen uit alle lagen van de bevolking. Simons beoogt aan de hand van dit unieke brievenmateriaal 'een completer beeld te geven van de alledaagse, gelaagde taalwerkelijkheid van de late achttiende eeuw' (p. 15). Het boek bestaat naast een korte inleiding uit twee grotere delen. Hoofdstuk

twee en drie bespreken het brievencorpus en de context waarin de gekaapte brieven geschreven zijn. De hoofdstukken vier tot en met negen zijn sociolinguïstische casestudies van taalfenomenen die aan variatie onderhevig waren in de achttiende eeuw. Simons behandelt achtereenvolgens variatie in aanspreekvormen, negatie, reflexiviteit, reciprociteit, sjwa-apocope, apocope van de slot-n, diminutieven en genitieven in het brievencorpus. Ik geef een kort overzicht van de interessantste bevindingen uit beide boekonderdelen, vergezeld van enkele kritische bedenkingen.

Hoofdstuk twee schetst uitvoerig de maatschappelijke context waarin de ge-kaapte brieven tot stand gekomen zijn. Simons bespreekt het schrijfonderwijs uit de late achttiende eeuw, de populariteit van speciale brievenboekjes in die periode, de heersende taalnormen, de alfabetiseringsgraad in de toenmalige maat-schappij, het gebruik van formulair taalgebruik in brieven en de organisatie van het postverkeer. Het hoofdstuk heeft het karakter van een literatuurstudie waarin alle relevante aspecten van het brievenschrijven in de late achttiende eeuw samengebracht zijn. Heel wat van die informatie was voor mij nieuw, hoewel ik de historische neerlandistiek tot mijn onderzoeksveld reken. Dat toont dat zowel het briefgenre als de taalpraktijk uit de achttiende eeuw grotendeels nog onontgon-nen terrein zijn binnen de neerlandistiek. Interessant is ook dat het hoofdstuk doorspekt is met talrijke citaten uit het brievencorpus waardoor je als lezer ver-trouwd raakt met het bronnenmateriaal van de studie.

Hoofdstuk drie geeft meer details over de precieze samenstelling van het corpus en de gehanteerde methodes voor de taalkundige casestudies. Het verzamelde brievencorpus laat toe om klassieke sociolinguïstische factoren als sekse, klasse en leeftijd systematisch voor alle casestudies te onderzoeken. Al bij al is dit een typisch methodologiehoofdstuk waarbij de auteur haar methodologische keuzes zorgvuldig en overtuigend weet toe te lichten. Ik heb alleen enkele serieuze bedenkingen bij de allerlaatste pagina van het hoofdstuk (p. 106) waar heel kort wordt opgemerkt dat de auteur afziet van statistische analyse van de data. Simons argumenteert dat het 'op dit moment onduidelijk is welke toets recht doet aan het gecompliceerde materiaal dat in dit proefschrift centraal staat' (p. 106). Ze verwijst hiervoor onder meer naar de studie van Tagliamonte & Baayen (2012) die toont dat de logistische regressieanalyse (een klassieke multivariate test binnen de sociolinguïstiek, ook gekend als Varbrul of GoldVarb) geen rekening houdt met individuele taalgebruikers, iets wat uiteraard bijzonder relevant is voor een socio-linguistische studie als die van Simons. Tagliamonte & Baayen wijzen echter niet statistische analyse van de hand maar stellen in plaats daarvan een ander multi-variaat model voor dat beter met juist die factor uit de voeten kan. Het simpelweg afwijzen van statistiek is niet zonder risico in een doorgedreven kwantitatief on-derzoek zoals dat van Simons. Ik zal kort tonen waar het mis kan gaan met data uit hoofdstuk vijf.

Hoofdstuk vijf bestudeert onder meer de invloed van de factoren sekse, klasse en leeftijd op het gebruik van reciproque pronomina in het brievencorpus. Simons claimt op basis van haar cijfers in tabel 5.3 dat reciproque vormen die beginnen op e- (elkander, elkaar) 'meer gebruikt [worden] door mannelijke dan door vrouwe-lijke scribenten: het aandeel is respectievelijk 19,7% en 9,3%' (p. 153). Vormen beginnend met m- (malkander, malkaar) worden dan weer vaker gebruikt door vrouwen: 'in percentages uitgedrukt is het aandeel daarvan 90,7% bij vrouwen tegenover 80,3% bij mannen' (p. 153). Simons stelt op basis van die verschillen 'een zekere mate van gendervariatie' vast. Die conclusie wordt echter niet ge-steund door statistische analyse. Een eenvoudige Fisher-exact-toets (gemakkelijk uit te voeren met behulp van een gratis online rekenblad) laat zien dat de ver-schillen in tabel 5.3 niet significant zijn (tweezijdige p = 0,20). Ook bij de volgende tabellen in de paragraaf (tabel 5.4, tabel 5.5 en tabel 5.6) leidt de Fisher-Freeman-Halton-toets (een uitbreiding van de Fisher-toets voor 2x3-tabellen, ook online beschikbaar) tot een niet-significant resultaat. Deze eenvoudige statistische analyses tonen dat het onverantwoord is om louter voort te gaan op percentages in kruistabellen. Dat is zeker het geval bij tabellen met weinig attestaties, zoals bij de reciproque vormen (in totaal 129 attestaties), waar het werken met percentages de verschillen tussen de cellen veel te sterk opblaast.

Hoewel de resultaten in dit boek niet altijd statistisch overeind blijven, zijn veel van de bevindingen uit hoofdstuk vier tot negen wel degelijk nieuw en interessant. Ik geef een korte indruk van de rijkdom aan gepresenteerde data en resultaten. Hoofdstuk vier legt sociale variatie bloot in de keuze van aanspreek-vormen in het brievencorpus. De vorm UE (afkorting van Uw Edele) wordt het meest gebruikt door de hogere klassen en ouderen, terwijl gij populair is bij lagere klassen en jongeren. Simons ziet in dit patroon een voorteken dat UE aan popula-riteit aan het verliezen is als aanspreekvorm in brieven. Hoofdstuk vijf toont variatie bij het gebruik van reciproque pronomina (daarnet al kort besproken). De nieuwe vorm elkander komt verrassend weinig voor in het brievencorpus in vergelijking met bekende auteurs uit de zeventiende eeuw zoals Vondel. De abso-luut dominante vorm in de brieven is het oudere malkander. Hoofdstuk zes behandelt het wegvallen van de sjwa in werkwoordsvormen van de eerste persoon indicatief. Die vorm van sjwa-apocope blijkt in een kwart van de gevallen te ont-breken, vooral bij brievenschrijvers uit het zuiden van Nederland (nog zuidelijker Nederlands uit het huidige België wordt in dit boek niet besproken) en uit de hogere klassen. Hoofdstuk zeven bespreekt een ander type van fonologische re-ductie, namelijk de apocope van de slot-n in meervoudige persoonsvormen en substantieven, in infinitieven en dergelijke meer. Simons vindt dat de n-apocope vooral voorkomt in de brieven van vrouwen en bij schrijvers uit de lage klassen. Zij brengt dit patroon in verband met de lagere graad van onderwijs en schrijfervaring

van deze groepen. Hoofdstuk acht onderzoekt variatie bij het diminutiefsuffix in het brievencorpus. Naast enkele gevallen van -ke(n) wordt vooral de suffix -je en -ie gebruikt. De -ie-suffix blijkt vooral typisch te zijn voor brievenschrijvers uit Amsterdam. Hoofdstuk negen ten slotte behandelt het gebruik van genitieven (de dag des heren) en alternatieve constructies zoals het s-suffix (vaders fiets), de zjn-constructie (vader zijn fiets) en de voorzetselconstructie met van (de fiets van vader). De genitief wordt in een kwart van de gevallen gebruikt, vooral in reli-gieuze contexten (de genade des heren), bij dateringen en ander formulair taalge-bruik.

Zoals mag blijken uit bovenstaande overzicht situeert dit werk zich duidelijk in de onderzoekstraditie van de sociolinguïstiek. Heel systematisch is de invloed van factoren als sekse, klasse, leeftijd op het voorkomen van taalkundige varianten onderzocht. Op die manier weet Simons sociale variatie in de taal van de late achttiende eeuw bloot te leggen die tot nog toe onder de radar was gebleven in de neerlandistiek. Uiteraard is dat op zich een prachtige prestatie! Alleen mis ik een meer doorgedreven sociolinguïstische duiding van al die variatie. Op het einde van het boek zit ik met een heleboel vragen: Hoe hangen al die sociale factoren samen? Stuwen bepaalde sociale groepen taalverandering in de late achttiende eeuw? Welke groepen zijn conservatief? Heeft elke taalverandering een eigen sociaal profiel? Misschien zijn dergelijke vragen té groot voor het bestek van een proefschrift. Bovendien heeft Simons in de eerste plaats het brievencorpus taal-kundig willen ontsluiten in al zijn variatie. Daar is zij ruimschoots in geslaagd. Het is nu aan anderen om met deze schat aan data de grotere theoretische vragen te lijf te gaan.

Tagliamonte, S. & H. Baayen, "Models, forests, and trees of York English: Was/were variation as a

case study for statistical practice'. Language Variation and Change, (24) 2012,135-178.

Over de auteur

Evie Coussé is Associate Professor aan de afdeling Nederlands van de Universiteit van Stockholm. Daarnaast heeft ze een onderzoeksproject lopen aan de Univer-siteit van Göteborg gesponsord door de Swedish Research Council. Haar onder-zoeksinteresse gaat uit naar patronen van taalvariatie en taalverandering in het Nederlands - in toenemende mate belicht vanuit een meer theoretisch perspec-tief. E-mail: evie.cousse@nederlandska.su.se

Gita Deneckere, Tom de Paepe, Bruno de Wever & Guy Vanthemsche, Een geschiedenis van België. Gent, Academia Press, 2014 (derde, herziene druk). ISBN 978 9038 222 912. € 25

Geschiedenis op zijn best

Leopold R.G. Decloedt

Mijn generatie associeert geschiedenis meteen met ellenlange lijsten data en feiten waartussen op het eerste gezicht nauwelijks of helemaal geen verband bestaat. Vanuit die optiek is het werk van Deneckere & co. een echte verademing. De auteurs - allemaal docenten van de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel - zijn erin geslaagd om het feitenmateriaal op zo'n manier te presenteren dat verbanden meteen duidelijk worden. Na de lectuur van het goed gestructu-reerde en rijkelijk geïllustreerde betoog heb je als lezer het gevoel het reilen en zeilen van de huidige Belgische samenleving wat beter te begrijpen, en dat is de hoge complexiteit van de Belgische maatschappij in aanmerking genomen een hele prestatie.

Het lidwoord 'een' in de titel van het boek is geen toeval. De auteurs signaleren hiermee dat ze geen in graniet gebeitelde waarheden maar een van de vele moge-lijke interpretaties van en zichtswijzen op de geschiedenis van België willen pre-senteren. Hun verhaal is meer dan het relaas van historische ontwikkelingen, het is ook een kritische uiteenzetting met de manier waarop geschiedenis al te vaak voor ideologische doeleinden misbruikt werd/wordt.

Het boek bestaat uit twaalf hoofdstukken die allemaal met een interessante bibliografie afgerond worden, die de lezer uitnodigen zijn kennis te verdiepen. De eerste hoofdstukken zijn gewijd aan de 'Oude Belgen', het België avant la lettre en aan het belang van de Franse revolutie en de ontwikkeling van het ancien régime naar moderne natiestaten voor het ontstaan van de Belgische staat. Heel wat aandacht wordt ook besteed aan de Eerste en Tweede Wereldoorlog en de ge-volgen van deze conflicten voor de Belgische samenleving. Het zesde hoofdstuk is geheel gewijd aan de kolonisatie en dekolonisatie van Congo. Het laatste hoofd-stuk, dat eindigt in 2010, het jaar waarin Herman van Rompuy de eerste Europese president werd, behandelt hete hangijzers zoals de Koningskwestie, de school-strijd, de depenalisering van abortus en de stakingen tegen de zogenaamde Een-heidswet. Bijzonder interessant is dat het verloop van de Belgische geschiedenis altijd weer in een bredere, internationale context wordt ingebed.

Wie zich met geschiedenis bezighoudt, doet dit steeds vanuit een bepaalde visie, een bepaalde invalshoek. De rode draad die door deze geschiedenis van België loopt zijn de politieke en sociaaleconomische breuklijnen die tot op van-daag een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van de Belgische samenleving.

Als eerste belangrijke breuklijn noemen de auteurs het conflict tussen vrijzinnigen en katholieken. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw kon dit conflict door belangrijke politieke beslissingen zoals het schoolpact in hoge mate geneutrali-seerd worden. De actuele discussie over de islam kan zonder meer in het kader van de nog altijd onderhuids smeulende tegenstelling tussen de voor- en tegen-standers van een gelaïciseerde staat gezien worden.

Het politieke landschap van het jonge België werd aanvankelijk beheerst door twee politieke bewegingen. Vanaf het einde van de negentiende eeuw kregen de liberalen en katholieken gezelschap van een derde politieke kracht: de socialisti-sche arbeidersbeweging. De sociale strijd flakkert ook nu nog regelmatig op ook al is de sociaaleconomische breuklijn tussen arbeid en kapitaal door het totstandko-men van een welvaartssamenleving en een overlegmodel tussen werkgevers en werknemers sterk gepacificeerd.

Naast de genoemde breuklijnen, die ook in andere Europese landen medebe-palend waren en zijn voor de ontwikkeling van de samenleving, is er nog een derde breuklijn die gerust typisch Belgisch mag worden genoemd en die in het buitenland vaak voor hilariteit en onbegrip zorgt: de voortdurende spanningen tussen Nederlands- en Franstaligen. In de loop der tijd ontwikkelden de taalgroe-pen zich tot belangengemeenschappen waardoor het taalprobleem een commu-nautair probleem werd. Talrijke staatshervormingen brachten weliswaar rust in de zaak en maakten van België een sterk gefederaliseerd land, maar toch blijft het communautair vraagstuk de politiek in België bezighouden. De auteurs zijn erin geslaagd dit emotioneel heel sterk beladen thema op een serene manier te behandelen, waarbij ook moeilijke onderwerpen zoals collaboratie en amnestie niet uitgespaard worden.

De focus op het conflict tussen Nederlandstalige en Franstalige Belgen doet trouwens bijna vergeten dat er in België ook nog 60.000 mensen leven die Duits als moedertaal hebben. Hoe zien zij het communautaire debat? Hoe belangrijk is voor hen de Duitse taal? Hoe staan zij ten opzichte van België? Wat meer aandacht voor de problemen en verzuchtingen van deze groep Belgen zou het boek goed doen.

De politieke, sociaaleconomische en communautaire breuklijnen bepalen wel-iswaar nog steeds tot op zekere hoogte de Belgische samenleving, maar ze vol-staan niet meer om de maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste decennia te verklaren. Door de toenemende mondialisering worden andere problemen ac-tueel. Steeds meer mensen vinden immateriële waarden belangrijker dan materi-ele waarden. Deze ecologische breuklijn uit zich onder meer in een "herverkave-ling' van het partijpolitieke landschap. Hetzelfde geldt voor de etnische breuklijn tussen autochtonen en allochtonen, die steeds belangrijker wordt naarmate het

aantal conflicten in de wereld stijgt en de mobiliteit van de mensen op deze aarde toeneemt.

In de jaren negentig van de vorige eeuw was ik aan de universiteit Wenen verantwoordelijk voor de lessen 'Landeskunde Belgien'. Jammer dat deze geschiedenis toen nog niet op de markt was. Het had mijn taak wat gemakkelijker gemaakt. De auteurs zijn erin geslaagd een didactisch waardevol en bijzonder over-zichtelijk werk voor te leggen dat ik zonder meer aan iedere docent Nederlands in binnen- en buitenland kan aanbevelen.

Over de auteur

Leopold Decloedt (1964, Oostende) is gepromoveerd in Gent. Hij was vele jaren docent aan de Universität Wien voor Nederlands en Duitse literatuur. In 2010 verscheen van zijn hand: Literatur auf Wanderschaft. Deutschsprachige Literatur aus Österreich in den Niederlanden und in Flandern 1945-1995 (Berlin: Weidler Verlag). leopold.decloedt@univie.ac.at

Martine Veldhuizen, De ongetemde tong. Opvattingen over zondige, onvertogen en misdadige woorden in het Middelnederlands (1300-1550). Hilversum, Verloren, 2014. ISBN 978 9087 044 107. € 23

Over kwaad spreken en kwaadspreken in de middel-eeuwse Nederlanden

Samuel Mareel

In een al uit de Griekse oudheid stammende fictieve biografie over het leven van Esopus wordt beschreven hoe de bekende fabeldichter op twee opeenvolgende dagen door zijn meester naar de markt wordt gestuurd. De eerste dag moet hij het beste voedsel halen dat er te krijgen is, de tweede dag het slechtste. In beide gevallen komt Esopus met precies hetzelfde naar huis, namelijk een zak vol var-kenstongen. De tong, zo luidt de moraal van de fabel, kan namelijk zowel het hoogste voortbrengen - ze vormt de basis van kunst en filosofie; hele maatschap-pijen zijn erop gebouwd - als het laagste - van bedrog tot de complete verwoes-ting van steden.

De in de middeleeuwen bijzonder populaire en vaak bewerkte fabel over Esopus en de varkenstongen wordt uitgebreid aangehaald in Martine Veldhuizens boek De ongetemde tong. Opvattingen over zondige, onvertogen en misdadige woor-

den in het Middelnederlands (1300-1550). Zoals de titel van de studie aangeeft, is de auteur hierin vooral geïnteresseerd in de negatieve effecten van het spreken. Er bestond tijdens de middeleeuwen namelijk een sterk besef van het schadelijke potentieel van het gesproken woord. Dit wordt mooi uitgedrukt in het een aantal keer door de auteur aangehaalde Middelnederlandse spreekwoord 'Tong breekt been, al heeft ze er geen', dat in die tijd trouwens ook in een groot aantal andere Europese talen voorkwam.

De ongetemde tong wil nagaan of er tijdens de middeleeuwen zoiets bestond als een overkoepelend discours rond schadelijk spreekgedrag, waarbij we 'discours' moeten begrijpen als een 'verzameling van gewoontes in gedachtegoed en taalgebruik die vertrouwd is bij een grote groep mensen' (p. 17). Daarvoor analyseerde Veldhuizen Middelnederlandse teksten afkomstig uit drie wat ze 'domeinen' noemt: het kerkelijke, het profaan-ethische en het juridische. In elk van deze domeinen neemt het schadelijk spreken een specifieke vorm aan: zondige woor-den in het kerkelijke, onvertogen woorden in het profaan-ethische en misdadige woorden in het juridische.

Het gebruikte corpus bestaat voor elk van de drie domeinen uit een ander type tekst, respectievelijk Middelnederlandse navolgingen van het moraaltheologische Summa vitiorum ('Handboek der zonden'; 1236) van Guillelmus Peraldus, waarin het schadelijke spreken in relatie tot de zeven hoofdzonden wordt beschouwd, collecties citaten van Bijbelse en antieke autoriteiten, vooral samengesteld in navolging van het werk van de dertiende-eeuwse Italiaanse jurist Albertanus van Brescia en een aantal documenten die verband houden met een rechtszaak die in 1480 plaatsvond in het Limburgse stadje Echt naar aanleiding van een publiekelijk uitgesproken belediging.

Het domeinoverstijgende perspectief is een van de twee aspecten waarmee de auteur zich met haar studie wil onderscheiden van bestaand onderzoek over schadelijk spreken tijdens de late middeleeuwen, zoals het mooie artikel van Jan Dumolyn en Jelle Haemers uit 2012 over opruiende taal en geruchten in het laat-middeleeuwse Vlaanderen, vooral in de context van opstanden. Het tweede dis-tinctieve kenmerk van dit boek ligt in het gebruik van modern taaltheoretisch onderzoek voor de analyse van taaluitingen uit het verleden. Veldhuizen doet hier onder andere een beroep op de speech act theory van John Searle en John Austin, de maximes van kwantiteit en kwaliteit van Paul Grice en het werk van Dell Hymes over de betekenis van variabelen als plaats en gender in spreekhan-delingen.

Zoals uit het voorgaande mag blijken is de opzet van Veldhuizens boek be-hoorlijk ambitieus. Ze gaat voor een periode van drie en een halve eeuw na hoe in verschillende types teksten werd aangekeken tegen en nagedacht over schadelijk spreekgedrag. Ze wil dit bovendien doen op zo'n manier dat de resultaten van haar

onderzoek ook in het licht van moderne taaltheorieën relevant zijn. Op dit laatste punt sluit haar onderzoek mooi aan bij het recente boek van Judith Keßler over het gebruik van argumentatiestrategieën in de refreinen van de zestiende-eeuwse Antwerpse dichteres Anna Bijns.

Veldhuizen maakt haar ambitie in grote mate waar. De ongetemde tong biedt een helder, interessant en vernieuwend inzicht in de betekenis van slecht spreken in Middelnederlandse kerkelijke, profaan-ethische en juridische teksten uit de periode 1300-1550. Tegelijk is het werk een overtuigend, meer algemeen pleidooi om bij de lectuur en analyse van historische teksten niet enkel te kijken naar wat er gezegd wordt maar ook naar de manier waarop en de omstandigheden waarin dat gebeurt, naar bijvoorbeeld het gender en de sociale status van de persoon die aan het woord is en naar attitudes ten opzichte van een bepaalde boodschap of een bepaalde manier van spreken. De hier geboden analyse is dan ook uitermate relevant voor verder onderzoek en smeekt als het ware om te worden toegepast op andere tekstsoorten uit de hier onderzochte periode, met name het toneel. Van de sotternieën bij de abele spelen tot de sociopolitieke spelen van Cornelis Everaert, wellicht nergens anders in onze literatuur wordt er zo veel gescholden, gevloekt, gedreigd en geroddeld.

De brede opzet van De ongetemde tong heeft echter ook zijn nadelen en bij momenten heb je als lezer de indruk dat de auteur haar hand wat heeft over-speeld. Veldhuizen wil in een studie van slechts 150 bladzijden zowel iets zeggen over de rol en de betekenis van slecht spreken in een aantal individuele teksten, in het geheel van de onderzochte periode als in het menselijke taalgebruik in het algemeen. Haar analyse blijft daardoor jammer genoeg soms wat onbestemd zwe-ven tussen deze drie polen, waardoor ze in geen van de drie een echt nieuw inzicht geeft. Door het brede perspectief komt de eigenheid van de individuele geanaly-seerde teksten niet altijd uit de verf, terwijl het corpus (zestien teksten voor het kerkelijke en het profaan-ethische domein en een reeks archivalia voor het juridische domein) voor het brede inzicht waar dit boek naar streeft uiteindelijk redelijk beperkt is. Het gebruik van moderne taaltheorie brengt vooral universele vormen van slecht spreken, zoals vleien en lasteren, aan de oppervlakte. Ik had graag iets meer gelezen over het eigene van slecht spreken in het Middelnederlands, en over het precieze verband daarvan met opvattingen over taal en spreken in bijvoorbeeld de bijbel en de antieke en middeleeuwse filosofie.

Veldhuizen had er naar mijn gevoel goed aan gedaan om zich meer op de analyse van concrete teksten te richten. De bespreking van misdadige woorden in hoofdstuk vijf is om die reden in mijn ogen niet toevallig de meest boeiende van het boek. De auteur vertrok hier namelijk van een enkele casus, een rechtszaak die door een pachter in 1480 tegen zijn pachtheer werd ingespannen omdat deze hem in aanwezigheid van de lokale schepenbank een 'meyneydich boeve' had ge-

noemd. In een haar eigen heldere stijl en structuur presenteert Veldhuizen de aard van deze bron en de achtergrond van de rechtszaak die er aan de basis van ligt, alvorens de ontwikkeling, de aard en de afloop en vooral de betekenis van het misdadig spreken nauwkeurig en met precieze citaten te gaan duiden. In dit hoofdstuk slaagt de auteur er voorbeeldig in om haar moderne taaltheoretische instrumentarium in te schakelen in functie van een beter begrip van een casus uit het verleden, zonder dat de historische bepaaldheid en eigenheid daardoor verloren gaat. Bijzonder boeiend vond ik bijvoorbeeld de bespreking in de context van de rechtszaak van l480 van het fenomeen van de 'plurade': '[E]en valse aan-klacht die niet in een vlaag van woede is geuit, maar als doelbewuste poging in de officiële setting van een rechtbank om het gezicht van de ander op juridische wijze te bedreigen' (p. l22) Of van het fenomeen amende honorable, waarbij de veroor-deelde publiekelijk zijn schuld diende te erkennen, en van de tongstraf, waarbij de tong bij zware verbale delicten doorboord wordt.

Hoewel de focus van dit boek bij momenten iets meer van de scherpte had mogen hebben van het lichaamsdeel dat erin centraal staat, is De ongetemde tong een helder opgebouwde, informatieve, enthousiasmerende en vooral originele studie. Het is te hopen dat de auteur nog even bij haar onderwerp blijft en haar blik met name op de literaire productie van de late middeleeuwen en de vroegmo-derne Nederlanden gaat richten.

Dumolyn, Jan & Jelle Haemers, '"A bad chicken was brooding": Subversive speech in late medieval Flanders'. Past and Present 2l4, l (20l2), 45-86. Keßler, Judith, Princesse der rederijkers. Het oeuvre van Anna Bijns: argumentatieanaLyse - struc-tuuranaLyse - beeLdvorming. Hilversum, 20l3.

Over de auteur

Samuel Mareel is als postdoctoraal onderzoeker van het FWO-Vlaanderen verbonden aan de vakgroep letterkunde van de Universiteit Gent. Zijn onderzoek heeft vooral betrekking op de stedelijke literaire cultuur in de vijftiende en de zestiende eeuw. Hij werkt aan projecten over de muur als tekstueel medium en over literatuur en meertaligheid in de Bourgondisch-Habsburgse Nederlanden. samuel.mareel@ugent.be

Sabine Maas, Twents op sterven na dood? Een sociolinguïstisch onderzoek naar dialectgebruik in Borne. Niederlande-Studien, Kleinere Schriften, Heft [18]. Münster, Waxmann, 2014. ISBN

978 3830 930 334. € 12,99

Twents springlevend

Ann Marynissen

'Twents op sterven na dood?' Achter deze uitdagende vraag gaat een empirisch onderzoek naar de verhouding tussen dialect- en standaardtaalgebruik in de gemeente Borne in de Nederlandse provincie Overijssel schuil. Deze publicatie, uit-gegeven in de reeks 'Kleinere Schriften' van de reeks Niederlande-Studien, is de neerslag van een masterscriptie die in 2013 aan de Universiteit van Münster tot stand gekomen is. Ze is als een klassieke sociodialectologische studie opgebouwd, met als hoofdstukken 'Stand van onderzoek', 'Onderzoeksopzet en -methode', 'Resultaten' en 'Conclusie'.

In hoofdstuk twee, Stand van onderzoek, wordt het theoretisch kader ge-schetst. Hierin passeren begrippen als diaglossie versus diglossie, dialectverlies versus dialectnivellering, klein- en grootschalige regiolectvorming, de revue. Hoe-wel Sabine Maas het Nederlandse taalgebied niet als een diglossisch, maar als een diaglossisch taallandschap beschouwt, waarbij de verschillende variëteiten op het continuüm van dialect naar standaardtaal in elkaar overvloeien (p. 13), stelt ze de verhouding tussen standaardtaal en dialect zelf nochtans dichotomisch voor (p. 15). Dit hoofdstuk bevat een aantal onjuistheden. De bewering dat de standaardtaal in de zeventiende eeuw in Nederland is ontstaan (p. 15), is te rudimentair. Dat in het Standaardnederlands spelling, grammatica én woordkeus geüniformeerd zijn (p. 16), klopt niet: enkel de spelling van het Nederlands is genormeerd. De individuele taalgebruikers wordt meermaals een te actieve rol toebedeeld. In be-weringen als 'Het Twents is bijvoorbeeld een dialect omdat dit door de machtheb-bende sprekers zo werd vastgelegd' (p. 10) en 'De maatschappij bepaalt welke taalvariëteit een hogere status heeft' (p. 16), wordt de keuze om een bepaalde taalvariëteit te gebruiken als een té bewust proces voorgesteld. Ten slotte is het Nedersaksisch niet de voorloper van het Nederduits, zoals op p. 19 gesteld wordt, maar is het Oudsaksisch de gemeenschappelijke voorloper van het Nedersaksisch én het Nederduits, zoals op p. 24 correct staat.

Na de historische uitweidingen wordt de positie die het Twents in het Neder-saksische dialectcontinuüm inneemt gespecificeerd. Dat de meeste Twentse dia-lectkenmerken die in de enquête zullen worden onderzocht tevens algemene kenmerken van het Nedersaksisch zijn, hoeft niet te verwonderen, aangezien als criteria voor de selectie van de Twentse kenmerken 'opvallendheid' (dit betekent:

grote afstand tot de standaardtaal) en 'frequentie' golden. Finaal worden er twaalf fonologische variabelen (onder meer umlaut, old in plaats van oud, ontbreken van diftongering van lange i: en oe:, het behoud van korte klinkers in open lettergreep, de vorming van het voltooid deelwoord met het prefix -e) en zes morfosyntac-tische variabelen (onder meer doe/ie als persoonlijk voornaamwoord van de tweede persoon, de eenheidspluralis op -t, het verkleinwoordsuffix -ke[n]) in de analyse betrokken (volledige lijst op p. 49). Uit onderzoek van Bloemhoff in 2005 is gebleken dat het Twents nog vrij veel gesproken werd en betrekkelijk weinig beïnvloed was door de standaardtaal, hetgeen alvast het beste laat verhopen voor de vitaliteit van het dialect van de Twentse gemeente Borne in 2013.

De dialect- of standaardtaalcompetentie van de Bornenaar wordt in vijf situ-aties onderzocht (hoofdstuk drie: Onderzoeksopzet en -methode). Negen informanten kregen de opdracht om zeventien standaardtalige zinnen zo spontaan mogelijk naar het Twents te vertalen (situatie 1, actieve dialectcompetentie). Bij de keuze van de zinnen, waarvan er elf uit de vragenlijst van de RND (Reeks Nederlandse Dialectatlassen) stammen, is erop gelet dat ze voldoende typisch Twentse kenmerken bevatten. In de tweede en de derde opdracht werd de beheer-sing van de standaardtaal getest. De proefpersonen moesten een vooraf naar het Twents vertaald hoofdstuk uit 'Jip en Janneke' in het Standaardnederlands omzet-ten (situatie 2), vervolgens moesten ze tien zinnen uit de RND zo Nederlands mogelijk voorlezen (situatie 3). In situatie 4 (een spontaan gesprek met de onder-zoekster) en situatie 5 (een spontaan gesprek met een vertrouwd persoon) werd het taalgebruik in natuurlijke dialoogsituaties onderzocht.

Bij de selectie van de informanten zijn enkele kanttekeningen te maken, ten eerste wat hun sociale status betreft, ten tweede wat hun onderlinge contacten betreft. Naar eigen zeggen was Maas niet op zoek naar 'de best mogelijke dialect-sprekers', maar wel naar 'representatieve inwoners van Borne' (p. 45). Dat laatste verklaart kennelijk het nagenoeg ontbreken van stratificatie naar sociale status (beroep): de hedendaagse, representatieve Bornenaar heeft volgens Maas een communicatiegeoriënteerd beroep. Zeven van haar negen informanten zijn be-dienden, enkel spreker 2, een voeger (geboren in 1942), en spreker 9, een hovenier (geboren in 1980), zijn arbeiders. De ondervertegenwoordiging van de arbeiders-klasse is te betreuren: mogelijke verschillen tussen sociale klassen in dialectkennis en dialectgebruik worden daardoor op voorhand uitgevlakt. De resultaten van spreker 2 wijken nochtans meer dan eens af van de resultaten van de andere proefpersonen (op p. 53, p. 55, p. 64): een bewijs dat er wel degelijk sociaal gebonden variatie is in het Borns. Vier van de negen informanten zijn bovendien familie van elkaar (moeder-kindrelatie), twee anderen zijn van jongsaf goed be-vriend. Het is goed denkbaar dat hun nauwe band hun taalgebruik in converge-rende richting beïnvloedt.

Het is een gemiste kans dat Maas de heterogeniteit van de proefpersonen heeft willen inperken, 'door zoveel mogelijk mensen te kiezen die elkaar goed kennen en veelal verschillende generaties van één familie vormen' (p. 45). Door deze keuze wordt immers tegelijk de mogelijke heterogeniteit in taalcompetentie en -gebruik beperkt. De facto resten daardoor enkel de factoren 'leeftijd' (vijf leeftijdsgroepen, apparent-time-hypothese) en 'communicatiesituatie' als variabelen in het onderzoek.

In hoofdstuk vier worden de resultaten van de enquêtes keurig besproken, met plausibele verklaringen voor de vastgestelde feiten. De bidimensionele methode om de fonologische en morfologische varianten ofwel als Standaardnederlands ofwel als Twents op te vatten, de twee uitersten van het continuüm, is voor een masterscriptie gerechtvaardigd. Deze aanpak heeft de onderzoekster bovendien niet belet om via een kwantitatieve analyse tussenvormen op het spoor te komen. Zoals verwacht hebben de oudere Bornenaren een hogere dialectcompetentie dan hun jongere streekgenoten, maar het verschil tussen de generaties is niet groot (oudste sprekers: circa 90% / jongste sprekers: circa 70%). Ook de jongste generatie beheerst het Twents nog zeer behoorlijk (situatie 1). Die goede dialectkennis staat de standaardtaalcompetentie echter niet in de weg: alle leeftijdsgroepen, de oudere zowel als de jongere, kunnen zonder problemen overschakelen op stan-daardtaal (situatie 2), inclusief een standaardtalige uitspraak (situatie 3) als de situatie het vereist. Het gesprek met de onderzoekster (situatie 4, formeel) ver-loopt bij alle informanten hoofdzakelijk in de standaardtaal. De oudste sprekers gebruiken iets vaker dialectvarianten dan de jongere, maar het verschil tussen de leeftijdsgroepen is andermaal klein. Alleen in een informeel gesprek met een ver-trouwd persoon (situatie 5) gebruikt de jongere generatie aanzienlijk minder dialect dan de oudere. De omslag ligt bij de veertigers: zij spreken in hun dagelijks leven bijna uitsluitend standaardtaal.

Het Twents is allerminst op sterven na dood, integendeel: het is nog behoorlijk levenskrachtig. Dat is de slotsom van dit al bij al verdienstelijke onderzoek naar het taalgebruik in Borne anno 2013. Het Bornse dialect wordt door zowel de oudere als de jongere informanten nog goed beheerst, al is het onderhevig aan kleinschalige regio-lectvorming, maar het wordt door de jongere generaties niet in alle situaties gebruikt (functieverlies). Afhankelijk van de gesprekscontext schakelen de Bornenaars schijnbaar moeiteloos over van dialect naar standaardtaal en omgekeerd (diglossie).

Over de auteur

Ann Marynissen is hoogleraar Nederlandse taalkunde aan het Institut für Nieder-landistik van de Universität zu Köln. Zij publiceert over diverse aspecten van de geschiedenis van de Nederlandse taal en over de geografie van de familienamen in het Nederlandse taalgebied. ann.marynissen@uni-koeln.de

Robert S. Kirsner, Qualitative-quantitative analyses of Dutch and Afrikaans grammar and lexicon, (Studies in Functional and Structural Linguistics 67). Amsterdam, John Benjamins, 2014. ISBN 987 9027 215 772. € 105

De verhouding van de theorie en de empirie in de taal-kunde

Alan K. Scott

De auteur van dit pas verschenen boek beschrijft zichzelf op pagina vijf als eeu-wige student van het Nederlands als vreemde taal, en het boek bevat inderdaad de oogst van een leven in het teken van de Nederlandse taal. Niet dat het boek zomaar een eenvoudige bloemlezing is, waarin oude teksten verzameld zijn. Eer-der worden in het boek Kirsners vroegere analyses van verschillende aspecten van het Nederlands - en in één geval: het Afrikaans - opnieuw onder de loep genomen om nieuwe inzichten te bieden. Een van de adagia in het begin van het boek luidt dat theorieën weliswaar leuk zijn, maar data beter (p. v). Data - en de noodzaak om de data zo effectief mogelijk te expliceren - staan dus centraal (p. 2). De theorie dient de data te kunnen verklaren. De onbetrouwbaarheid van de intuïtie van moedertaalsprekers dient gecompenseerd te worden door voorbeelden in hun oorspronkelijke zinsverband te bestuderen (p. 2). Met dit boek ondersteunt Kirs-ner net die linguïsten die zich meer richten naar de situatie in het alledaagse taalgebruik dan naar de eisen van het geprefereerde theoretische kader: aan de hand van meerdere keurig uitgevoerde casestudies laat hij zien hoe de empirie met de theorie te verenigen valt. Bovendien maakt Kirsner het belang duidelijk van een zorgvuldige omgang met zelfs de meest marginale - en daardoor vaak genegeerde - fenomenen van een taal.

Met de bovengenoemde tegenstrijdigheid van de moedertaalsprekersintuïtie als uitgangspunt (p. 2), worden er in Qualitative-quantitative analyses of Dutch and Afrikaans grammar and lexicon zes sterk op data berustende studies gepresen-teerd van Nederlandse (en Afrikaanse) grammaticale en lexicale fenomenen, inge-bed in een autobiografische inleiding en een opsommend en overzichtelijk na-woord. In elk hoofdstuk worden eerst Kirsners oorspronkelijke behandelingen van het respectieve fenomeen herbekeken, soms gevolgd door latere reacties daarop van andere onderzoekers. Daarna worden Kirsners actuele analyse en houding gepresenteerd. Elk fenomeen wordt onderzocht binnen het kader van de door Kirsner meest passend geachte theorie. Zodoende komt het wezen van elk fenomeen dat hier behandeld wordt heel goed aan het licht. De analyses worden door middel van nuttige voorbeelden toegelicht; statistische analyses en met behulp

van vragenlijsten verzamelde data worden ook gebruikt ter ondersteuning van de analyses.

Dit in het Engels geschreven boek dient niet noodzakelijk van begin tot einde te worden gelezen. Elk hoofdstuk staat apart, ook al dient men wél aan de Introduction (hoofdstuk één) wat aandacht te schenken - zeker als men het werk van Kirsner nog niet zo goed kent - om vertrouwd te raken met Kirsners aanpak en benadering van de onderzochte verschijnselen. Aan bod komen de volgende feno-menen van het Nederlands: de demonstratieve adjectieven (deze/dit versus die/ dit), het gebruik van imperatieve en pragmatische partikels (hoor, hè) en het gedrag van idiomatische uitdrukkingen (met een spotlight op ho maar). Hoofdstuk zes schenkt aandacht aan enkele andere voorbeelden, namelijk de zogenaamde 'progressieve' constructies aan het + infinitief + zijn en bezig zijn te + infinitief, en de 'indirecte objecten' (met of zonder prepositie) met aan. Ook wordt een hoofdstuk gewijd aan de Afrikaanse demonstratieve adjectieven (dié, hierdie, daardie). Het Afterword (hoofdstuk zeven) brengt alle draden van de voorafgaande casestu-dies bijeen. Desalniettemin was het effectiever geweest (zeker voor de lezer die zich op slechts een hoofdstuk concentreert) als de afzonderlijke opsommingen aan het einde van de respectieve hoofdstukken waren opgenomen, wat trouwens wél in het hoofdstuk over het Afrikaans het geval is (sectie 3.7).

In de eerste casestudy (hoofdstuk twee) komt een deixis-analyse van de Neder-landse demonstratieve adjectieven aan bod. Kirsner legt hier uit hoe zijn theoretische benadering wat betreft dit fenomeen in de loop der tijd veranderd is. Ter aanvulling op dit hoofdstuk behandelt hoofdstuk drie het parallelle fenomeen in het Afrikaans. Kirsners oorspronkelijke uitgangspunt was zijn ontevredenheid met de conventionele analyse van deze/dit en die/dat als signalen van de relatieve afstand van de spreker (p. 9). Vroeger prefereerde Kirsner een verklaring waarin deze/dit en die/dat verschillende graden van deixis te kennen geven (p. 9). Hij begint bij een analyse in het kader van de Columbia School, een aanpak waarin de taal niet als representatief maar als communicatief instrument bekeken wordt, en waarin linguïstische betekenis eerder aanwijzingsachtig (hint-like) of instru-menteel dan descriptief is (p. 43). Uiteindelijk komt Kirsner echter terecht bij een analyse in het kader van de Cognitieve Grammatica, waarbij de demonstratieve adjectieven 'kernbetekenissen qua ruimte en tijd' ('core spatio-temporal meanings') dragen: deze/dit betekent 'dichtbij' en die/dat betekent 'niet dichtbij'). Te-gelijk bevatten ze dezelfde betekenis als de Nederlandse definitieve artikelen, namelijk 'benodigde en gemaakte onderscheiding' ('differentiation required and made') (p. 26). Deze aanpak geeft inzichten die uitgebleven waren in een studie die alleen op intuïtie gefundeerd was.

In een van de andere casestudies (hoofdstuk vier) wordt een vragenlijst inge-schakeld om de natuur te verklaren van de combinatie van een imperatief met een

pragmatisch partikel (hoor of hè). Hierdoor komen de verschillende pragmatische effecten van formaties zoals De deur dichtdoen, hoor! tegenover De deur dichtdoen, hè? effectief aan het licht. De geïnterviewden werd verzocht zulke zinnen op een imperativiteitsschaal (zeer vriendelijk o zeer autoritair) en op een gewoonlijk-heidsschaal (ongewoon, merkwaardig, geen mogelijke contexten o gewoon, vele mogelijke contexten) te plaatsen. Er wordt een poging ondernomen om te voor-spellen op welke manier de partikels met de verschillende imperatieve structuren gebruikt worden.

Dit boek doet dus de vraag rijzen van de positie van de theorie in een linguïs-tische studie. Maakt men al van tevoren de keuze voor een theorie en blijft men er rotsvast aan gehecht, ook al bemoeilijkt zij de uitleg en de analyse van de te behandelen fenomenen? Of kiest men liever voor theorieën op basis van hun ver-mogen om de afzonderlijke fenomenen uit te leggen? Als de ene theorie dus het ene fenomeen optimaal laat uitleggen, kiest men voor deze. Als een tweede theorie een ander fenomeen echter beter laat beschrijven dan de eerste, neemt men de tweede, ook al gaat dit ten koste van een uniforme behandeling van de taal in zijn geheel? Kortom: mag men überhaupt theorieën mixen? Aangezien Kirsners afzonderlijke studies in het kader van verschillende theorieën uitgevoerd zijn (in plaats van ze allemaal binnen een enkele theorie te behandelen), zou een denkbare beschuldiging kunnen zijn, dat de auteur simpelweg zijn huik naar de wind laat hangen. Wat deze kwestie betreft, staat Kirsner echter met beide voeten op de grond: wie een bevredigende analyse van een bepaald taalfenomeen nastreeft, moet bereid zijn om buiten de grenzen van een geprefereerde theorie een oplos-sing te vinden. Bij een te sterke hechting aan de oorspronkelijk geprefereerde theorie loopt men het risico om ofwel een marginaal fenomeen alleen maar met behulp van ingewikkelde uitzonderingsregels te kunnen uitleggen, ofwel het feno-meen helemaal over het hoofd te zien (of, erger nog: het wél te zien maar het onder het tapijt te vegen) en onverklaard te laten.

Met zijn nieuwe boek heeft Kirsner dus het Nederlands (en het Afrikaans) een flinke dienst bewezen door duidelijke en gedetailleerde analyses te geven van deze elders nauwelijks of niet behandelde fenomenen. Voor alle linguïsten die belang stellen in het Nederlands, ongeacht hun theoretische voorkeur, heeft hij stof tot nadenken verschaft. Wat methodologische kwesties betreft laat hij overtuigend zien hoe waardevol het is om onbevooroordeeld aan een linguïstisch onderzoek te beginnen en zich door de data te laten leiden. Kortom: men dient de theoretische tering naar de empirische nering te zetten. Bovendien pleit hij er tegelijk overtui-gend voor om ook aandacht te schenken aan de marginale fenomenen van een taal, wat een behoorlijk unique selling point is van dit boek. Maar ook degenen voor wie de theorie toch zwaarder weegt dan de data kunnen bij dit boek baat vinden, ook al keuren ze de methodologische aanpak niet noodzakelijk altijd goed. En ten slotte:

hoe zit het met de lezers die net als de auteur van het boek (al dan niet eeuwige) studenten zijn van het Nederlands als tweede taal? Dankzij de duidelijke en dubbel en dwars toegelichte marginale - en daardoor voor niet-native speakers potentieel lastige - constructies heeft Kirsner ook hén een welkom handje geholpen.

Over de auteur

Alan K. Scott is docent aan de University of Nottingham. Hij onderzoekt voorna-melijk variatie in het (Nederlandse en Duitse) alledaagse taalgebruik, vooral in de sociale media. Zijn boek over de geschiedenis van de genitief in het Nederlands en het Duits verscheen in januari 2014 bij Brill. alan.scott@nottingham.ac.uk

In aflevering 3 van 2014 is een aantal fouten geslopen in onderstaande recensie. De redactie heeft dan ook tot een rectificatie besloten.

Scott, Alan K., The genitive case in Dutch and German. A study of morphosyntactic change in codified languages. Leiden / Boston, Brill, 2014. ISBN 978 9004181 441 (hardback) / 978 9004 183 285 (e-book). €114

Van nae des Conings doot tot het milieu der musical-fanaten. De ontwikkeling van de genitief in het Nederlands en in het Duits

Barbara Schlücker

Er wordt over het algemeen aangenomen dat de genitief - met uitzondering van een reeks vaste uitdrukkingen - in het hedendaags Nederlands niet meer bestaat. Het feit dat Alan K. Scott recentelijk een boek over de ontwikkeling van de genitief vanaf de vroegmoderne tijd tot in de hedendaagse taal heeft gepubliceerd mag daarom verbazing wekken. Nochtans, zoals de auteur al in eerder gepubliceerde artikelen heeft laten zien (Scott 2011, 2012), bestaan er in het moderne Nederlands wel enkele productieve genitiefpatronen, ook al zijn deze zowel formeel als ook semantisch nogal beperkt.

Het centrale onderwerp van het boek is de beschrijving van de genitief in het Nederlands en het Duits vanaf de zestiende eeuw tot in de hedendaagse taal van-uit een usage-based perspectief. Hierbij worden de verschillende genitiefconstruc-ties, dat wil zeggen de adnominale genitief (het milieu der musical-fanaten, das Buch meines Vaters), de adverbale genitief (hongers sterven, der Opfer gedenken), de prepositionele genitief (op grond der berigten van M. Christ, entlang der Grenze)

en de adjectivische genitief (der Latynsche taale onkundig, eines Verbrechens fähig), apart behandeld. Daarnaast worden ook andere constructies onderzocht die zich volgens Scott uit de genitief hebben ontwikkeld maar nu als onafhanke-lijke constructies moeten worden beschouwd, zoals de prenominale possessieve -s (cf. moeders fets). Uitgaande van het feit dat de historische ontwikkeling van de genitief vooral een proces van deflexie is, dat wil zeggen het verdwijnen van deze naamval, wordt de genitief altijd in de context van concurrerende constructies behandeld die de plaats respectievelijk de functie van de genitief overnemen, zoals onder meer de van-frase (vergelijk de brieven mijner vrienden versus de brieven van mijn vrienden).

Het boek bevat acht hoofdstukken. Na de feitelijke inleiding (hoofdstuk een) worden in drie inleidende hoofdstukken achtereenvolgens de principes van mor-fosyntactische veranderingen uitgelegd (hoofdstuk twee), een algemene, typologi-sche schets van de genitief getekend (hoofdstuk drie) en een overzicht en toelich-ting van de gebruikte databases en de methodologie gegeven (hoofdstuk vier). Het hoofdgedeelte van het boek wordt gevormd door de twee hoofdstukken over de ontwikkeling van de genitief in het Nederlands (hoofdstuk vijf) en in het Duits (hoofdstuk zes) die samen ongeveer twee derde van het geheel beslaan. Het boek wordt afgerond met een hoofdstuk over de relatie tussen morfosyntactische ver-anderingen en codificatie, dat wil zeggen de standaardisering van de structurele eigenschappen van een taal onder andere door normatieve werken zoals woorden-boeken en grammatica's (hoofdstuk zeven). Daarbij sluit de samenvatting annex het besluit aan (hoofdstuk acht). In alle hoofdstukken alsook in de appendix zijn talrijke tabellen en afbeeldingen te vinden.

De centrale stelling van het boek is dat morfosyntactische veranderingen, in dit geval het verdwijnen van een naamval, in directe samenhang kunnen staan met de normering en de codificatie van een taal. In de Germaanse talen Engels, Zweeds, Duits en Nederlands hebben in principe dezelfde morfosyntactische veranderin-gen plaatsgevonden, die telkens geleid hebben tot de afbouw van de genitief. Een belangrijk verschil tussen het Engels en het Zweeds aan de ene kant en het Duits en het Nederlands aan de andere bestaat echter daarin, aldus Scott, dat deze veranderingen in het Engels en in het Zweeds eerder hebben plaatsgevonden dan in de twee andere talen. Tegen de tijd dat normering en codificatie in het Engels en het Zweeds inzette was de genitief in deze talen al lang volledig verdwenen. In het Duits en in het Nederlands daarentegen was het deflexieproces op dat moment nog gaande. De normering en codificatie vanaf de zestiende eeuw leidde daarom tot een stabilisatie en - in het geval van het Nederlands - zelfs tot een herleving en een tussentijdse toename van het gebruik van de genitief. In het Nederlands is de afbouw van de genitief uiteindelijk pas in de twintigste eeuw voltooid, wat weer te maken had met normatieve veranderingen.

Omdat normering en codificatie een centrale rol in het betoog spelen, zijn register en medium (gesproken/geschreven taal) een belangrijke factor van het onderzoek. Scott laat dan ook voor beide talen doorgaans zien hoe de verschillende subcon-structies (de adnominale genitief, de adverbale genitief et cetera) zich in de formele en informele (en voor zover beschikbaar ook in de gesproken) taal ontwik-kelen. Verrassend genoeg is het verschil tussen het formele en informele domein in veel gevallen minder duidelijk dan verwacht. Om hiervoor twee voorbeelden te geven: in de negentiende eeuw ligt in het Nederlands de verhouding tussen het gebruik van de adnominale genitief in relatie tot de van-frase in de informele taal (egodocumenten, dat wil zeggen dagboeken en brieven) bij 32 tegenover 68 procent. In de formele taal is de verhouding in dezelfde periode 40 tegenover 60 procent. Zoals te verwachten wordt de genitief dus in de informele taal minder vaak gebruikt dan in de formele taal, maar het verschil is niet erg groot. Een tweede voorbeeld betreft het hedendaags Duits: in alle constellaties (geschreven formele taal, gesproken formele taal, geschreven informele taal, gesproken informele taal) is de adnominale genitief frequenter dan de constructie met von. Sterker nog: bij drie van deze vier groepen is de verhouding met een aandeel van ongeveer negentig procent genitiefconstructies en tien procent von-frases bijna identiek, alleen in gesproken informele taal zijn er meer von-frases te vinden (genitief: 76 procent, von-frase: 23 procent).

In de hedendaagse taal is er dus een duidelijk verschil tussen het Duits en het Nederlands. In het Nederlands is het productieve gebruik van alle genitiefcon-structies (adnominaal, adverbaal et cetera) volledig verdwenen en er zijn alleen nog maar vaste uitdrukkingen als relicten van deze naamval. Wél bestaat er een productief patroon dat gebaseerd is op de kenmerken van de adnominale genitief maar dat uiteindelijk qua vorm en semantiek veel beperkter is dan de echte naamval. Dit patroon zou dan ten grondslag liggen aan authentieke hedendaagse voorbeelden zoals de kroonprins der keepers of het probleem der overbevolking. Afhan-kelijk van de tekstsoort ligt het aandeel van dergelijke vormen in verhouding tot de van-frase tussen 0,8 en 9,8 procent. In het Duits bestaat de adverbale, de prepositionele en de adjectivische genitief wel, maar is erg beperkt. De adnominale genitief daarentegen is - als echte naamval - springlevend. Zelfs in de ge-sproken informele taal wordt er in drie vierde van de gevallen waar in principe zowel de genitief als ook de von-frase mogelijk is de genitief gekozen. Het onder-zoek laat dus zien dat er geen feitelijke basis is voor de pessimistische voorspellin-gen over de ondergang van de genitief in het Duits die tegenwoordig zowel in de pers maar gedeeltelijk ook in de vakliteratuur te vinden zijn (en Alan Scott laat ook zien dat er al in de negentiende eeuw dergelijke klachten waren).

Uit de bovengenoemde voorbeelden blijkt tevens dat Scotts onderzoek op groot-schalige en systematische manier datagebaseerd is. Het verschilt in dit opzicht ook

van eerdere studies over hetzelfde onderwerp. Voor elke periode in beide talen is er gebruik gemaakt van reeds bestaande of zelf opgestelde corpora die variëren qua register en tekstsoort. Voor de hedendaagse taal houdt dat ook corpora met ge-sproken taal in. De keuze van deze bronnen en de oplossing voor mogelijke methodologische problemen worden in hoofdstuk vier uitvoerig verantwoord.

Naast de boven geschetste ontwikkelingen wordt er ook een reeks gerelateerde fenomenen en deelconstructies behandeld, bijvoorbeeld van het type ( . .. is) typisch des vrouws. Verder wordt er veel aandacht besteed aan de veranderingen in het Duits op het gebied van het weglaten van de -s bij ontleende woorden en eigennamen (die Entstehung des Internet versus die Entstehung des Internets) en aan het ontstaan van de prenominale possessieve -s in het Duits en in het Neder-lands (Anna's fiets, Vaters Hose, de auteurs grootvader).

Scotts studie blinkt uit door haar zorgvuldige en gedetailleerde onderzoek en door haar contrastieve aanpak. Het boek is voorzien van talloze voorbeelden. De empirische gegevens worden doorgaans door afbeeldingen en tabellen verduide-lijkt. Daardoor, en door de duidelijke manier van schrijven, is het boek goed lees-baar. Behalve incidentele fouten en het feit dat enkele stellingen en resultaten naar mijn smaak iets te vaak worden herhaald en/of samengevat is er weinig kritiek te geven. Iets minder overtuigend dan de rest vond ik alleen het hoofdstuk over het verband tussen codificatie en morfosyntactische veranderingen (hoofdstuk zeven) omdat er door de herhaling van de resultaten van de voorafgaande hoofdstukken een zekere redundantie ontstaat en de uiteindelijke analyse van het verband in verhouding nogal beknopt lijkt. Ook de verklaring waarom de herleving of stabilisatie van de genitief in feite al iets voor het begin van de normering en codificatie begonnen is (p. 320, p. 329) blijft een beetje vaag. Dat doet echter geen afbreuk aan de informativiteit van het hele boek en het leesplezier (ondanks een omvang van bijna vierhonderd bladzijden). Vooral door haar brede empirische basis levert deze studie een fundamentele bijdrage aan de beschrijving van de ontwikkeling van de genitief en gerelateerde fenomenen in het Nederlands en het Duits.

Scott, Alan K., 'The position of the genitive in present-day Dutch'. Word Structure 4, (1) 2011.104-135. Scott, Alan K., 2012. 'A constructionist account of the Modern Dutch adnominal genitive'. Ferenc Kiefer, Maria Ladanyi & Péter Siptar (red.), Current issues in linguistic theory: (Ir)regularity, analogy and frequency. Amsterdam, 2012.

Over de auteur

Barbara Schlücker habiliteerde in 2012 in de Duitse en de Nederlandse taalkunde. Tegenwoordig is zij als onderzoeker verbonden aan de Freie Universität Berlin met

een taalvergelijkend project over nominale constructies met eigennamen in het Duits, Nederlands en Engels. barbara.schluecker@fu-berlin.de

Frans Hinskens & Johan Taeldeman (red.), Language and space. An international handbook of linguistic variation. Volume 3: Dutch. Berlin/Boston, De Gruyter Mouton, 2013. ISBN 978 3110 180 053. € 389.

Een gewichtig boek: Language and space

Jan Stroop

Als er iets is waaruit blijkt dat het onderzoek van taalvariatie tegenwoordig nieuwe richtingen inslaat, dan is dat het lijstje kaarten in het derde deel van de serie Language and space; an international handbook of linguistic variation: Dutch, ge-redigeerd door Frans Hinskens en Johan Taeldeman.

In het boek staan veertig kaarten. Drie ervan gaan over woordgeografisch on-derzoek, maar alleen het kaartje met de benamingen voor 'prikkeldraad' beslaat een stukje Nederlands taalgebied, te weten West- en Oost-Vlaanderen. Tekenend is ook dat van de 937 bladzijden van Volume 3: Dutch er veertien bladzijden gaan over 'word geography'. Geen woord over een begrip als 'lexical gap'. En dan te bedenken dat ik in 1966 bij het Dialectenbureau aangesteld werd speciaal om de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland te redigeren. Die Taalatlas was voorname-lijk woordgeografisch van inhoud; het samenstellen van die atlas was toen een van de hoofdtaken van het Dialectenbureau.

Mij viel ook op hoeveel aandacht er door verschillende auteurs besteed wordt aan het Poldernederlands, dat toch geen geografische dimensie heeft, terwijl dialectgeografische artikelen (met kaartjes!) die gaan over nasalering, diftonge-ring, t-deletie en reductie, deletie en insertie van de sjwa in de literatuuropgaven ontbreken.

Voor de aankondiging van dit omvangrijke boek heb ik maar beperkte ruimte gekregen, ongeveer één woord per bladzijde. Dan kan ik maar het beste beginnen met een beschrijving. De opzet van dit boek is die van de serie Language and space, die opgezet is door Jürgen Erich Schmidt, hoogleraar te Marburg. Het boek heeft vier delen:

a. History ofthe field; over de geschiedenis van het dialectonderzoek.

b. The major dialect regions of Dutch: linguistic structure, spectrum of variation and dynamics; geeft een beschrijving van de kenmerken van de dialectgroepen.

c. Supra-regional and regionally-unbound aspects; over verschijnselen die in meer

dan een regio voorkomen, bijvoorbeeld de verschillende vormen van het wederkerend voornaamwoord (zich, z'n eigen, enzovoort). d. Dynamics of contact varieties of Dutch; gaat onder andere over het al dan niet

divergeren van het Nederlands in Nederland en dat in Vlaanderen. Behalve veertig kaartjes zijn er nog 83 tabellen en twintig plaatjes. Aan het boek hebben een kleine vijftig auteurs meegewerkt. Wie wel eens een boek geredigeerd heeft, kan vermoeden wat voor gigantische klus dat in dit geval geweest moet zijn. Hulde dus.

Er staat enorm veel in dit boek en over van alles, maar vinden wat je zoekt is niet eenvoudig. Wie wil weten welke fonologische ontwikkelingen voorkomen in de Brabantse dialecten vindt die wel, namelijk in de betreffende paragrafen van deel II. Zo gaat paragraaf vijftien over de fonologische eigenschappen van de zuid-westelijke dialecten. Bijvoorbeeld dat de h in al die dialecten aan het begin van een woord niet (meer) bestaat: kem onger ('ik heb honger'). Maar waar zoiets voorkomt, wordt alleen in algemene termen en globaal aangegeven (the vast majority, in various dialects). En of ze ook buiten dat gebied voorkomen, blijft in de regel duister. Kleine aanvulling: de overgang /sk/ > /sx/ (skaap > schaap) is ook achterwege gebleven in het oostelijk deel van Noord-Brabant.

De opzet van het boek heeft tot gevolg dat je bijvoorbeeld over de karakteris-tieke geografische spreiding van de meest ingrijpende fonologische verandering die zich in het Nederlandse taalgebied voorgedaan heeft, de diftongering van lange ii en uu, weinig te weten komt. Sterker nog, wie iets over die diftongering wil lezen, moet zijn informatie via het register van 62 incidentele vermeldingen bij elkaar sprokkelen. Dat zelfs van dit verschijnsel geen kaartje opgenomen is, illustreert hoe stiefmoederlijk de geografische component in dit boek behandeld is.

De kans dat iemand iets over de diminuering in het Nederlandse taalgebied wil weten, is groter dan dat-ie nieuwsgierig is naar de verschillende ontwikkelingen van twee Oudsaksische o-types. Ook bij de diminuering geldt: circa zestig vermeldingen in het register, maar nergens een samenvattend overzicht, terwijl diminu-ering toch bij uitstek een supra-regionaal verschijnsel is.

Een verschijnsel dat vele fonologische consequenties gehad heeft, is de apocope van de sjwa (kerke > kerk; ik bakke > ik bak). Het verdwijnen van final -n is bijvoorbeeld vaak geografisch gekoppeld aan het verdwijnen van final -e. Een gebied waar de slot-n niet verdwijnt: lopen, boeken, behoudt ook slot-sjwa. Super-supra-regionaal dus. Maar naar een behandeling van de sjwa-apocope heb ik ver-geefs gezocht.

Een greep uit wat er dan wel in staat:

- Paragraaf 7. Een indeling van de dialecten (overigens alleen in woorden!).

- Paragraaf 30. Over de perceptie van geografisch (!) bepaalde taalvarianten.

- Paragraaf 31. Over attitudeonderzoek.

- Paragraaf 33. Een uiteenzetting over de methode om dialectverschillen vast te stellen op basis van de frequentie van kenmerk: dialectometry.

- Paragraaf 36. Over verschillen tussen Nederlandse en Vlaamse gebarentaal. Brede belangstelling verdient paragraaf vijf, die een beknopte en heldere be-schrijving geeft van de verschillende periodes in de geschiedenis van het Ne-derlands, met warempel, aandacht voor de geografische dimensie.

Docenten Nederlands extra muros zal deel IV het meest interesseren. Dat gaat over verschillende vormen van Nederlands die een gevolg zijn van taalcontact, binnen het Nederlandse taalgebied of daarbuiten. Zo is daar een hoofdstuk over Belgisch Nederlands, waarmee overigens niet het Verkavelingsvlaams bedoeld wordt. Dat laatste heet in het boek Colloquial Belgian Dutch en dat wordt besproken in deel III. Het bestaan van Belgisch Nederlands naast Nederlands Nederlands doet bij mij de vraag rijzen: welke van de twee moeten we extra muros onderwijzen.

Er is een hoofdstuk over de complexe taalsituatie in Friesland en over de etnolecten van het Nederlands, zoals daar zijn het Jiddisch, Maleis, Sranan, Papia-ments, Marokkaans en Turks Nederlands. Een volgend hoofdstuk gaat over het Nederlands als minderheidstaal in Duitsland en Noord-Frankrijk. Dan nog het koloniale Nederlands dat in Indonesië ontstaan is, het Nederlands in de Verenigde Staten, Suriname en Australië. Het tekstgedeelte eindigt met een paragraaf over de creooltalen in het Caraïbische gebied (Skepi Dutch en Berbice Dutch) en een over het Afrikaans.

Literatuur wordt gegeven na elke paragraaf.Er is een index op begrippen, talen en dialecten, en een op geografische namen, waarin ik node mis die van mijn geboorteplaats, Heerle (Noord-Brabant), toch befaamd om zijn unieke stijgende diftongen.

Er schijnen mensen te zijn die dit omvangrijke, complexe, veelzijdige, eenzij-dige, regionale, supra-regionale boek al helemaal gelezen hebben. Dat is nog een grotere prestatie dan die van de uitgevers, die de lectuur waarschijnlijk onderling verdeeld hebben. Chapeau dus voor die lezers.

Over de auteur

Jan Stroop was universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam; tegenwoordig is hij daar gastonderzoeker. Daarvoor was hij medewerker bij het Meertens Instituut. Zijn interesses liggen op het gebied van de dialectologie en het gesproken Nederlands. Vandaar respectievelijk zijn medewerking aan de Atlas van de Nederlandse dialecten (2011) en de recente publicatie van zijn boek Die taal, die weet wat (2014), de opvolger van Hun hebben de taal verkwanseld (2010) en van Poldernederlands; waardoor het ABNverdwijnt (1998). j.stroop@uva.nl

Mathijs Sanders & Tom Sintobin (red.), Lezen in verwondering. Veertien leeswijzers bij een roman van Hugo Claus. Nijmegen, Vantilt, 2014. ISBN 978 9460 041 785. € 19,95

Veertien lezers en een snurkende recensent

Georges Wildemeersch

Lezen in verwondering is een op applaus te onthalen boek. Het werk beantwoordt perfect aan de wensen en de noden van de beoogde doelgroep, die in hoofdzaak bestaat uit docenten en studenten. Naast een algemene inleiding, waarin de diverse contexten van Hugo Claus' roman De verwondering (1962) besproken worden, bevat het boek veertien analyses. Die analyses belichten de roman vanuit verschillende invalshoeken: poëtica, auteursintentie, receptie, verteltheorie, inter-tekstualiteit, ideologie, psychoanalyse, enzovoort. Ze werden geschreven door tien Vlaamse en vier Nederlandse academici, allen autoriteiten op de besproken domeinen en/of op het gebied van de Clausstudie: Lars Bernaerts, Gwennie Debergh, Gillis Dorleijn, Dirk de Geest, Ralf Grüttemeier, Jos Joosten, Lut Missinne, Mathijs Sanders, Tom Sintobin, Carl de Strycker, Jos van Thienen, Stéphanie Vanasten, Pieter Verstraeten, Sven Vitse.

De analyses hebben alle dezelfde bouw: op een korte inleiding volgt een theoretische uiteenzetting over de benaderingswijze, gevolgd door een concrete toe-passing op De verwondering, afgesloten door een paragraaf met suggesties voor wie zich verder wil verdiepen in een bepaalde benadering. Lezen in verwondering zit te paard op theorie én praktijk, op leeswijze én leesoefening. De bundel wil de lezer tegelijk invoeren in een reeks literair-theoretische concepten en in de roman De verwondering.

Wat daarbij opvalt, is de grote toegankelijkheid van de bijdragen, niettegen-staande de vaak complexe materie. Slechts heel zelden worden wazige begrippen of warrige formuleringen gehanteerd, zoals in een passage over 'deontische punten' of over 'de leegte' waaromheen het literaire werk is 'georganiseerd' (p. 177, p. 179). Hier hadden de samenstellers, Mathijs Sanders en Tom Sintobin, voor mijn part krachtdadiger mogen ingrijpen. Dat geldt overigens ook voor de taal- en drukfouten, die sterk detoneren in deze vaak zeer goed geschreven stukken: 'ac-tivitisten' (p. 19), 'opwakkeren' (p. 22), 'aandacht besteden op' (p. 89), 'minder radicaler' (p. 143), 'regels inhuldigen' (p. 220), 'de overgang die wordt klaarge-speeld' (p. 226) ...

De meeste bijdragen zijn boeiende, tot verder onderzoek uitnodigende benaderingen. In meer dan één stuk wordt stilgestaan bij de titel van de roman; daarbij gaat het dan meestal over de ruime, filosofische betekenis ervan (kennisverwer-ving) en/of over de individuele, psychologische betekenis (vervreemding). Nog

vaker wordt aandacht besteed aan het feit dat de hoofdpersoon, Victor-Denijs de Rijckel, zijn greep op de werkelijkheid verliest. Het vergaat de lezer van deze complexe roman precies zo, en ook die gedachte duikt in meer dan één bijdrage op: evenmin als de schrijvende hoofdpersoon krijgt de lezer grip op de woorden en de dingen. Het zou boeiend zijn de problematiek van het hermetisme, waarmee dit boek de lezer constant confronteert, eens grondig uit te diepen. Uitgangspunt zou de paradox kunnen zijn dat aan dit bijzonder ingewikkelde en veelduidige werk - net als aan Claus' tweede roman De hondsdagen (1952) - een eenvoudige verhaalvorm ten grondslag ligt, namelijk de reis, de zoektocht, de queeste.

Uit de grote hoeveelheid boeiende aperçu's en overwegingen die dit boek biedt, haal ik er vrij willekeurig enkele aan. Gillis Dorleijn hanteert het begrip 'kritische autonomie' om de poëticale positie van Claus te karakteriseren, waarbij de autonomie van het kunstwerk de voorwaarde is voor een vorm van (negatief) engagement. Ralf Grüttemeier staat stil bij de maatschappijkritische dimensie van de roman, die volgens hem in het recente onderzoek te weinig aandacht gekregen heeft, en concludeert op grond van de interviews dat de auteur de interpretatie van zijn werk meer en meer uitbesteedt aan zijn lezers en zijn critici. In zijn reconstructie van de receptie van De verwondering schrijft Jos Joosten instructief over de positie van Hubert Lampo en Jan Walravens in het Vlaamse literaire veld van de vroege jaren 1960. De structuralistische analyse van de verhaalwereld door Dirk de Geest en Tom Sintobin maakt op elke bladzijde duidelijk hoezeer deze roman een mythische aangelegenheid is die 'het avontuur van de held' tot onder-werp heeft.

De theoretische onderdelen paren bondigheid aan grondigheid en betrekken ook de laatste stand van zaken in het betoog. De zogenaamde toepassingen zijn doorgaans beknopt, ze beogen geen volledigheid en vormen veeleer een soort steekproeven. Diverse medewerkers signaleren dan ook het summiere, kleinscha-lige en beperkte karakter van wat ergens terecht omschreven wordt als een 'lec-tuuroefening'.

De samenstellers stippen zelf ook aan dat Lezen in verwondering onvolledig is en dat er bijvoorbeeld geen aandacht werd besteed aan de genese. Men kan dit betreuren, omdat de roman in kwestie al meer dan een halve eeuw oud is en nog steeds niet de aandacht heeft gekregen, die hij zo ruimschoots verdient. Tot op zekere hoogte kan men dit de samenstellers niet euvel duiden, ten slotte kan men geen ijzer met handen breken. Zo zou het ongetwijfeld razend interessant geweest zijn de manuscripten van deze roman in te zien, maar zolang die niet ter beschik-king worden gesteld van het onderzoek, zal de genetische bijdrage van de Clausstudie een kreupele aangelegenheid blijven. Zeker één van die manuscripten zou de gedreven Clauslezers in verrukking kunnen brengen; het betreft het manuscript

op groot papierformaat en met klein werkhandschrift, waarin Victor-Denijs de Rijckel nog de - zeer betekenisvolle - naam Victor Mariën draagt.

Mathijs Sanders vermeldt ook een plotschema dat hoort bij een linnen schrift Het oponthoud en dat is opgenomen in de verzameling archiefteksten De wolken (2011). Het is jammer dat die piste - het schema is uitvoerig en gedetailleerd - niet werd geëxploreerd. Dat had vast enkele boeiende aspecten van het oorspronke-lijke concept kunnen onthullen en wellicht had het de lezer ook op weg kunnen helpen naar een beter begrip van de definitieve versie. Ik maak me sterk dat dan ook de autobiografische inspiratie van de roman duidelijker was geworden.

Men weet dat Claus een gedreven en bedreven leugenaar was. Over de problemen die kunnen opduiken bij het gebruik van uitspraken van hem uit interviews wordt ook in deze publicatie meer dan eens geschreven. Omtrent de naam Victor-Denijs de Rijckel bijvoorbeeld heeft hij herhaaldelijk de meest fantasierijke dingen verteld. Zoals bekend is de naam afkomstig van een kartuizermonnik uit de vijf-tiende eeuw. Jean Weisgerber heeft daar in 1967 in zijn geruchtmakende analyse in Literair lustrum 1961-1966 op gewezen. Minder of niet geweten - het gegeven wordt in dit boek ook niet vermeld - is dat Claus zelf de identiteit van deze man heeft onthuld. In het BRT-radioprogramma 'Schrijvers spreken' onder leiding van Roland van Opbroecke verklaarde hij op 3 december 1966 (ik neem de schrijfwijze over van de BRT-brochure, die ook te vinden is op de site van het Clauscentrum):

[... ] die M. [d]e Rijkel, dat is gebaseerd op iemand die vroeger in de Middel-eeuwen zeer bekend was en die man heette De Nijs [d]e Karthuyzer en die woonde in Rijkel, en enkele keren noemde men hem De Nijs van Rijkel. En ik heb er dan Victor bijgedaan, om te zeggen dat hij de overwinnaar was van die De Nijs [d]e Rijkel. En door het boek heen zijn er een aantal verwijzingen naar de oude Kartuizer, die natuurlijk niemand volgen kan en volgen moet, het heeft niet het minste belang, maar dat helpt mij als leiddraad voor mijn boek. Dus ik heb daarmee toch heel duidelijk aangegeven dat de naam voor iets anders er staat bijna. Als ik hem Pieters had geheten, of Janssen, dan had ik niet die verwijzingen nodig gehad, en overigens dat is niet mijn opzet geweest.1

Dat interview bevat overigens nog een interessante passage. De interviewer wijst erop dat ook in het toneelstuk Het lied van de moordenaar (1957) een onderdanige figuur opduikt die de naam Crabbe draagt. Het gesprek gaat als volgt verder:

H. Claus: Maar goed, dat is maar wat men dan zeer pedant kan noemen de konstanten in het oeuvre van een auteur. R.V.O.: U hebt er geen verdere bedoelingen mee?

H. Claus: Jawel, jawel. Goed, dat is zo vastgebonden aan intieme draadjes die van mij naar het werk lopen, dat het niet interessant is. Daar heeft een lezer weinig aan en overigens dat gaat hem niet aan.2

Voor het verdere onderzoek van de roman De verwondering is dit uiteraard een bijzonder intrigerende uitspraak. Zij wijst eens te meer op de autobiografische inspiratie, die steeds vaker te vinden blijkt in Claus' werk, ook waar men die niet meteen zou verwachten.

Ten slotte is het jammer dat de samenstellers geen poging hebben onderno-men om hun voortreffelijke werk af te ronden met een conclusie, om een nieuwe stand van zaken op te maken, bijvoorbeeld in de vorm van een synthese van de diverse analyses. Uiteraard is het nog te vroeg voor een totaalinterpretatie van de roman, maar een voorlopige balans van deze fraaie onderneming, hoe tentatief ook, was toch een extra pluspunt geweest en een ondubbelzinnig en duidelijk vertrekpunt voor verder onderzoek.

1. Zie http://dighum.uantwerpen.be/claus/html/1966-12-03_claus_schrijversspreken.html, laatst geraadpleegd op 11 januari 2015.

2. Zie noot 1.

Over de auteur

Georges Wildemeersch (Brugge, 1947) is emeritus Nederlandse letterkunde van de Universiteit Antwerpen. Hij schreef over Hugo Claus onder andere de studie Vrome wensen (2003) en de briefwisseling met Simon Vinkenoog, Laat nooit deze brief aan iemand lezen (2008). In samenwerking publiceerde hij de bibliografie Voor twaalf lezers en een snurkende recensent (2004) en de essaybundel over engagement De plichtvan de dichter (2013). georges.wildemeersch@uantwerpen.be