Scholarly article on topic 'Boekbespreking - J. Gera & Agnes Sneller, Inleiding literatuurgeschiedenis voor de internationale neerlandistiek. Hilversum, Verloren, 2010. 213 pp. ISBN 978 9087 041 335. €20.'

Boekbespreking - J. Gera & Agnes Sneller, Inleiding literatuurgeschiedenis voor de internationale neerlandistiek. Hilversum, Verloren, 2010. 213 pp. ISBN 978 9087 041 335. €20. Academic research paper on "Languages and literature"

0
0
Share paper
Academic journal
Internationale Neerlandistiek
OECD Field of science
Keywords
{""}

Academic research paper on topic "Boekbespreking - J. Gera & Agnes Sneller, Inleiding literatuurgeschiedenis voor de internationale neerlandistiek. Hilversum, Verloren, 2010. 213 pp. ISBN 978 9087 041 335. €20."

goed op te bouwen en op goed gekozen plekken last ze een climax in. Als lezer blijf je daar niet onverschillig onder. Je raakt in de ban van het exotische en wordt meegesleept door het verhaal.

De vraag die de schrijfster steeds voor ogen houdt, is wat de Indonesiers heeft gedreven tot de bloedige uitbarsting en de wrede acties tegenover de Nederlan-ders na de oorlog. Ze probeert redenen te vinden en wijst enkele oorzaken aan: het cultuurstelsel, de uitbuiting en armoede van de bevolking, de arrogantie en agressie van de Nederlanders, hun superioriteitsgevoel ten aanzien van de inlanders, een wederzijds wantrouwen en ten slotte de angst voor rekolonisatie. Vol-gens haar zijn bij het bloedbad in Soerabaja in oktober 1948 'de rollen eindelijk omgedraaid'. De Nederlanders die toen de dood vonden - waaronder drie van haar familieleden - 'betaalden met hun leven voor de collectieve exploitatie en vergrijpen van hun voorouders en landgenoten'.

Voor mij brengt Hollander niet echt veel onbekende feiten aan het licht. Met haar boek is het eerder zoals met een oude film. We kennen hem goed, maar bekijken hem voor de zoveelste keer omdat we de inhoud simpelweg interessant vinden, zeker als die spannend is verteld. Ik wil er nog aan toevoegen dat Hollander er met Verstilde stemmen en verzwegen levens zonder meer in geslaagd is haar overleden familieleden een plaats te geven in het gemeenschappeiijke geheugen en een interessante kijk te bieden op een stuk publiek verzwegen geschiedenis van Nederland.

Urszula Topolska

J. Gera & Agnes Sneller, Inleiding literatuurgeschiedenis voor de internationale

neerlandistiek. Hilversum, Verloren, 2010. 213 pp. ISBN 978 9087 041 335.

€ 20.

Het is altijd toe te juichen: een literatuurgeschiedenis voor anderstaligen die is geschreven door mensen uit het veld. Judit Gera is hoogleraar Moderne Neder-landse Letterkunde in Boedapest, en ook Agnes Sneller doceerde daar een aantal jaren. Samen schreven ze een tweehonderd bladzijden teilende chronologische 'inleiding' tot de Nederiandstaiige ietterkunde, die bestaat uit zeven hoofdstuk-ken met steeds dezeifde opbouw: een historisch overzicht van een tijdvak wordt gevoigd door een iiterair-theoretische paragraaf, waarna informatie wordt gege-ven over de iiteratuurproductie, die in een siotparagraaf is uitgediept in een ge-detaiiieerde anaiyse van een of meer teksten die paradigmatisch zijn voor de behandeide periode. Deze trechterstructuur, van aigemeen-historisch naar specifiek-tekstanaiytisch, is interessant. Ze voorkomt dat het boek verwordt tot een encyciopedie van namen en titeis. Daar hebben we, ook in het buiteniand, de

dbnl al voor. Dat deze literatuurgeschiedenis ook echt als een leerboek is bedoeld, onderstrepen de 'Opdrachten' aan het slot.

De vijf bezwaren die ik hierna formuleer moeten worden gelezen met de ach-tergrondgedachte dat het schrijven van een beknopte, generalistische literatuurgeschiedenis nu eenmaal selecties vergt die elke periodespecialist doodjammer vindt, én dat de 'internationale neerlandistiek' - waaraan de titel refereert - een (al te) ruim begrip is om elke docent waar ook ter wereld op zijn wenken te bedienen met één boek. De vertaalwetenschap leert ons dat verschillende cultuurge-bieden andere filters gebruiken in de perceptie van andere culturen. Vanuit die logica zullen Franse, Amerikaanse of Duitse studenten Nederlands aangetrokken worden door uiteenlopende aspecten van 'de' Nederlandse literatuurgeschiedenis, en zal niet iedereen hier zijn gading vinden.

Mijn eerste bezwaar geldt de periodisering. De auteurs onderscheiden, heel overzichtelijk, zeven tijdvakken: 1. middeleeuwen (circa 1000 - circa 1550), 2. renaissance (circa 1550 - circa 1660), 3. verlichting (circa 1660 - circa 1790), 4. ro-mantiek (circa 1790 - circa 1885), 5. naturalisme (circa 1885 - circa 1918), 6. modernisme (circa 1890 - circa 1945), 7. postmodernisme/postkolonialisme (na 1945). Vooral voor de vierde en de laatste periode gaat de helderheid ten koste van de nuance. Door de periode van de romantiek in de negentiende eeuw te plaatsen en op te rekken tot de Tachtigers, krijgen zo diverse auteurs als Nicolaas Beets en Willem Kloos (bien étonnés!) eenzelfde etiket opgeplakt. Achttiende-eeuw-se sentimentele auteurs als Rhijnvis Feith en E.M. Post vallen uit de boot (ze worden ook niet in het hoofdstuk over de verlichting genoemd), en ook realistische tendensen, die zich al vanaf 1840 doen gelden, komen in de schaduw te staan. Vermoedelijk om die reden ontbreekt Conrad Busken Huet, maar waarom de 'ro-manticus' Willem Bilderdijk hetzelfde lot ondergaat, is onverklaarbaar. Bijna nog problematischer is de behandeling van de literatuur na de Tweede Wereldoorlog. Natuurlijk is het onmogelijk hier iedereen tevreden te stellen, maar toch. Als men de laatste 65 jaar wil persen in de mal 'postmodernisme/postkolonialisme' worden wel erg veel schrijvers in de verdrukking gebracht. Zelfs Hugo Claus wordt niet besproken! Door het postkolonialisme op gelijke voet te behandelen met het postmodernisme creëren Gera en Sneller een vertekend beeld. Het is overigens een raadsel waarom zij bij de 'tekstanalyse' van het postkolonialisme drie teksten belichten die nu juist buiten de grenzen vallen van dit begrip: Het journaal van Bontekoe, De familie Kegge van Nicolaas Beets (koloniale teksten van voor 1945) en 'Eet mij op' van Abdelkader Benali (migrantenliteratuur).

Een tweede bezwaar geldt de hybriditeit van de opzet, die is geïnspireerd op de Lessen in literatuur van Frans-Willem Korsten (2005/2009). Soms zweeft het verhaal tussen een geschiedenisboek en een cursus literatuurtheorie, met deconstructie, genderanalyse en postkolonialisme als de belangrijkste analytische en terminologische parachutes. Deze aanpak kan fris lijken, maar houdt het risico in dat deze literatuurgeschiedenis even snel gedateerd raakt als de literair-theoretische para-

digma's die erin worden uiteengezet. De worsteling van Gera en Sneller om literatuurgeschiedenis en -theorie samen te smeden tot één compact geheel, is soms voelbaar. Voortdurend hinkelen de auteurs tussen een historiserende en een pre-sentistische benadering, waardoor de historische inleidingen moeilijk nog als in-bedding kunnen dienen voor de tekstanalyse. Dit springt bijvoorbeeld in het oog bij de bespreking van Max Havelaar, ook voor het buitenland ongetwijfeld de meest gecanoniseerde Nederlandse tekst uit de negentiende eeuw. De roman dient in deze literatuurgeschiedenis als illustratie in een paragraaf getiteld 'Ideo-logiekritiek'. De auteurs geven ons een 'tegendraadse' lectuur van Max Havelaar: de tegenstelling Havelaar/Sjaalman en Droogstoppel moet volgens hen vanuit een 'hedendaags ideologisch perspectief in twijfel getrokken worden, aangezien zij 'allemaal blanke Europese koloniale mannelijke personages' zijn. Hoe politiek correct deze lezing ook is, naar mijn smaak wordt de lezer hier het literair-theoretische bos in gestuurd zonder historisch overlevingspakket. Hij krijgt geen infor-matie over Eduard Douwes Dekker, de affaire Lebak, ander werk van Multatuli, of diens toenmalige ideologische invloed. Kortom, de invoeging van anachronistische legstukjes in een voor het overige contextualiserende literatuurgeschiedenis leidt soms tot een verwrongen mozaïek (en een licht moralisme).

Een derde bedenking heb ik bij de gebruikte secundaire literatuur. Die geeft niet altijd de laatste stand van het neerlandistische onderzoek weer. Nogmaals een negentiende-eeuws voorbeeld. De dichter Tollens geldt al decennia lang als het zwarte schaap van de Nederlandse literatuur - waardoor hij paradoxaal ge-noeg toch steeds weer de geschiedenisboeken haalt - dankzij zijn twee meest ge-citeerde verzen: het vroegere volkslied 'Wien Neêrlandsch bloed in d'aders vloeit / van vreemde smetten vrij' en zijn loflied op de eerste tand van zijn zoontje: 'Tri-omf, triomf! Hef aan, mijn luit, / Want moeder zegt: de tand is uit! / Laat dreunen nu de wanden!'. Niet alleen fout, maar ook belachelijk dus, deze Tollens. Gera en Sneller nemen deze beeldvorming over. Ze citeren in extenso het tandgejubel als voorbeeld van biedermeierpoëzie, zonder twijfel over de auteursintentie: 'Vandaag de dag denkt men dat dit gedicht ironisch bedoeld was. Tollens meende echter serieus wat hij schreef.' Het is jammer dat de schrijfsters geen kennis namen van de interpretatie van het gewraakte tandgedicht door Lotte Jensen, tegen de politie-ke achtergrond van het jaar 1812 waarin Tollens het schreef. Aan de hand van een analyse van de militaire metaforen toont Jensen overtuigend aan dat het ging om een 'emulatio' van een Duits voorbeeld met een eigen, nationalistische invulling. De eerste tand van het jongste zoontje kan allegorisch worden gelezen als de eerste verzetsdaden van een vertrapte republiek tegen de napoleontische dicta-tuur. Contemporaine lezers begrepen de dubbele bodem, anno 2010 blijft er slechts een potsierlijk gedicht over. Ik moet de auteurs meegeven dat Jensens analyse pas in 2009 werd gepubliceerd - misschien lag hun literatuurgeschiedenis toen al kant en klaar bij de uitgever - maar dit geldt niet voor sommige andere secundaire werken. Alleen al voor de middeleeuwen bestaan er recentere studie-

uitgaven van Hadewijch, Karel ende Elegast, Esmoreit, Floris ende Blancefloer... dan die-gene die hier aangeraden worden. Het lijkt erop dat Gera en Sneller de voorkeur hebben gegeven aan 'klassieke' filologische uitgaven in plaats van meer leesvrien-delijke edities voor leerlingen of studenten.

Een vierde bedenking betreft de omissie van de Surinaamse literatuur. Hoewel de (post)koloniale literatuur veel aandacht krijgt, gaat deze bijna uitsluitend over de Oost. Toch is Suriname het enige land ter wereld waar het Nederlands de enige officiële taal is, met een bloeiende literatuurproductie en een flinke instroom van (re)migrantenauteurs aan beide zijden van de oceaan. Alleen de naam Edgar Caïro valt even, de Surinaamse literatuurgeschiedenis van Michiel van Kempen blijft in de bibliografie onvermeld. Dit hiaat wekt verwondering als we weten dat deze In-leiding literatuurgeschiedenis voor de internationale neerlandistiek is gesponsord door de Nederlandse Taalunie, die in 2003 naast Nederland en Vlaanderen ook Suriname als een volwaardig derde lid in haar schoot heeft opgenomen. Ook de Nederlandse Antillen, en hun literatuurgeschiedschrijver Wim Rutgers, ontbreken.

Ten slotte is er nog het onvermijdelijke euvel van elke literatuurgeschiedenis voor anderstaligen die in de vreemde taal is geschreven: de discrepantie tussen het veronderstelde optimale taalniveau van de student en zijn afwezige histo-risch-literaire kennis. Bij momenten is het taalgebruik bepaald idiomatisch met zinnen als: 'Dit vereeuwigen van het pre-moderne aan de drempel van het moderne typeert ook de schilders van de Haagse school'. Wie dit boek moeiteloos kan uitlezen zonder voortdurend naar het woordenboek te hoeven grijpen, kan geen blanco kennis meer hebben van de Nederlandse cultuur. Hij zal vermoedelijk al enkele jaren met (Erasmus-)beurzen in Nederland of Vlaanderen hebben vertoefd. Deze wrijving tussen vorm en inhoud had ondervangen kunnen worden door het gebruik van een iets eenvoudiger stijl, waarmee ik niet wil zeggen dat Gera en Sneller zich bezondigd hebben aan gratuite taalvirtuositeit.

Mijn slotbeschouwing kan vreemd klinken na de voorgaande reserves: ik ben blij dat dit boek bestaat. Voor mezelf- docent aan een Franstalige universiteit - is het partieel bruikbaar, vooral in de historische overzichten en bepaalde tekstana-lyses. Voor Amerikaanse studenten, zo vermoed ik, is een extra hoofdstuk over de joods-Nederlandse literatuur onontbeerlijk. Voor Duitstalige studenten bevat het boek volgens mij te weinig (of geen) informatie over naoorlogse auteurs als Mulisch, Nooteboom of feministen van de 'derde golf. Dit alles neemt niet weg dat Gera en Sneller een waardevol en origineel overzicht van de Nederlandse letterkunde hebben geschreven, dat steeds vanuit andere prisma's stof kan leveren aan docenten in diverse buitenlanden.

Elisabeth Leijnse