Scholarly article on topic 'Boekbespreking: Vancompernolle, Hélène, <I>Normgevoeligheid. Attitude van Vlaamse jongeren ten aanzien van het Standaardnederlands, de tussentaal en het dialect.</I> Gent, Academia Press, 2012. ISBN 978 9038 219 714. € 11,00 - Tussentaal als nieuwe norm? Situationele geschiktheidsoordelen over Vlaamse taalvariëteiten'

Boekbespreking: Vancompernolle, Hélène, <I>Normgevoeligheid. Attitude van Vlaamse jongeren ten aanzien van het Standaardnederlands, de tussentaal en het dialect.</I> Gent, Academia Press, 2012. ISBN 978 9038 219 714. € 11,00 - Tussentaal als nieuwe norm? Situationele geschiktheidsoordelen over Vlaamse taalvariëteiten Academic research paper on "Languages and literature"

0
0
Share paper
Academic journal
Internationale Neerlandistiek
OECD Field of science
Keywords
{""}

Academic research paper on topic "Boekbespreking: Vancompernolle, Hélène, <I>Normgevoeligheid. Attitude van Vlaamse jongeren ten aanzien van het Standaardnederlands, de tussentaal en het dialect.</I> Gent, Academia Press, 2012. ISBN 978 9038 219 714. € 11,00 - Tussentaal als nieuwe norm? Situationele geschiktheidsoordelen over Vlaamse taalvariëteiten"

groep de /t/ beter waarnam naarmate de klank korter werd. Oldenkamp verklaart dit door te stellen dat de deelnemers mogelijk kennis hadden van de Berbertaal Tarifyt, waarin een /t/ in een woordfinale positie doorgaans geaspireerd wordt uitgesproken. Als dit zo is, dan bevestigt dit het perceptual assimilation model van Best (1995). Dit model gaat ervan uit dat tweedetaalleerders onbekende fonemen uit de tweede taal zoveel mogelijk assimileren naar fonemen uit de eerste taal.

In The trouble with inflection for adult learners of Dutch laat Oldenkamp zien dat zij goed doordachte, degelijke experimenten opzet en hier specifieke verwach-tingen bij formuleert. De structuur die zij daarbij aanbrengt is goed te volgen, al blijft het idee omtrent de theorieen in het tweede hoofdstuk wat vaag. Zinvol is het onderzoek zeker. Oldenkamp geeft aan dat taaldocenten de taken in eerste instantie als 'te makkelijk' beschouwen voor hun studenten terwijl achteraf blijkt dat de geteste inflectie wel degelijk voor productie- en begripsproblemen zorgt. Het is essentieel om hier voortaan binnen het tweedetaalonderwijs bij stil te staan. Dan 'leeret' alle student de Nederlandse inflectie beter.

Over de auteur

Arina Banga promoveerde in Nijmegen op de vorm-betekenisrelatie van de tussen-klank en in samenstellingen als spinnenweb en aardbeienjam. Uit haar proefschrift 'Function follows form. The linking element in Dutch and related languages' kwam onder andere naar voren, dat moedertaalsprekers van het Nederlands het aantal aardbeien in het Engelse woord strawberryjam als lager beoordelen dan het aantal aardbeien in het Nederlandse woord aardbeienjam. Sinds september 2013 is ze lector Nederlands aan de Universiteit van Debrecen. arinabanga@gmail.com

Vancompernolle, Hélène, Normgevoeligheid. Attitude van Vlaamse jongeren ten aanzien van het Standaardnederlands, de tussentaal en het dialect. Gent, Academia Press, 2012. ISBN 978 9038 219 714. € 11,00

Tussentaal als nieuwe norm?

Situationele geschiktheidsoordelen over Vlaamse taalvariëteiten Reinhild Vandekerckhove

In 2012 gaf het Algemeen-Nederlands Verbond de masterscriptie van Hélène Vancompernolle uit bij Academia Press (Gent). De titel van de publicatie luidt: Normgevoeligheid. Attitude van Vlaamse jongeren ten aanzien van het Standaardnederlands, de tussentaal en het dialect. Hélène Vancompernolle voltooide haar

studie germanistiek aan de Université Catholique de Louvain en was laureate van de neerlandiaprijs voor scripties 2011.

Vancompernolle legde 98 Vlaamse adolescenten (14-18 jaar) audiofragmenten met Belgisch Nederlands voor en liet hen vervolgens een geschiktheidsoordeel uitspreken. De vraagstelling was eenvoudig: 'vindt u het taalgebruik uit fragment x geschikt voor situatie y?' Dat geschiktheidsoordeel werd aan de informanten ontlokt voor vijf fragmenten, die vijf verschillende variëteiten van het Vlaamse taalcontinuüm vertegenwoordigden en die gerelateerd werden aan vijftien situaties. Elke informant moest dus 75 oordelen vellen. Op die manier verkreeg Vancompernolle 7.350 geschiktheidsoordelen, die vakkundig kwantitatief en statistisch verwerkt werden.

De gebruikscontexten werden gediversifieerd naar drie domeinen (overheid, media en 'school/hedendaags leven') en naar hun graad van formaliteit. Voor de laatste parameter werden de situaties gecategoriseerd op een continuüm met vijf punten, gaande van heel informeel tot heel formeel, met een neutrale tussencate-gorie. Enkele voorbeelden voor het domein 'overheid': bij heel informele overheids-communicatie vinden we een gesprek met lokaal gemeentepersoneel en dat wordt geconcretiseerd door de toevoeging: als je je rijbewijs afhaalt. 'Een gesprek met de burgemeester' wordt door Vancompernolle, vanuit het formaliteitsperspectief, als een voorbeeld van een neutrale situatie vermeld, terwijl ze voor heel formele overheidscommunicatie het taalgebruik van een federaal minister als 'situatie' presenteert. De zes spraakfragmenten zijn korte stukjes uit tv-programma's die de informanten - zo meen ik te mogen concluderen - alleen auditief aangeboden kregen. Samen representeren zij de volgende variëteiten: Belgisch Standaardne-derlands (spreekster: journaliste en presentatrice Frieda van Wijck), 'formele tussentaal' (mediafiguur en actrice Nathalie Meskens), 'informele tussentaal' (twee Brusselse tieners van Bosnische herkomst), Brabants dialect (soapfiguur 'Nancy' [actrice Ann Pira] uit de veelbekeken Vlaamse soap Thuis) en tot slot West-Vlaams dialect uit de mond van tv-presentatrice Evy Gruyaert. Het onderscheid tussen formele tussentaal en informele tussentaal lijkt me helaas behoorlijk ongelukkig. Vooreerst komen beide fragmenten, die nog online te beluisteren zijn, uit hetzelfde tv-programma, meer bepaald het entertainende praatprogramma De Laatste Show. Bovendien worden zowel Meskens als de twee Brusselse tieners geïnterviewd door dezelfde persoon (talkshowpresentator Michiel de Vlieger). In beide gesprekken is de sfeer ontspannen, hartelijk en zelfs vrolijk. De spreeksters hanteren effectief allen een Brabants-Antwerpse tussentaal, maar de tussentaal van de tieners blijkt zich niet of nauwelijks verder van de standaardtaalpool te bevinden dan die van Meskens. Er lijkt met andere woorden weinig grond voor de gehanteerde tweedeling bij de variëteit 'tussentaal'. Niettemin blijkt die formele tussentaal door de informanten doorgaans wel positiever gewaardeerd

VANDEKERCKHOVE

te worden dan de informele tussentaal, maar het is niet onwaarschijnlijk dat de bekendheid en bijgevolg identificeerbaarheid van de populaire mediafiguur Meskens (tegenover twee onbekende tienermeisjes met een licht Frans accent) de geschiktheidsoordelen beïnvloed heeft.

De keuze voor (niet al te jonge) tieners kan echter alleen maar toegejuicht worden. Bij mijn weten is er in Vlaanderen nog nauwelijks linguïstisch attitude- of perceptieonderzoek gebeurd bij die leeftijdscategorie. Nochtans zijn adolescenten de trendsetters op talig vlak en de toekomstige normbepalers. Heel lovenswaardig is ook dat er gezorgd werd voor genderevenwicht en regionale differentiatie in de informantengroep: naast de centrale Antwerpse regio zijn ook de twee perifere regio's in Vlaanderen, Limburg en West-Vlaanderen, vertegenwoordigd. Voor elke regio is gestreefd naar een behoorlijke vertegenwoordiging van de beide seksen. Wie enigszins vertrouwd is met veldwerk kan alleen maar bewondering hebben voor het feit dat een laatstejaarsstudent een dergelijke groep deelnemers heeft weten te recruteren. Het onderzoek dat Vancompernolle uitgevoerd heeft, is onmis-kenbaar een arbeidsintensieve onderneming geweest. De opzet van het onderzoek is uiteraard rudimentair, aangezien de informanten alleenja/nee-oordelen konden vellen en er verder ook geen andere attitude- of perceptievragen werden gesteld, maar dat heeft dan wel als voordeel dat er veel data verwerkt konden worden en dat die zich vrij eenduidig laten interpreteren.

De resultaten worden besproken in de hoofdstukken 4 'Kwantitatieve resultaten' en 5 'Kwalitatieve resultaten'. In hoofdstuk 4 wordt het cijfermateriaal gepresenteerd, in het volgende hoofdstuk volgt de interpretatie. 'Kwalitatieve resultaten' kan dus op het eerste gezicht een misleidende titel zijn, want beide hoofdstukken zijn gebaseerd op dezelfde onderzoeksresultaten. Alleen krijgen die resultaten commentaar en duiding in hoofdstuk 5, waar ze vrij sec voorgesteld worden in het eraan voorafgaande hoofdstuk. Het vierde wordt gekenmerkt door grondigheid, het vijfde bespreekt een aantal opmerkelijke tendensen. Ik geef er hier enkele weer.

Het talige centrum, gerepresenteerd door de Antwerpse tieners, acht de (formele) tussentaal voor de meeste contexten, ook voor vrij formele contexten, minstens even geschikt als de standaardtaal. Alleen voor de meest formele com-municatie in met name overheidsdomeinen (bijvoorbeeld een federaal minister die het woord voert) achten de Antwerpse adolescenten zelfs de zogenaamde formele tussentaal ongeschikt. Voor dat soort contexten blijken ze evenmin overtuigd van de geschiktheid van de standaardtaal die ze te horen kregen. Vancompernolle merkt terecht op dat dit merkwaardig is en vraagt zich af of het zou kunnen wijzen op language insecurity bij de adolescenten uit het talige centrum. Dat lijkt mij onwaarschijnlijk. De geschiktheidsoordelen wijzen algemeen op een positieve beoordeling van de Antwerps-Brabants gekleurde tussentaalvariëteiten en zelfs

van het Brabantse dialect en een negatieve beoordeling van het West-Vlaamse dialect. Globaal genomen zien we een sterk talig autocentrisme bij de Antwerpse adolescenten - het tegendeel van talige onzekerheid dus. Wellicht is het 'formele' tussentaalfragment net te informeel en verhindert dat voor de adolescenten de transfer naar uitgesproken formele en officiële contexten met gedragsdragers die een zekere autoriteit moeten uitstralen. Dat verklaart uiteraard niet waarom ook het standaardtalige fragment voor dat soort gebruikssituaties slecht scoort. Niet onbelangrijk is echter dat ook het standaardtalige fragment gelinkt is aan een informele context: ook de standaardtaalspreekster wordt namelijk (net zoals de twee tussentaalfragmenten) opgevoerd in het luchtige praatprogramma De Laatste Show. Datzelfde transferprobleem kan zich dus ook hier stellen.

Dat wordt overigens bevestigd door de afnemende geschiktheidsscore voor de standaardtaal naarmate de context formeler wordt: de standaardtaal scoort hoger in heel informele contexten dan in uiterst formele contexten; een bijzonder onver-wacht resultaat. Een bijkomend element zou kunnen zijn dat het standaardtalige fragment werd ingesproken door een vrouw met een Limburgse achtergrond. Van Wijck is een vlotte standaardtaalspreekster, maar bepaalde accentkenmerken, en met name een vrij geprononceerde huig-/R/, maken haar identificeerbaar als niet-Brabants/Antwerps, dus als niet afkomstig uit de centrale regio. Misschien beantwoordt standaardtaal uit de periferie voor Antwerpse adolescenten niet aan het ideaalbeeld van de standaardtaal? Dat is in elk geval een uitdagende hypothese voor verder onderzoek.

Verder stelt Vancompernolle vast dat de West-Vlaamse adolescenten zich opval-lend onderscheiden van hun Limburgse en Antwerpse leeftijdsgenoten. Algemeen genomen hebben die laatsten de neiging om (formele) tussentaal beter te accepteren dan de standaardtaal. Merkwaardig genoeg scoort de (formele) tussentaal nog hoger bij de adolescenten uit de Limburgse periferie dan bij de tieners uit het centrum. Alleen bij de West-Vlamingen wint de standaardtaal het van de tussentaal. Deze resultaten weerspiegelen perfect de waarnemingen met betrekking tot het taalgedrag van de Vlamingen die participeerden aan de spontane conversaties van het Corpus Gesproken Nederlands, zoals besproken in Vandekerckhove (2005). De informanten uit de meest dialectvaste provincie van Vlaanderen, namelijk West-Vlaanderen, hadden voor de onderzochte variabelen meer standaardtalige vormen geproduceerd dan de informanten uit het centrum en uit Limburg. Aan alle informanten was toen gevraagd om in het Algemeen Nederlands te converseren met een goede bekende, maar de facto produceerden veel informanten geen standaardtaal en opmerkelijk was dat de Brabanders, Antwerpenaren en Limburgers aanzienlijk meer tussentaalvormen produceerden dan de West-Vlamingen. Voor vele variëteiten wordt geen genderverschil waargenomen, maar voor de 'formele tussentaal' scoren de vrouwelijke informanten van Vancompernolle significant hoger

VANDEKERcKHOVE

dan mannen in hun geschiktheidsoordeel. Ze knoopt daar de volgende uitdagende vraag aan vast: 'beschouwen Vlaamse dames misschien formele tussentaal als de nieuwe norm voor correct Nederlands?' (p. 121) Een pertinente vraag, aangezien uit de sociolinguistiek bekend is dat vrouwen als trendsetters fungeren. Bovendien stroken deze bevindingen met Plevoets (2008) die (hoogopgeleide) vrouwen op basis van zijn onderzoeksresultaten een voortrekkersrol voor de Vlaamse tussentaal toeschrijft. Wat die nieuwe norm betreft: opvallend is dat de Brabants-Antwerpse tussentaal van mediafiguur Meskens beter of net zo goed scoort voor onderwijs- en mediacontexten als de standaardtaal. Vancompernolle concludeert terecht dat dit voor de media gerelateerd kan worden aan 'wat al feitelijk te horen is' (p. 117), maar voegt eraan toe dat de appreciatie van tussentaal voor zowel formele als informele onderwijscontexten toch wel opmerkelijk is.

De studie van Vancompernolle biedt dus enkele opmerkelijke resultaten, biedt stof tot discussie en prikkelt tot verder onderzoek. Dat is zonder meer een verdienste voor een masterscriptie, want vanuit dat perspectief moet voorlig-gende studie zeker bekeken worden. Dat geldt ook voor de minpunten die aan de publicatie verbonden zijn: de opzet vertoont een aantal tekortkomingen, maar die zijn best verteerbaar in het licht van de ondernemingszin van de jonge auteur en de onmiskenbare verdiensten van de studie. Bijzonder jammer is echter dat de literatuurstudie die aan het eigenlijke onderzoek voorafgaat, het geheel wat ontsiert, niet alleen omdat er vaak een en ander schort aan de weergave van de geciteerde bevindingen en opinies, maar ook omdat wat extra tekstredactie veel ergernissen had kunnen wegnemen.

De inzet en capaciteiten van de onderzoekster zouden echter oneer aangedaan worden als we met deze negatieve noot zouden eindigen. De studie van Vancompernolle bevestigt niet alleen eerdere onderzoeksbevindingen over de sterke positie van de Vlaamse tussentaal, maar ze overtreft wat dat betreft in zekere zin de verwachtingen: de standaardtaal lijkt voor de jongste generatie ook het onderspit te delven in wat traditioneel het standaardtaalbastion bij uitstek is: het onderwijs. Dat laatste vraagt om opvolging en bijkomend onderzoek.

Over de auteur

Reinhild Vandekerckhove is hoofddocent voor sociolinguistiek en Nederlandse taalkunde aan de Universiteit Antwerpen, waar ze deel uitmaakt van de onder-zoeksgroep CLiPS. Haar onderzoeksspecialisaties betreffen geolinguistische taalvariatie, dialectverandering en substandaardiseringsprocessen in het jonge Vlaamse Nederlands, zoals die zich onder meer in tienerchattaal manifesteren. Voor haar publicaties, zie: www.uantwerpen.be/reinhild-vandekerckhove. Sinds september 2013 is ze voorzitter van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren van de Nederlandse Taalunie. reinhild.vandekerckhove@uantwerpen.be