Scholarly article on topic 'Regiolectisering en de opkomst van tussentaal in Vlaanderen'

Regiolectisering en de opkomst van tussentaal in Vlaanderen Academic research paper on "Languages and literature"

0
0
Share paper
Academic journal
Taal en tongval
OECD Field of science
Keywords
{""}

Academic research paper on topic "Regiolectisering en de opkomst van tussentaal in Vlaanderen"

Regiolectisering en de opkomst van tussentaal in Vlaanderen

Johan De Caluwe & Evelien Van Renterghem

Abstract

In this paper we will investigate the relation between regiolect formation and the emergence of tussentaal ('interlanguage') in Flanders. More in particular, we will try to find out to what extent tussentaal is the product of regiolect formation as defined by Hoppenbrouwers (1990) and Hinskens (1993, 1996). In all Flemish regions a supra-regional interlanguage is gaining ground, with an indisputable Brabantic character. As for the intra-regional communication, the situation is different in the three regions under consideration. In the Brabantic region the traditional dialects are on the decline, except for the Antwerp city dialect, which - more than any other dialect - contributes to the formation of the Brabantic regiolect. In the West-Flemish region the traditional dialects are still fairly vital, but nevertheless a West-Flemish regiolect seems to be emerging too. In the East-Flemish region people tend to switch directly from the traditional dialects to the interlanguage. There seems to be no such thing as an East-Flemish regiolect. This regiospecific dynamics between dialect, regiolect (if any) and interlanguage makes for a very complex situation of language variation in Flanders today.

1. Inleiding

In deze bijdrage onderzoeken we de relatie tussen het proces van regiolect-vorming in Vlaanderen enerzijds, en de opkomst van tussentaal anderzijds. In het bijzonder willen we nagaan of, en zo ja in welke mate de Vlaamse tussentaal kan worden beschouwd als het product van regiolectisering zoals dat gedefineerd is door Hoppenbrouwers (1990) en Hinskens (1993).

Hoppenbrouwers (1990: 84) verstaat onder regiolect "een continuum van tussentaalvormen dat het hele gebied tussen dialect en standaardtaal omvat".

In een eerste fase verliezen de dialecten de kenmerken waardoor ze zich van elkaar onderscheiden (de zgn. 'primaire kenmerken' van Schirmunski 1930), wat ze meer geschikt maakt voor taalverkeer in de regio.

In de confrontatie met de omringende dialecten blijken bepaalde kenmerken van een dialect minder vitaal te zijn dan andere. Het zijn juist de meest kenmerkende elementen van de dialectkern die als gemarkeerde vormen

het eerste verdwijnen. In het bovenplaatselijke verkeer zijn het opvallende Varianten die weinig bevorderlijk blijken te zijn voor de onderlinge 'ver-62 staanbaarheid'. (1990: 41)

In een laatste fase van regiolectisering gaan de dialectkenmerken verloren en schuift het taalgebruik op in de richting van het Algemeen Nederlands.

Hinskens (1993) reserveert regiolectvorming voor Hoppenbrouwers' eerste fase in dit proces van taalverandering: een vorm van dialectnivellering waarbij het dialect evolueert in de richting van een ruimer verspreide (maar welis-waar nabije en verwante) dialectvariant.

Dialectnivellering is kennelijk niet noodzakelijkerwijs convergentie met de standaardtaal, resulterend in wat in het Duits Umgangssprache genoemd wordt [...], een regionale, dialectaal gekleurde varieteit van de standaardtaal. Er zijn ook gevallen van dialectnivellering waarbij een verder verbreide dialectvariant 'wint. Men kan overwegen, voor dergelijke ontwikkelin-gen het begrip regiolectvorming te reserveren. Zoals dialectnivellering een bijzonder type van taalverandering is, zo is regiolectvorming in deze zin een bijzonder type van dialectnivellering. (1993: 56)

Dialectnivellering is volgens Hinskens (1996) een gevolg van het feit dat spre-kers hun dialect aanpassen aan minder 'diepe' dialecten, dat wil zeggen aan dialecten die minder verschillen van de standaardtaal. 'Aanpassing' hoeft niet per se te betekenen 'overnemen' van kenmerken van die minder diepe dialecten. Minstens even belangrijk is het onderdrukken van eigenaardigheden die het eigen dialect voor sprekers van andere dialecten misschien minder goed verstaanbaar maken.

2. De situatie in Vlaanderen?

2.1 Twee types regiolectvorming

We willen onderzoeken of in de recente taalgeschiedenis in Vlaanderen die twee types van regiolectvorming te herkennen zijn.

Om van kleinschalige regiolectvorming in Vlaanderen te kunnen spreken, moet er (cf. Hoppenbrouwers' eerste fase, en Hinskens' definitie) een aan-toonbare convergentie zijn binnen de grote dialectfamilies. Er moeten aanwij-zingen zijn dat de plaatselijke dialecten nivelleren tot een soort van overkoe-pelend regionaal dialect. Dat het nog altijd om een dialect gaat (weliswaar met een regionaal karakter) blijkt dan onder andere uit het feit dat de uitspraak

erg dialectisch gekleurd blijft. De sprekers zelf percipiëren deze variëteit dan ook zelf als niet-standaardtalig.

Om van grootschalige regiolectvorming te kunnen spreken, moet er (cf. Hop- 63 penbrouwers' tweede fase) een aantoonbare convergentie zijn over de grenzen van de grote dialectfamilies heen. Voor de bovenregionale informele communi-catie wordt dan niet gekozen voor een dialect of regiolect, maar voor een ruimer inzetbare variëteit. We willen onderzoeken of de Vlaamse tussentaal beschouwd kan worden als het product van dit tweede type van regiolectisering.

2.2 Tussentaal

Over het gebruik van tussentaal is de jongste jaren bijzonder veel gepubliceerd (voor een overzicht, zie o.a. Plevoets 2008 en De Caluwe 2009), maar er zijn geen exhaustieve beschrijvingen van het verschijnsel. De verklaring ligt voor de hand. Met tussentaal wordt immers het hele continuüm van taalgebruik benoemd (cf. diaglossie bij Auer 2005), waarvan de uitspraakbasis weliswaar standaardtalig is (cf. Goossens 2000: 7-8), maar waarvan vele lexicale, fonolo-gische en morfo-syntactische kenmerken ontleend zijn aan de endogene dia/ regiolecten enerzijds, aan het meest prestigieuze, Brabantse regiolect ander-zijds. Een paar voorbeelden ter illustratie:

Ik zal u twee poppekes geven : standaardtalige realisatie van de vocalen (even-

tueel met regio-accent), diminuering op -ke Ik (h)eb da(t) nie(t) gezien : h- en t-deleties

Ge moet-ta niet-toen : progressieve in plaats van regressieve assimilatie 't Is veel te schoon weer om binnen te zitten : schoon als dia/regiolectisch lexi-caal ingrediënt

Ge moet u ne kleinen auto kopen : dia/regiolectische verbuiging van lidwoor-

den, adjectieven en voornaamwoorden Gij beseft nie wattakik [wat dat ik] voor u algedaan (h)eb : gij-systeem voor 2e persoon, met u als objectsvorm ('jij beseft niet wat ik voor jou al gedaan heb')

Ik zou da niemand nie aanraden : dubbele negatie

Ge moetgij daar nie zo moeilijk over doen : subjectsverdubbeling

Ik weet nie waarom dat-(h)ijgebeld (h)eeft : redundant dat.

Een aanzet tot systematische inventarisatie van de tussentalige ingrediënten is te vinden bij Rys en Taeldeman (2007) en Taeldeman (2008).

We gaan hier niet in op de vraag waarom Vlamingen voor hun bovenregi-onale (maar ook steeds meer voor hun regionale en lokale) informele com-municatie de voorkeur geven aan tussentaal in plaats van standaardtaal. Een en ander heeft natuurlijk te maken met de bijzondere geschiedenis van de

standaardisering in Vlaanderen, waarbij het gebruik van een exogene - want Noord-Nederlandse - standaardtaal werd gepropageerd. Die varieteit is wel 64 geaccepteerd als schrijftaal, en als spreektaal in de meer formele situaties, maar is door de meeste Vlamingen nooit toegelaten tot de meer persoonlijke, informele vormen van communicatie (zie Willemyns 2003 voor een geschie-denis van het Nederlands in Vlaanderen).

2.3 Opzet

Een situatie waarbij er twee types van talige afstemming plaatsvinden -- een op regionaal niveau en een op bovenregionaal niveau - is buiten Vlaanderen al vastgesteld door Reese (2007), meer bepaald voor Zwitserland:

In recent years we can observe a koineization process. People drop speech behavior that is special for one region in favor of forms that are similar or equal all over Germanic Switzerland. [...] Besides the pan-Swiss koineization, there are local and regional koineization processes as well. (2007: 5)

We onderzoeken in wat volgt of die analyse ook van toepassing is op de taal-toestand in Vlaanderen. Binnen het bestek van dit artikel behandelen we niet alle Vlaamse regio's. We spitsen ons onderzoek toe op de toestand in:

- de Brabantse regio (Vlaams-Brabant + Antwerpen) (§ 3): traditioneel be-schouwd als de dominante regio bij het ontstaan en de verspreiding van de Vlaamse tussentaal;

- de West-Vlaamse regio (§ 4): traditioneel beschouwd als dialectvaste 'pe-riferie', het minst onderhevig aan invloed vanuit het Brabantse dialectge-bied;

- de Oost-Vlaamse regio (§ 5): tussen het Brabantse 'taalcentrum' en de West-Vlaamse 'periferie' in.

Limburg verdient in een vervolgstudie zeker bij deze vergelijking te worden betrokken. Vooralsnog is de situatie in die regio onvoldoende gedocumen-teerd, zoals o.a. blijkt uit Willemyns, Vandenbussche en Drees (2010), waarin herhaaldelijk gewezen wordt op de opvallende schaarste aan onderzoeksre-sultaten die een vergelijking met andere regio's mogelijk moeten maken. Van-dekerckhove (2009: 84-86) geeft wel een overzicht van het onderzoek naar gebruik en status van het dialect in de provincie.

Voor elk van de genoemde regio's gaan we na wat de status is van

- standaardtaal versus dialect

- een eventuele regiolectisering type A (cf. Hinskens' definitie; Hoppenbrou-wers' eerste fase)

- een eventuele regiolectisering type B (cf. Hoppenbrouwers' tweede fase; in Vlaanderen gelijk te stellen met vertussentaling?).

3. Brabant

3.1. Dialect versus standaardtaal

Zowel Willemyns (1979) als Van Keymeulen (1993) hebben onderzoek ge-daan naar dialectkennis en -gebruik bij Vlaamse studenten. De onderstaande percentages geven weer hoeveel van de Vlaamse universiteitsstudenten het lokale dialect nog goed zouden beheersen:

WILLEMYNS (1979) VAN KEYMEULEN (1993)

Antwerpen 91 62

Vlaams-Brabant 72 48

West-Vlaanderen 98 88

Oost-Vlaanderen 86 50

Uit deze cijfers blijkt dat het proces van dialectverlies op het einde van de vorige eeuw sterker was in Vlaams-Brabant dan in Antwerpen. De relatief hoge score voor dialectbeheersing in het Antwerpse verdient misschien wel enige nuancering. Zo blijkt uit studies van De Schutter (1991; 1992) en De Schutter & Nuyts (2005) dat nogal wat Antwerpenaren, in het bijzonder de inwoners van de stad Antwerpen, erg zelfverzekerd zijn en niet twijfelen aan de levenskracht van wat zij als authentiek dialect beschouwen, terwijl ze eigenlijk niet langer vertrouwd blijken te zijn met een aanzienlijk deel van het oude dia-lectlexicon. De Schutter en Nuyts (2005: 22-23) schrijven over het taalgebruik in de stad:

Iedereen die in Antwerpen geboren is, en niet vanaf dat eigenste ogenblik in een of andere 'exotische' taal, het Frans bijvoorbeeld, of het Russisch, het Koerdisch, een Berbertaal, het Turks of het Marokkaans-Arabisch, enz. op-gevoed is, spreekt als eerste taal Antwerps, de anderen leren het op straat en op de schoolspeelplaats als tweede taal. [...] Er zijn wel wat mensen die de Nederlandse standaardtaal als moedertaal hebben [...] Ook het aantal mensen dat zich vloeiend in de standaardtaal kan uitdrukken - als tweede taal dan - is relatief indrukwekkend.

De Schutter en Nuyts constateren ook nog dat als de woordenschat in het he-dendaagse Antwerps verandert, de traditionele dialectwoorden vervangen worden door een meer standaardtalig lexicon.

De toestand van het Brusselse dialect ziet er helemaal anders uit. Het is een van de meest bedreigde dialecten in het Nederlandse taalgebied (De Vriendt 66 2004). Volgens Janssens (2001) telt Brüssel amper 9% Nederlandstaligen en nog eens 10% beschouwt zieh als tweetalig (Nederlands-Frans). De ruime meerderheid in Brüssel is Franstalig. Om weerwerk te kunnen bieden aan het Frans kiezen Nederlandstaligen veeleer voor de standaardtaal dan voor het gemarginaliseerde dialect, dat bovendien ook nog eens gekenmerkt wordt door bijzonder veel interferenties met het Frans.

3.2. Regiolectisering type A

Ooms en Van Keymeulen (2005: 112) zien duidelijk aanwijzingen voor regio-lectvorming van het kleinschaliger type:

De verschillende plaatselijke dialectverschijnselen zullen plaats maken voor de grootschalige verschijnselen: in plaats van een lappendeken van lokale talen zal men komen tot een Brabants regiolect, dat allicht bijvoorbeeld de scherpe i en uu (iek ziet 'ik zit" en puut 'put") en de lange ie en oe (zie:k en boe:k) bewaard zal hebben. De invloed van het Antwerpse stadsdialect zal - zeker in de provincie Antwerpen - bepalend zijn voor de aard van het Brabantse regiolect. Het Stads-Antwerps wordt immers gesproken door de trotse bevolking [...] van de grootste stad van Vlaanderen. Ook Vlaams-Brabant zal waarschijnlijk steeds meer onder de invloed van het Antwerps komen te staan.

De Schutter en Nuyts (2005) bevestigen dat het Antwerpse stadsdialect ex-pansief is:

Het Antwerps is [...] bezig om zich in die domeinen die het in de stad als vanzelfsprekend verworven heeft, in een ruimere geografische context op te dringen. In eerste instantie gebeurt dat door een vorm van kolonisatie: mensen uit de Antwerpse agglomeratie vestigen zich in de groene of - althans vroeger - betaalbare rand ('stadsvlucht") en nemen hun taal mee. [...] Aangezien over het algemeen de immigranten een hogere status hebben of pretenderen te hebben dan de autochtone bevolking, begint die laatste in het eigen taalgebruik het Stadsantwerps van de nieuwkomers te imiteren. Na verloop van tijd (een of twee generaties) is in plaatsen met een sterke in-wijking het oude dialect weg, en heeft het Stadsantwerps er een paar (tien) duizenden sprekers bij gekregen. (2005: 25)

3.3. Regiolectisering type B

De Brabantse regio omvat zoals bekend de provincies Vlaams-Brabant en Antwerpen. Op de as Brussel-Antwerpen vinden we ook nog Leuven en Mechelen, 67 met een belangrijke centrumfunctie. Het is een dichtbevolkt gebied, met be-langrijke verkeersassen, veel economische activiteit, en met maar liefst drie universitaire centra: Brussel, Leuven en Antwerpen. In het Brabantse gebied zijn ook vrijwel alle belangrijke media gevestigd: radio, televisie, krantenre-dacties. Door de drukke interactie van zovele mensen uit de regio met zovele mensen van buiten de regio is er vanzelfsprekend behoefte aan een bovenre-gionale omgangstaal, en dat is dan een Brabants gekleurde tussentaal (Vande-kerckhove 2009: 82). Ook in de regio Antwerpen, waar het Antwerpse stads-dialect nog steeds een vanzelfsprekende factor is in het lokale en regionale dagelijkse leven (De Schutter en Nuyts 2005), is er plaats voor die Brabants gekleurde tussentaal. Want binnen de regio Antwerpen mag het Stads-Ant-werps dan al prestige hebben, in de rest van Vlaanderen kan die variëteit op weinig sympathie rekenen omdat dé Antwerpenaar, die zich inwoner van de grootste stad van Vlaanderen mag noemen, in de rest van Vlaanderen wel eens als arrogant en/of zelfgenoegzaam wordt beschouwd (voor een meer gedetail-leerd overzicht van die attitudes, zie o.a.Vandekerckhove 2009: 80-82). Een tussentaal waar alleen nog de tertiaire Brabantse kenmerken in doorklinken wordt wel vrij algemeen aanvaard in Vlaanderen. Die variëteit is overigens ook alomtegenwoordig in de media: in soaps, in informele praatprogramma's, of in reality-programma's, waar gewone mensen in zogenaamd levensechte situaties worden gevolgd (bij een verbouwing, op reis, enz.).

Over de invloed van deze Brabantse tussentaal op de informele variëteiten elders in Vlaanderen hebben we het nog uitgebreider in de paragrafen 3 en 4.

3.4. Conclusie

In Brabant en Antwerpen gaan - zoals vrijwel overal elders in Vlaanderen - de dialecten achteruit. Alleen het Stadsantwerps gedijt nog goed, maar dat is lang geen authentiek dialect meer. Standaardtaal wordt gebruikt in de meer formele omstandigheden. Een Brabants regiolect neemt de plaats in van de lokale dialecten voor informele contacten met regiogenoten. Een Brabants gekleurde tussentaal is dé voertaal voor de bovenregionale informele communicatie.

4. West-Vlaanderen

4.1. Dialect versus standaardtaal

West-Vlaanderen onderscheidt zich van de andere Vlaamse regio's door de vooralsnog sterke positie van de dialecten. De meeste West-Vlaamse twinti-

gers en dertigers zijn nog in het dialect opgevoed, het authentieke dialect is er vrij goed bewaard, en het wordt dagelijks gebruikt (Devos en Vandekerckhove 68 2005; Vandekerckhove 2009). De standaardtaal wordt weinig gesproken (cf. Willemyns 2008), behalve waar het niet anders kan of mag, bijvoorbeeld op school, maar ook daar is de taal vaak erg dialectisch gekleurd. Als verklaringen voor die dialectvastheid zijn al genoemd: de perifere ligging van de provincie, de (tot voor kort) geringe verstedelijking en inwijking uit andere regio's, en zeker ook de relatieve homogeniteit van de dialecten in West-Vlaanderen:

Het West-Vlaamse dialectgebied is aanzienlijk minder versnipperd dan het Oost-Vlaamse, het Limburgse en het Brabantse. Dat betekent dat de dialect-verschillen zo klein zijn, dat dialectsprekers uit verschillende delen van de provincie probleemloos met elkaar kunnen converseren. (Devos en Vandekerckhove 2005:145)

4.2. Regiolectisering type A

Er zijn duidelijke aanwijzingen voor kleinschalige regiolectvorming in West-Vlaanderen. Uit een onderzoek naar de meervoudsvorm van persoonlijke voornaamwoorden in vier West-Vlaamse steden, leidt Vandekerckhove (200S) af dat er nivelleringsprocessen aan de gang zijn. Voornaamwoorden met een beperkte geografische distributie maken plaats voor equivalenten met een groter geografisch bereik, met als gevolg een reductie van de interdialectische variatie. Dat zou kunnen leiden tot een soort van West-Vlaamse koiné voor het pronominale paradigma, maar zover is het volgens Vandekerckhove voorals-nog niet. De meeste veranderingen in het paradigma, ook bij jongere mensen, schrijft zij toe aan horizontale convergentie, dat wil zeggen: interdialectische convergentie primeert nog op mogelijke invloed van de standaardtaal (zie ook Vandekerckhove 2009: 89).

4.3. Regiolectisering type B

Zelfs in de dialectvaste West-Vlaamse regio wijzen verschillende onderzoeken uit dat een Brabants gekleurde tussentaal in opmars is in de bovenregionale spreektaal. Zo constateert Van Eeghem (2000) Brabants gekleurde afwijkin-gen van de standaardtalige uitspraak bij drie kwart van de nieuwslezers en presentatoren van West-Vlaamse herkomst. Dat wordt bevestigd in Van Laere (2003): bij 43% van de West-Vlaamse politici is de realisatie van de vocalen Brabants gekleurd. De West-Vlaamse uitspraak is in Vlaanderen het zwaarst gestigmatiseerd - zie Rys & Taeldeman 2007 voor een overzicht van primaire, secundaire en tertiaire kenmerken - en dat kan verklaren waarom de onder-

zochte sprekers de neiging hebben om uit te wijken naar de meer prestigieuze, Brabantse uitspraak. Er is vooralsnog niet onderzocht of ook 'gewone' West-Vlamingen in bovenregionale informele situaties hun uitspraak zouden gaan 69 Brabantiseren.

Op morfo-syntactisch gebied zijn wel relevante onderzoeksresultaten voor-handen. Zowel Taeldeman (2008) als Vandekerckhove (2007) constateren dat de pronomina ge/gij voor de tweede persoon enkelvoud in opmars zijn, ook in regio's waar het dialect nochtans een je-systeem hanteert. Taeldeman conclu-deert: "Dit lijkt me een geval te zijn van Brabantse sturing bij de uitbouw van Vlaamse tussentaal, maar we mogen niet uit het oog verliezen dat ge/gij ook altijd steun gekregen heeft vanuit de archaische Belgisch-Nederlandse schrijf-taal" (Taeldeman 2008: 41). Een zelfde beeld wat de diminutiefvormen be-treft: voor bovenregionale communicatie kiezen West-Vlaamse taalgebruikers veeleer voor de vormen op -ke ten koste van de vormen op -je, die nochtans standaardtalig zijn, en ook in een deel van West-Vlaanderen endogeen zijn (cf. ook Vandekerckhove 2007).

Alles wijst er dus op dat West-Vlaanderen niet ongevoelig blijft voor de uit-straling van een Brabants gekleurde tussentaal, de bovenregionale omgangs-taal die dominant is in Antwerpen, Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen. Dat die variëteit alomtegenwoordig is in de media draagt uiteraard bij tot haar prestige.

Uit perceptie- en attitude-onderzoek (Geeraert 2009; Pinget 2009) blijkt wel dat West-Vlamingen zich vooralsnog minder dan Oost-Vlamingen identi-ficeren met Brabants gekleurde tussentaal. Een en ander heeft te maken met het feit dat grote delen van Oost-Vlaanderen al van oudsher sterk gebrabanti-seerd zijn (zie § 5 over de taalsituatie in Oost-Vlaanderen).

Opvallende attitudeverschillen tussen West-Vlamingen en sprekers uit andere provincies komen ook naar voren uit het onderzoek naar het taalgebruik van Vlamingen zoals dat geregistreerd is in het Corpus Gesproken Nederlands (o.a. Lemahieu 2008; De Caluwe 2009): wanneer jonge Vlamingen gevraagd wordt informeel maar standaardtalig met elkaar te babbelen, blijken West-Vlamingen duidelijk meer moeite te doen om standaardtaal te spreken (cf. het begrip intendierte Hochsprache, ook bij Willemyns 2008: 61), terwijl de informanten uit de andere provincies veel gemakkelijker tussentaal gaan ge-bruiken. De natuurlijke informele omgangstaal voor West-Vlamingen is het dialect, en wanneer zij dan de vraag krijgen om standaardtaal te gebruiken, zullen ze dat ook proberen omdat ze weten dat het West-Vlaamse dialect ge-stigmatiseerd is. De natuurlijke informele omgangstaal voor veel jongeren uit de andere provincies is al een regiolect type A of B (tussentaal), zonder stigma, waardoor zij daar ook gemakkelijk op terugvallen ook al is ze gevraagd om standaardtaal te gebruiken.

4.4. Conclusie

In West-Vlaanderen wordt nog veel dialect gebruikt. West-Vlamingen uit ver-70 schillende delen van de provincie kunnen onder elkaar overschakelen naar een soort van regiolect type A, een algemeen West-Vlaams zonder Brabantse inslag. Voor bovenregionale informele contacten is een regiolect type B in op-mars, een tussentaal met een aantal exogene (Brabantse) kenmerken in o.a. morfo-syntaxis.

5. Oost-Vlaanderen

5.1. Dialect versus standaardtaal

In Oost-Vlaanderen is het proces van dialectverlies al veel verder gevorderd dan in West-Vlaanderen. Zoals al bleek in 3.1, beweerde in 1993 nog maar 50% van de Oost-Vlaamse universiteitsstudenten dat ze het lokale dialect be-heersten, tegenover 88% van de West-Vlaamse studenten (Van Keymeulen 1993). Die toestand zal er bijna 20 jaar later nog aanzienlijk op achteruit zijn gegaan. Uit een onderzoek naar dialectappreciatie van Van Daele (2000) blijkt bovendien dat Vlamingen het Oost-Vlaamse dialect het minst aantrekkelijk vinden. De Oost-Vlamingen waren overigens ook de enigen in dat onderzoek die hun eigen dialect niet het meest aantrekkelijke vonden. Taeldeman (2005) voert als mogelijke verklaringen aan dat het Oost-Vlaams slecht scoort op ver-staanbaarheid, o.a. doordat er nogal wat consonanten worden weggelaten. Maar bovenal is

[...] nergens in Vlaanderen het dialectlandschap zo verkaveld/versplinterd als in de provincie Oost-Vlaanderen. Dat draagt bij Oost-Vlamingen - meer dan bij anderen - bij tot de gedachte dat zij letterlijk en figuurlijk 'niet ver komen' met hun dialect. (2005: 92)

Dat betekent niet dat Oost-Vlamingen massaal overschakelen op standaard-taal. Voor informele zowel intra- als interregionale communicatie gebruiken ze wel gemakkelijk tussentaal (regiolectisering type B).

5.2. Regiolectisering type A

In Oost-Vlaanderen zijn weinig tekenen te vinden van een kleinschalige regiolectisering zoals we die wel aantreffen in Brabant (§ 3.2) en West-Vlaanderen (§ 4.2). Van alle provincies heeft Oost-Vlaanderen het meest versneden dialectlandschap (Taeldeman en Van Keymeulen 2002; Taeldeman 2005), en Ryc-keboer (1995) concludeert:

Van zo gauw de Oost-Vlaming uit zijn plaatselijk isolement treedt, moet hij terwille van de verstaanbaarheid zijn taalgebruik naar een algemener niveau optillen. Als men voorts bedenkt dat het grootste deel van Oost-Vlaan- 71 deren een paar historische klankontwikkelingen gemeen heeft met het A.N. (...) dan hoeft het niet te verwonderen dat taalsociologische en taalsystema-tische fenomenen hier samenwerken om vlugger op A.N. over te schakelen. (1995: 240)

De analyse van Ryckeboer dateert uit een tijd toen het taallandschap in Vlaan-deren nog vaak als bipolair werd voorgesteld, met een taalgebruiker die dan moest kiezen tussen dialect of standaardtaal. Vandaag ligt het meer voor de hand om te verwachten dat Oost-Vlamingen voor tussentaal zullen kiezen wanneer het dialect niet in aanmerking komt, zoals bij (boven)regionale informele communicatie.

5.3. Regiolectisering type B

In Oost-Vlaanderen wordt voor de informele communicatie vaak tussentaal gebruikt met een Brabantse inslag, zie o.a. de resultaten van Lemahieu (2008) in De Caluwe (2009). We mogen daarbij niet uit het oog verliezen dat het Bra-bants al vanaf de zestiende eeuw invloed uitoefent op de Oost-Vlaamse dialec-ten, door de uitstraling van het hertogdom Brabant als politiek en economisch centrum.

Het gebruik van de ge/gij-pronomina of het diminutiefsuffix op -ke in de tussentaal in Oost-Vlaanderen bijvoorbeeld hoeft daarom niet het gevolg te zijn van recente Brabantse 'expansie' (Goossens 1970). Het zijn weliswaar van oorsprong Brabantse kenmerken, maar ondertussen al lang ingeburgerd in de Oost-Vlaamse dialecten, wat hun aanwezigheid in de Oost-Vlaamse tussentaal voor de hand legt.

Wat de uitspraak betreft, blijkt uit onderzoek van Van Eeghem (2000) dat nieuwlezers en presentatoren van Oost-Vlaamse herkomst minder dan hun West-Vlaamse collega's geneigd zijn om Brabantse uitspraakkenmerken te adopteren. Dat wordt bevestigd door Van Laere (2003) in zijn onderzoek naar de tussentaal van Vlaamse politici.

5.4. Conclusie

De kennis en het gebruik van dialect gaan in Oost-Vlaanderen snel achteruit, en dus is er meer ruimte voor een regiolect of tussentaal (cf. "Tussentaal tiert het weligst waar dialectverlies het grootst is" - Willemyns 2005: 34). Er komt evenwel nauwelijks iets tot stand wat als 'algemeen Oost-Vlaams' zou kunnen worden bestempeld (regiolect type A) omdat het sterk versnipperde dialect-

landschap het moeilijk maakt om tot een koine te komen. Er is wel regiolect-vorming type B in de vorm van tussentaal. Het zogenaamde 'Brabantse' karak-72 ter van die tussentaal moet enigszins genuanceerd worden omdat een aantal van de vermeende Brabantismen eigenlijk ook al veel eerder zijn doorgedron-gen in de Oost-Vlaamse dialecten, en dus net zo goed als endogene kenmerken van het dialect en de tussentaal kunnen worden beschouwd.

6. Tendenzen in de regiolectisering in Vlaanderen

In Schema 1 hebben we onze bevindingen uit de vorige paragrafen samenge-

BRABANT

Amtwerps DIALECT + (DIALECT)-* [DIALECT) +

+■ I /

REGfOLECTlSERING A = BRAB regloleet 4.

WEST-VLAAN DEREN

DIALECT + DtALECT + DIALECT +...

REG IOLECTB ERtNG A = WV regi Dl ert 4-

STANDAARDTAAL

STANDAARDTAAL

OOST-VLAANDEREN

[DIALECT| + (DIALECT) + (DtALECT) +

REGEOLFCTBERlNG B = OVtuntaal

-OV'actenf

- 'algemeenVIaams^ fonolog Ische kenmerken

- algemeenVIaams^ morfo-syntactache kenmerken

- Brabantsekenmerken(o a gij/ge, -^rel.ook endcgeen IndeOVdlalecten

STAN DAAR OTAAL

Schema 1. Regiolectisering in Viaanderen

Afgezien van het Antwerpse stadsdialect, dat een onmiskenbare dynamiek vertoont, gaat in Brabant en Oost-Vlaanderen het dialectgebruik snel achteruit. In West-Vlaanderen daarentegen houdt het dialectgebruik behoorlijk stand. Wat regiolectisering type A betreft zijn Brabant en West-Vlaanderen dan weer vergelijkbaar; het buitenbeentje is hier Oost-Vlaanderen, waar door de grote dialectische versnippering de drempel tot regiolectisering type A veel hoger blijkt te zijn. Wat regiolectisering type B betreft, is het patroon uniformer: overal wordt meer en meer tussentaal gebruikt. De 'tussentalen' in die drie regio's hebben een aantal fonologische en morfo-syntactische kenmerken

gemeen, zoals de t-apocope bij korte functiewoorden (da, wa, nie i.p.v. dat, wat, niet) of expletief dat (zoals in ik weet niet waarom dat hij dat verzwijgt). Die kenmerken komen voor in (zowat) alle Vlaamse dia/regiolecten, en hebben 73 een homogeniserend effect op de Vlaamse tussentaal (Rys & Taeldeman 2007; Taeldeman 2008). Een extra homogeniserend effect gaat uit van de expansie over heel Vlaanderen van een aantal kenmerken die endogeen zijn in Brabant (en Oost-Vlaanderen), zoals het gebruik van de ge/gij-pronomina en het dimi-nutief op -ke. De regionale kleuring van de tussentaal blijft wel bestaan, vooral door de regio-accenten (tertiaire uitspraakkenmerken), waardoor sprekers herkenbaar blijven als Brabanders, Oost-Vlamingen of West-Vlamingen.

Uit deze samenvatting blijkt dat we voorzichtig moeten zijn om in te alge-mene termen over 'de' dynamiek in 'de' talige stratificatie in Vlaanderen te spreken. De relaties tussen dialect, regiolect, tussentaal en standaardtaal liggen per regio anders.

Dat geldt wellicht ook voor Limburg, een regio die we in een vervolgstudie bij deze analyse zouden willen betrekken. Volgens Willemyns, Vandenbussche en Drees (2010) hebben West-Vlaanderen en Limburg weliswaar hun relatief perifere ligging gemeen, maar is de taaltoestand in beide provincies toch wel grondig anders. Uit de onderzoeksresultaten voor het Limburgse stadje Bree blijkt alvast een opvallend snelle en sterke achteruitgang van zowel dialect-kennis als dialectgebruik. De vele jongeren met een gebrekkige dialectkennis schakelen in informele situaties over op tussentaal. In een noot voegen de auteurs er een belangwekkende opmerking aan toe over de verhouding tussen een eventueel regiolect en tussentaal:

In Limburg kan regiolect (Hoppenbrouwers 1990; Hinskens, Hoppenbrou-wers & Taeldeman 1993) als min of meer synoniem met tussentaal worden gebruikt. In West-Vlaanderen daarentegen is dat onmogelijk. (Willemyns, Vandenbussche & Drees 2010: 810)

De auteurs gebruiken de termen regiolect en tussentaal met betrekking tot de situatie in Bree dan ook als synoniemen door elkaar heen. In het artikel wordt niet uitgelegd waarin die tussentaal zich onderscheidt van standaardtaal, en in welke mate ze eventueel Brabants gekleurd is. Vandekerckhove (2009: 86) wijst er wel op dat uit een eerste verkennend onderzoek blijkt dat de jongere generatie Limburgers in hun bovenregionale omgangstaal meer Brabantse regionale kenmerken gebruiken dan de oudere generatie. Verder onderzoek moet dus uitwijzen of Limburg vergelijkbaar is met Oost-Vlaanderen - waar geen regiospecifiek regiolect tot ontwikkeling lijkt te komen, en meteen voor tussentaal wordt gekozen - dan wel of de regio een taalsituatie sui generis laat zien.

Welke tendenzen mogen we de volgende decennia verwachten in het proces van regiolectisering in Vlaanderen?

74 De kleinschalige regiolectvorming (type A) is waarschijnlijk geen lang le-

ven beschoren, al mogen we ook hier niet te snel veralgemenen.

In Oost-Vlaanderen lijkt de stap van de kleinschalige regiolectvorming überhaupt al te worden overgeslagen, en wordt meteen gekozen voor tussen-taal in de bovenlokale communicatie.

In Brabant is het verschil tussen regiolect type A en type B (tussentaal) vooral een kwestie van uitspraak In het kleinschaliger regiolect blijven secun-daire uitspraakkenmerken behouden, terwijl in tussentaal de uitspraakbasis in wezen standaardtalig is, weliswaar met een Brabants accent. Het is best denkbaar dat jongere generaties in de toenemende mix van intra- en interregionale communicatie, zeker op de as Antwerpen-Brussel, resoluut kiezen voor de grootschaliger versie van het regiolect, in casu tussentaal. Daarmee zijn ze verstaanbaar voor alle gesprekspartners van waar ook uit Vlaanderen, terwijl door haar sterke Brabantse kleuring in fonologie en morfo-syntaxis de tussentaal nooit als desolidariserend kan worden aangevoeld door gesprekspartners uit de eigen Brabantse regio.

Dat ligt waarschijnlijk wel anders in West-Vlaanderen. Door de relatief grote afstand tussen het endogene West-Vlaamse regiolect type A, en het exogene (want sterk Brabants gekleurde) regiolect type B (tussentaal), is er meer ruimte voor een taakverdeling tussen de varieteiten. Voor informeel bovenregionaal contact lijkt ook hier tussentaal in opmars, maar het West-Vlaamse regiolect kan wel dienen om het intraregionale solidariteitsgevoel te onderstrepen, bijvoorbeeld onder de duizenden West-Vlaamse studenten in een universiteitsstad als Gent, of - in eigen provincie - om zich te profileren tegenover de honderdduizenden inwijkelingen aan de kust.

Over de toekomst van de regiolectisering type B, de tussentaal in Vlaande-ren, is al veel inkt gevloeid (voor recente overzichten, zie o.a. Plevoets 2008, De Caluwe 2009). Essentiele vraag in alle beschouwingen is, of die tussentaal via een proces van toenemende diaglosssie (cf. Auer 2005) uiteindelijk aan-sluiting zal vinden bij de standaardtaal, en er de informele gesproken vari-eteit van zal gaan vormen. Of dat die tussentaal weliswaar uniformer wordt maar zich via een bestendiging/verscherping van haar diglottische verhou-ding tot de standaardtaal verder ontwikkelt tot de bovenregionale informele omgangstaal in Vlaanderen, op een behoorlijke afstand van de standaardtaal. O.a. Geeraerts (1999) heeft er terecht op gewezen dat het traditionele taalbe-leid weinig greep heeft op ontwikkelingen in de informele spreektaal, en dat het van de attitude van de Vlamingen af zal hangen of de tussentaal het eind-stadium dan wel een tijdelijke 'halte' zal blijken te zijn in de dynamiek tussen standaardisering enerzijds en grootschalige regiolectvorming anderzijds. Met o.a. Plevoets (2009) mogen we geredelijk aannemen dat die attitudes op hun

beurt weer aangestuurd worden door machts- en statusverhoudingen binnen de Nederlandstalige gemeenschap, of tenminste door de perceptie en concep-tualisering daarvan. Wat dat betreft botsen we op de grenzen van het tot nu 75 toe verrichte onderzoek. Door het integrationisme waar het Vlaamse taalbe-leid in de 20e eeuw van doordrongen was, is de Vlamingen altijd voorgehou-den dat de spraakmakende gemeente in Nederland te vinden was, onder de hogeropgeleiden in de Randstad. Nu Vlaanderen zich talig steeds autonomer ontwikkelt, is de vraag naar aard en status van een spraakmakende gemeente in Vlaanderen onontkoombaar. Dat Vlamingen het Nederlands van Vlaamse Journalisten op radio en televisie als normgevend beschouwen voor de stan-daardtaal wisten we al, maar welke maatschappelijke groepen en individuen zien ze als model voor hun bovenregionale informele spreektaal?

Johan De Caluwe & Evelien Van Renterghem. Correspondentie-adres: Uni-versiteit Gent, Vakgroep Taalkunde, afd. Nederlands. Blandijnberg 2, 9000 Gent (België). E-mail: johan.decaluwe@ugent.be.

7. Bibliografie

Auer, P. (2005). Europe's sociolinguistic unity, or: A typology of European dialect/ standard constellations. In: Delbecque, N., et al. (eds.). Perspectives on variation. Berlin/New York, Mouton de Gruyter. p. 7-42. De Caluwe, J. (2009). Tussentaal wordt omgangstaal in Vlaanderen. In: Nederland-

se Taalkunde 14(1). p. 8-25. De Schutter, G. (1991). Stads- en plattelandsdialect. Verschillen in lexicale veran-deringspatronen. In: Handelingen van de Koninkl. Zuid-Ned. Maatsch. voor Taal-en Letterk. en Geschiedenis 45, 39-53. De Schutter, G. (1992). Lexicale verandering in het Antwerpse stadsdialect. In:

Taal en Tongval Themanummer 5, 129-144. De Schutter, G. en J. Nuyts (2005). Stadsantwerps. Tielt, Lannoo. Devos, M. en R. Vandekerckhove (2005). Taal in stad en land. West-Vlaams. Tielt, Lannoo.

De Vriendt, S. (2004). Brussels. Tielt, Lannoo.

Geeraert, A. (2009). De functie-uitbreiding van het Verkavelingsbrabants bij hoog opgeleide Vlamingen. Brussel, niet gepubliceerd rapport Vrije Universiteit Brussel.

Geeraerts, D. (1999). De Vlaamse taalkloof. In: Over taal 38, 30-34.

Goossens, J. (1970). 'Belgisch beschaafd Nederlands' en Brabantse expansie. In: De

Nieuwe Taalgids 63, 54-70. Goossens, J. (2000). De toekomst van het Nederlands in Vlaanderen. In: Ons Erfdeel 43(1), 2-13.

Hinskens, F. (1993). Dialectnivellering en regiolectvorming. Bevindingen en be-schouwingen. In: Taal en Tongval Themanummer 6, 40-61.

76 Hinskens, F. (1996). Dialect levelling in Limburg: structural and sociolinguistic aspects. Tübingen, Niemeyer.

Hinskens, F., C. Hoppenbrouwers en J.Taeldeman (red.) (1993). Dialectverlies en regiolectvorming. Taal en Tongval Themanummer 6.

Hoppenbrouwers, C. (1990). Het regiolect. Van dialect tot Algemeen Nederlands. Muiderberg, Coutinho.

Janssens, R. (2001). Taalgebruik in Brussel. Taalverhoudingen, taalverschuivingen en taalidentiteit in een meertalige stad. Brussel, VUBPress.

Lemahieu, G. (2008). Tussentaal in spontane conversaties van Vlaamse jongvolwas-senen (18- tot24-jarigen). Gent, Universiteit Gent - Vakgroep Nederlandse Taal-kunde (masterscriptie).

Ooms, M. en J. Van Keymeulen (2005). Taal in stad en land. Vlaams-Brabants en Antwerps. Tielt, Lannoo.

Pinget, A.-F. (2009). Hetgesproken Nederlands in Vlaanderen. Percepties en attitudes tegenover standaardtaal en tussentaal van Oost- en West-Vlaamse studenten. Gent, Universiteit Gent - Vakgroep Nederlandse Taalkunde (masterscriptie).

Plevoets, K. (2008). Tussen spreek- en standaardtaal. Een corpusgebaseerd onder-zoek naar de situationele, regionale en sociale verspreiding van enkele morfo-syntactische verschijnselen uit het gesproken Belgisch-Nederlands. Leuven, Ka-tholieke Universiteit Leuven (doctoraal proefschrift).

Plevoets, K. (2009). Verkavelingsvlaams als de voertaal van de verburgerlijking in Vlaanderen. In: Studies van de BKL 4, 1-29.

Reese, J. (2007). Swiss German. The modern Alemannic Vernacular in and around Zürich. München, Lincolm.

Ryckeboer, H. (1995). 't Viel een neusdoek bachten mijn zatte. Dialectverlies in West- en Oost-Vlaanderen. In: Belemans, R., et al. (red.). Het dialectenboek 3. Dialect in beweging. 100 jaar na de enquêtes van Willems en Aardrijkskundig Genootschap. Groesbeek, Stichting Nederlandse Dialecten. p. 239-252.

Rys, K. en J. Taeldeman (2007). Fonologische ingrediënten van Vlaamse tussentaal. In: Sandra, D., et al. (red.), Tussen taal, spelling en onderwijs. Essays bij het eme-ritaat van Frans Daems. Gent, Academia Press. p. 1-9.

Schirmunski, V. M. (1930). Sprachgeschichte und Siedelungsmundarten. In: Germanisch-Romanische Monatsschrift XVIII. p. 113-122; 171-188.

Taeldeman, J. (2005). Taal in stad en land. Oost-Vlaams. Tielt, Lannoo.

Taeldeman, J. (2008). Zich stabiliserende grammaticale kenmerken in Vlaamse tussentaal. In: Taal en Tongval 60(1), 26-50.

Taeldeman, J. en J. Van Keymeulen (2002). De dialecten in Oost-Vlaanderen. In: Oost-Vlaamse zanten 77 (3-4), 211-237.

Van Daele, P. (2000). Dialectappreciatie en dialectreceptie in Vlaanderen.. Gent, Universiteit Gent -Vakgroep Nederlandse Taalkunde (licentiaatsverhandeling).

Vandekerckhove, R. (2005). Interdialectal convergence between West-Flemish urban dialects. In: Delbecque, N., et al. (eds.). Perspectives on variation. Berlin/ New York, Mouton de Gruyter. p. 111-127. 77

Vandekerckhove, R. (2007). Tussentaal as a source of change from below in Belgian Dutch: a case study of substandardization processes in the chat language of Flemish teenagers. In: Elspass, S. (ed.), Germanic language histories "from below" (1700-2000). Berlin, De Gruyter. p. 189-203.

Vandekerckhove, R. (2009). Dialect loss and dialect vitality in Flanders. In: International Journal of the Sociology of Language 196/197, 73-97.

Van Eeghem, B. (2000). Hoe regionaai is mediataai?Een onderzoek naar de invioed van regioiecten op de uitspraak van nieuwsiezers, omroepers en presentatoren bij de openbare en de commerciele omroep. Gent, Universiteit Gent - Vakgroep Nederlandse Taalkunde (licentiaatsverhandeling).

Van Keymeulen, J. (1993). Een verkennend taalgeografisch onderzoek naar lexi-caal dialectverlies in Nederlandstalig Belgie. In: Taal en Tongval Themanummer 6, 75-101.

Van Laere, A. (2003). Tussentaaieiementen in de taai van Viaamse poiitici. Gent, Universiteit Gent - Vakgroep Nederlandse taalkunde (licentiaatsverhandeling).

Willemyns, R. (1979). Bedenkingen bij het taalgedrag van Vlaamse universiteits-studenten uit Brussel-Halle-Vilvoorde. In: Taal en Sociale Integratie 72, 289302.

Willemyns, R. (2003). Het verhaai van het Viaams. De geschiedenis van het Neder-iands in de Zuideiijke Nederianden. Antwerpen: Standaard Uitgeverij; Utrecht: Spectrum.

Willemyns, R. (2005). Verkavelingsbrabants. Werkt het integratiemodel ook voor tussentalen? In: Neeriandica extra muros 43(3), 27-40.

Willemyns, R. (2008). Varieteitenkeuze in de Westhoek. In: Taal en Tongval 60 (1), 51-71.

Willemyns, R. , W. Vandenbussche en M. Drees (2010). Dialectgebruik en perife-rie. In: De Caluwe, J. en J. Van Keymeulen (red.). Voor Magda. Artikeien voor Magda Devos bij haar afscheid van de Universiteit Gent. Gent, Academia Press. p. 801-816.